Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:275

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
17/1548
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerede twijfel over juistheid opgave tot uittreding van een bestuurder van een stichting. Artikel 5, tweede lid, onder e, van het Hrb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/705
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1548

24301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de Kamer van Koophandel, verweerster,

(gemachtigde: mr. E. Goos).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot inschrijving

in het handelsregister van de opgave van de uittreding van [naam 2] als bestuurder (voorzitter) van de [Stichting] per 4 juli 2017.

Bij besluit van 19 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van [naam 2] gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

[naam 2] is door het College in de gelegenheid gesteld ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht als partij aan het geding deel te nemen maar hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2018. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het geschil gaat het College uit van de volgende feiten.

1.1

Op 6 juli 2017 heeft verweerster van appellant een opgave ontvangen tot uittreding van [naam 2] als bestuurder van de Stichting per 4 juli 2017. Bij het primaire besluit heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van deze opgave.

1.2

Naar aanleiding van het door [naam 2] ingediende bezwaar heeft verweerster bij brief van 11 juli 2017 aan appellant bericht dat zij de in het handelsregister opgenomen gegevens van de Stichting in onderzoek heeft genomen en appellant verzocht om het onderliggende besluit dat conform de statuten aan de opgave ten grondslag is gelegd over te leggen. Appellant heeft bij brief van 15 juli 2017 op het verzoek van verweerster gereageerd en notulen van op 22 april 2017 en 3 juli 2017 gehouden bestuursvergaderingen toegestuurd. [naam 2] heeft bij brief van 31 juli 2017 hierop gereageerd.

1.3

Bij brief van 2 augustus 2017 heeft verweerster appellant verzocht nadere bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat ten aanzien van de gehouden bestuursvergaderingen van 22 april 2017 en 3 juli 2017 voldaan is aan de vereisten van het houden van een bestuursvergadering en het ontslaan van een bestuurder, als bedoeld in artikel 5, zevende lid en artikel 8 van de statuten van de Stichting. Bij brief van 13 augustus 2017 heeft appellant een aantal stukken van 11 en 27 april 2017 in de Arabische taal overgelegd. Bij brief van 21 augustus 2017 heeft appellant voornoemde stukken desgevraagd voorzien van een vertaling. [naam 2] heeft bij brief van 31 augustus 2017 hierop gereageerd.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat er alsnog (meer dan) gerede twijfel bestaat over de juistheid van de opgave van appellant. Daaraan heeft verweerster ten grondslag gelegd dat in een eerder besluit van verweerster van 28 juni 2017 is geoordeeld dat [naam 2] nog steeds deel uitmaakte van het bestuur van de Stichting en dat [naam 3] sinds 7 januari 2017 geen deel meer uitmaakte van het bestuur. De in de vergadering van 22 april 2017 aanwezige personen - zoals vermeld in de overgelegde notulen - doet geen recht aan het vorenstaande. Daarnaast ontbreekt in beide notulen een heldere formulering van het gewenste besluit van het bestuur. Bovendien blijkt uit de stukken niet dat een oproeping van een bestuursvergadering heeft plaatsgevonden en valt niet in te zien hoe zonder de oproep tot een vergadering door de voorzitter en het horen van deze in de vergadering een rechtsgeldig besluit tot stand is gekomen. Evenmin is gebleken dat [naam 2] zelf ontslag heeft genomen. De in dit verband ingebrachte (zeer summiere) vertaalde stukken, waaruit diens eenzijdig ontslag zou blijken, heeft [naam 2] betwist. Gelet op het voorgaande is verweerster van oordeel dat de opgave van appellant tot uittreding van [naam 2] geen juiste weergave is van de civielrechtelijke situatie.

2. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat sprake is van een rechtsgeldig ontslagbesluit. Volgens appellant is [naam 2] opgeroepen voor de bestuursvergaderingen van 22 april 2017 en 3 juli 2017 en laten de notulen er geen onduidelijkheid over bestaan dat de uitschrijving van [naam 2] als bestuurder gewenst is. Dat de samenstelling van het bestuur wisselend is geweest, doet volgens appellant niet terzake. Uit de overgelegde stukken blijkt bovendien dat [naam 2] zelf zijn functie heeft neergelegd.

3.1

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007 (Hrw), in samenhang met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van deze wet, is ieder der bestuurders van een stichting bevoegd tot het doen van opgave ter inschrijving in het handelsregister.

3.2

Op grond van artikel 4 van het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb) dient verweerster, voor zover hier relevant, te onderzoeken of een opgave ter inschrijving in het handelsregister juist is. Indien verweerster gerede twijfel heeft over de juistheid van een opgave, kan zij weigeren tot inschrijving over te gaan (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Hrb).

