Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:26

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-01-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
17/220
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, appellant heeft een aandelenwaardering gemaakt en daarbij niet aangesloten bij de datum per transactiedatum. Tevens de leiding van de onderneming niet bevraagd om een deugdelijke grondslag te verkrijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/220

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2018 op het hoger beroep van:

[appellant] AA, te [plaats 1] , appellant,

gemachtigde: mr. A.C. van Campen.

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 9 januari 2017, gegeven op een klacht tegen appellant, ingediend door

[klaagster] B.V., te [plaats 2] , klaagster,

gemachtigde: mr. N.E.N. de Louwere.

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 20 februari 2017 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 9 januari 2017, met nummer 16/848 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2017:2).

Klaagster heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Klaagster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is werkzaam als accountant-administratieconsulent en verbonden aan [naam 1] . Appellant heeft op 4 juli 2014 een rapport uitgebracht aan de directie en enig aandeelhoudster [naam 2] ( [naam 2] ) van [naam 3] B.V. dat betrekking had op de indicatieve waardebepaling van [naam 4] B.V. ( [naam 4] ). De aanleiding voor het rapport was erin gelegen dat [naam 2] op 27 maart 2013 haar aandelen in [naam 4] en [naam 5] B.V. voor een bedrag van uiteindelijk in totaal € 310.000,- heeft overgedragen aan [naam 6] B.V.. Laatstgenoemde vennootschap is eigendom van haar ex-partner [naam 7] ( [naam 7] ) met wie zij ten tijde van de overdracht in scheiding lag. [naam 2] heeft zich nadien afgevraagd of de overdracht van de aandelen op eerlijke wijze is verlopen en heeft appellant verzocht om een indicatieve waardebepaling van [naam 4] te maken. Appellant heeft in zijn rapport geconcludeerd dat de aandelen van [naam 4] van [naam 2] op 31 december 2013 een waarde hadden van

€ 3.045.323,-.

1.3

Nadien is [naam 2] een gerechtelijke procedure begonnen tegen [naam 7] , waarbij zij onder meer vernietiging van de overeenkomst tot aandelenverkoop heeft gevorderd wegens wilsgebreken. Tevens heeft zij een klacht ingediend bij de accountantskamer tegen [naam 8] , accountant administratieconsulent werkzaam bij klaagster, die betrokken is geweest bij de totstandkoming van deze overeenkomst.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1.

De klacht zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer houdt in dat:

a. appellant, gelet op het doel ervan, geen rapport met een waardebepaling per 31 december 2013 heeft mogen afgeven;

b. appellant ten behoeve van het opstellen van het rapport ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast, waardoor een deugdelijke grondslag voor het rapport ontbreekt;

c. appellant niet heeft gereageerd op de door [naam 9] gestelde vragen;

d. appellant in de conclusie in zijn rapport geen ondubbelzinnig voorbehoud heeft opgenomen met betrekking tot de door hem bepaalde waarde;

e. appellant onvoldoende nauwkeurig in zijn rapport heeft vastgelegd van wie en op welke wijze hij opdracht voor het betreffende rapport heeft gekregen;

f. appellant bij de waardering van de aandelen onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat het ging om een minderheidsbelang en betrokkene de vermogenskostenvoet niet juist heeft toegepast.

2.2.

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer klachtonderdelen a en b gegrond verklaard, de klachtonderdelen c, e en f ongegrond verklaard en klachtonderdeel d buiten behandeling gelaten. Ter motivering van de gegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b heeft de accountantskamer overwogen dat appellant ervan op de hoogte was dat wanneer er een groot verschil in waarde zou zijn tussen de verkoopprijs van de overgedragen aandelen en de door appellant in het rapport van 4 juli 2014 berekende waarde, er een juridisch conflict zou ontstaan tussen [naam 2] en [naam 7] . In verband daarmee was een waardebepaling van de aandelen van [naam 4] enkel zinvol per transactiedatum en valt niet in te zien waarom appellant voor de waardepeildatum van 31 december 2013 heeft gekozen. Appellant had vanwege de onderscheidende verantwoordelijkheid die op de schouders van een accountant rust om (ook) steeds te handelen in het algemeen belang in ieder geval niet een rapport mogen uitbrengen met een waardepeildatum van 31 december 2013 zonder daarin duidelijk en deugdelijk onderbouwd aan te geven welk verschil er zou bestaan met een waardering per datum van de aandelentransactie in maart 2013. Appellant heeft zodoende de fundamentele beginselen van objectiviteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. Voorts had appellant, nu hij wist dat zijn rapport zou worden gebruikt ten behoeve van de standpuntbepaling van [naam 2] in een juridisch conflict, voor een deugdelijke grondslag van de waardering de leiding van [naam 4] moeten bevragen, hetgeen hij niet heeft gedaan. De beweerdelijke weigering van de leiding om met appellant te overleggen had appellant in zijn rapport moeten vermelden, hetgeen hij eveneens heeft nagelaten. Ook in die zin heeft appellant het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. De accountantskamer heeft appellant ter zake de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Met zijn eerste grief heeft appellant aangevoerd dat er gegronde redenen waren om bij de waardering uit te gaan van