3.3

De statuten van de Stichting, opgericht bij akte van 6 oktober 2016, bepalen voor zover hier van belang, als volgt:

BESTUUR
Artikel 5

(…)

Ontslag. Schorsing

7. Het Bestuur – de betrokkene daarbij niet meegerekend – kan iedere Bestuurder ontslaan en schorsen, maar uitsluitend nadat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld om zich in een vergadering van het Bestuur te verantwoorden.

(…)

VERGADERINGEN.
Artikel 8

Frequentie en bijeenroeping

1. Het Bestuur vergadert een maal per jaar [jaarvergadering] en ook als de voorzitter of minstens twee Bestuurders een vergadering wensen. De voorzitter nodigt de Bestuurders schriftelijk uit voor elke Bestuursvergadering: hierna aan te duiden als : (de) vergadering.

(…)”

4.1

In dit geschil is aan de orde de vraag of verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er grond bestaat voor gerede twijfel over de juistheid van de opgave van appellant zodat zij op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Hrb het verzoek om tot inschrijving van die opgave over te gaan alsnog kon weigeren.

4.2

Bij akte van oprichting van de Stichting van 6 oktober 2016 is [naam 2] benoemd als voorzitter, appellant als secretaris, [naam 3] als penningmeester en [naam 4] en [naam 5] als overige bestuurders van de Stichting. Bij besluit van 28 juni 2017 heeft verweerster zich in een eerdere bezwaarprocedure op het standpunt gesteld dat [naam 3] per 7 januari 2017 is teruggetreden als bestuurder van de Stichting en niet is gebleken dat appellant en [naam 4] per 21 februari 2017 zijn teruggetreden als bestuurders. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld, zodat verweerster ervan uit mocht gaan dat het rechtsgeldig bestuur van de Stichting op 22 april 2017 en op 3 juli 2017 werd gevormd door vier bestuursleden, te weten [naam 2] , appellant, [naam 4] en [naam 5] .

4.3

Uit de door appellant overgelegde notulen blijkt dat op 22 april 2017 een bestuursvergadering heeft plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren appellant, [naam 5] , [naam 4] en [naam 3] . Op 3 juli 2017 heeft een vergadering plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren appellant, [naam 5] en [naam 4] .

4.4

Voor zover appellant stelt dat hij [naam 2] voor voornoemde bestuursvergaderingen heeft opgeroepen, hetgeen door [naam 2] wordt betwist, rust de bewijslast van deze oproeping bij appellant. Appellant heeft echter niet onderbouwd dat de bestuurders, onder wie [naam 2] , zijn opgeroepen voor de bestuursvergaderingen van 22 april 2017 en 3 juli 2017 (met als agendapunt het ontslag van [naam 2] ). De enkele stelling van appellant dat hij [naam 2] heeft opgeroepen voor de bestuursvergaderingen is daartoe onvoldoende. Nu [naam 2] heeft betwist dat hij is uitgenodigd voor de bestuursvergaderingen en hij aldus niet is gekend in het besluit tot zijn ontslag als bestuurder, heeft verweerster naar het oordeel van het College, gelet op het ontbreken van stukken waaruit blijkt van een oproep voor een bestuursvergadering, zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van gerede twijfel over de juistheid van de opgave van appellant. Uit artikel 8, eerste lid respectievelijk artikel 5, zevende lid, van de statuten van de Stichting volgt immers dat de voorzitter de bestuurders voor elke bestuursvergadering schriftelijk dient uit te nodigen en een bestuurder in de gelegenheid dient te worden gesteld zich te verantwoorden in een vergadering waarin zijn ontslagbesluit wordt besproken. De besluiten die genomen zijn in de bestuursvergaderingen van 22 april 2017 en 3 juli 2017 zijn om die reden genomen in strijd met de statuten.

4.5

De stelling van appellant dat [naam 2] via sociale media eenzijdig ontslag heeft genomen, leidt naar het oordeel van het College niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat de stukken, waaruit diens eenzijdig ontslag zou blijken, zijn vertaald door een beëdigde vertaler. Voorts heeft [naam 2] bij brief van 31 august 2017 de inhoud van de vertaalde stukken gemotiveerd betwist.

4.6

In het licht van het voorgaande heeft verweerster naar het oordeel van het College terecht geconcludeerd dat sprake is van gerede twijfel over de juistheid van de opgave, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder e, van het Hrb. Verweerster heeft gelet op het voorgaande op goede gronden alsnog geweigerd de opgave van appellant in het handelsregister in te schrijven en de oorspronkelijke inschrijving hersteld.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. A. El Markai