31 december 2013 als waardepeildatum. In dat verband heeft appellant betoogd dat door [naam 2] slechts werd verzocht om een indicatieve waarde bepaling waarmee zij kon toetsen of haar gevoel dat zij ernstig benadeeld was bij de verkoop van het aandelenpakket enige grond had en dat van een conflictsituatie omtrent de waarde van de aandelen ten tijde van het verstrekken van die opdracht (nog) geen sprake was. Ook had [naam 2] slechts de beschikking over de jaarrekeningen van 2009 tot en met 2013 en niet over tussentijdse cijfers. Vanwege de precaire situatie bij de afwikkeling van de relatie tussen [naam 2] en [naam 7] , waaronder een omgangsregeling met de kinderen, was het appellant door [naam 2] voorts uitdrukkelijk niet toegestaan om nadere informatie over [naam 4] bij [naam 7] of [naam 4] op te vragen. Het hanteren van 31 december 2013 als waardepeildatum is tevens besproken met [naam 2] en haar advocaat en door hen akkoord bevonden. Daarbij is ook besproken dat het hanteren van die datum niet zou aansluiten bij de waarde van de aandelen op de transactiedatum. Met zijn tweede grief heeft appellant aangevoerd dat er geen reden was om de leiding van [naam 4] te bevragen ten behoeve van een deugdelijke grondslag voor de waardering. In dat kader heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het hem door [naam 2] uitdrukkelijk niet was toegestaan om nadere informatie bij [naam 4] op te vragen, dat de leiding van [naam 4] ook geen informatie wilde geven en dat de aandelenwaardering slechts een indicatieve waardering betrof. Voorts stond ten tijde van de opdrachtverlening geenszins vast dat er een juridische procedure gevoerd zou gaan worden en heeft appellant in het rapport duidelijk vermeld waaruit zijn werkzaamheden hebben bestaan, zodat duidelijk was waarop de waardering was gebaseerd.

3.2.

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat appellant geen rapport had mogen uitbrengen met een waardepeildatum van 31 december 2013, zonder daarin duidelijk en deugdelijk aan te geven welk verschil er zou bestaan met een waardering per datum van de aandelentransactie in maart 2013. Daartoe heeft de accountantskamer terecht overwogen dat appellant wist dat er een juridisch conflict zou kunnen ontstaan tussen [naam 2] en [naam 7] indien er een groot verschil zou zijn tussen de hoogte van de door [naam 2] betaalde koopprijs van de aandelen en de door appellant in zijn rapport berekende waarde daarvan. Appellant heeft ter zitting van het College desgevraagd bevestigd dat hij bij die situatie een conflict voorzag. Hierbij is van belang dat de opdracht voor de waardering afkomstig was van de advocaat van [naam 2] die daarbij heeft aangegeven dat [naam 2] zich afvroeg of de verkoop van de aandelen wel eerlijk was verlopen. Om die reden had van appellant mogen worden verlangd dat hij er rekening mee hield dat het rapport zou worden gebruikt in een (juridisch) conflict. Het betoog van appellant dat er ten tijde van het verlenen van de opdracht voor de aandelenwaardering nog geen sprake was van een conflictsituatie kan daar niet aan afdoen, nu juist de inhoud van het door hem uitgebrachte rapport voor hem voorzienbaar tot het conflict heeft geleid. Van appellant kon voorts worden verwacht dat hij had beseft dat zijn rapport met het oog op een dergelijk juridisch conflict enkel zinvol zou zijn met een waardering van de aandelen per maart 2013. Appellant heeft echter 31 december 2013 als waardepeildatum gehanteerd en heeft nergens in zijn rapport vermeld en/of toegelicht waarom hij bij het bepalen van de waarde van de aandelen niet is uitgegaan van maart 2013 en wat de invloed van gebeurtenissen daarna op de waarde van de aandelen is geweest. De redenen die appellant heeft aangevoerd over waarom hij voor 31 december 2013 als waardepeildatum heeft gekozen verklaren niet waarom een dergelijke vermelding en/of toelichting in zijn rapport ontbreekt en kunnen deze tekortkoming evenmin herstellen. Het College is daarom met de accountantskamer van oordeel dat appellant de fundamentele beginselen van objectiviteit en van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. De eerste grief slaagt derhalve niet.

3.3.

Appellant heeft voor zijn waardering gebruikt gemaakt van de door [naam 2] aan hem verstrekte jaarrekeningen van [naam 4] over de jaren 2009 tot en met 2013. Verder is appellant uitgegaan van een groei van de omzet van [naam 4] met 10% en hij heeft die lijn doorgetrokken naar 2014. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat appellant voor een deugdelijke grondslag van de waardering, ook indien sprake was van indicatieve waardering, tevens het standpunt van de leiding van [naam 4] had moeten inwinnen, hetgeen hij niet heeft gedaan, omdat zonder die informatie geen volledig beeld van de onderneming kon worden gevormd. De omstandigheid dat het appellant door [naam 2] uitdrukkelijk niet was toegestaan om informatie bij de leiding van [naam 4] op te vragen had voor appellant, nu dat tot gevolg had dat hij geen deugdelijk rapport met betrekking tot de waarde van de aandelen op de transactiedatum kon uitbrengen, aanleiding moeten zijn om hierover nader contact op te nemen met [naam 2] en, indien zij op dit punt voet bij stuk zou houden, te overwegen de opdracht voor het opstellen van het rapport terug te geven. Dit heeft appellant evenwel niet gedaan. Appellant heeft ook daarom het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. De tweede grief slaagt derhalve evenmin.

3.4.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

3.5.

De onderstaande beslissing op het hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. J.L. Verbeek, mr. F. van der Wel in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. S.M. van Ditmarsch