Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:238

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
16/168
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Randvoorwaardenkorting, overtreding artikel 7 Meststoffenwet.

Regeling GLB-inkomenssteun 2016

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/150 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/168

16000

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P. Sipma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister)

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft de minister een korting toegepast van 3% op alle in dat besluit genoemde subsidies die zijn verleend op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling GLB) wegens het niet naleven van een randvoorwaarde voor deze subsidies.

Bij besluit van 4 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018, waar de zaak gevoegd is behandeld met de zaak van appellante geregistreerd onder zaaknummer AWB 17/993, waarin het hoger beroep van appellante ten aanzien van de haar opgelegde bestuurlijke boete en toegepaste korting op subsidies die zijn verleend op grond van de Regeling GLB wegens het niet naleven van de Meststoffenwet (Msw) voorligt. De zaken zijn vervolgens voor het doen van uitspraak weer gesplitst.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij.

1.2

In 2013 heeft de minister het bedrijf van appellante gecontroleerd op naleving van de randvoorwaarden in het kader van de aan appellante te verlenen rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling GLB voor het jaar 2013. In het kader van die controle heeft de minister vastgesteld dat appellante voor kalenderjaar 2013 de gebruiksnormen in de zin van artikel 8 van de Msw heeft overschreden en als gevolg daarvan een van de randvoorwaarden heeft geschonden, te weten het in artikel 7 van de Msw vervatte verbod in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen.

1.3

Bij besluit van 15 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft de minister een korting toegepast van 3% op alle in dat besluit genoemde subsidies op grond van de Regeling GLB wegens het niet naleven van deze randvoorwaarde (randvoorwaardenkorting).

1.4

In het besluit van 4 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

1.5

Tegen het bestreden besluit heeft appellante beroep ingesteld bij het College in deze zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 16/168, alsook bij de rechtbank Noord-Nederland (rechtbank) geregistreerd onder zaaknummer LEE AWB 16/1178.

1.6

In de uitspraak van 11 mei 2017, kenmerk LEE 16/1178, heeft de rechtbank dit beroep van appellante tegen de in het bestreden besluit toegepaste randvoorwaardenkorting van 3% ongegrond verklaard. In de rechtsmiddelenclausule bij de uitspraak is opgenomen dat tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij het College. Appellante heeft vervolgens bij het College hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak. Het College heeft heden eveneens uitspraak gedaan in dit hoger beroep, geregistreerd onder zaaknummer AWB 17/993, hierbij de uitspraak van 11 mei 2017 met kenmerk LEE vernietigd en de rechtbank onbevoegd verklaard om van het beroep van appellante tegen het bestreden besluit kennis te nemen.

1.7

Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit waarbij de randvoorwaardenkorting is gehandhaafd wordt in deze uitspraak door het College beoordeeld.

2.1

Appellante stelt zich in beroep op het standpunt dat ten onrechte een korting op haar GLB-subsidies is toegepast, omdat er geen sprake was van een overtreding van artikel 7 van de Msw. Daartoe voert appellante aan dat de toegepaste randvoorwaardenkorting een gevolg is van de onjuiste vaststelling van de minister dat appellante zich in 2013 niet heeft aangemeld voor de derogatie op grond waarvan een verruimde gebruiksnorm dierlijke meststoffen van 250 kilogram stikstof per hectare op haar bedrijf zou gelden. Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van appellante verwijst het College naar zijn uitspraak van heden in zaak AWB 17/993.

3.1

Het College overweegt als volgt.

3.2

Op grond van het overgangsrecht nog toepasselijke artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009), dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in Bijlage II van die regeling genoemde beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II van de Verordening 73/2009 verwijst voor de beheerseisen naar de artikelen 4 en 5 van de Richtlijn

nr. 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Nitraatrichtlijn). Artikel 5 van de Nitraatrichtlijn is in Nederland onder meer geïmplementeerd in artikel 7 van de Msw, in samenhang met artikel 8 van de Msw.

3.3

De Regeling GLB strekte ter uitvoering van Verordening 73/2009. In artikel 3, aanhef en onder a, van de Regeling GLB was, ten tijde van belang, bepaald dat een landbouwer, die een aanvraag heeft ingediend voor steun in het kader van de bedrijfstoeslagenregeling, de in Bijlage 1 van de Regeling GLB en de in de artikelen 4 en 5 van de Verordening 73/2009 bedoelde beheerseisen in acht dient te nemen. Punt 4.16 van Bijlage I bij de Regeling GLB verwees, ten tijde van belang, naar de norm die volgt uit artikel 7 van de Msw, in samenhang met artikel 8 van de Msw. Artikel 7 van de Msw bevat het verbod om in enig kalenderjaar meststoffen op of in de bodem te brengen. Artikel 8 van de Msw bepaalt dat het verbod in artikel 7 van de Msw niet geldt indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de gebruiksnormen overschrijdt.

3.4

Op grond van artikel 71, eerste lid, van Verordening 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers (Verordening 1122/2009) bedraagt de randvoorwaardenkorting bij een niet-naleving in de regel 3%.

3.5

De minister heeft aan appellante wegens overtreding van artikel 7 van de Msw, in samenhang met artikel 8 van de Msw, in het jaar 2013 een bestuurlijke boete opgelegd. Door appellante is zowel de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen overschreden als de stikstofgebruiksnorm en de fosfaatgebruiksnorm, zodat de uitzondering op het verbod op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen voor haar niet geldt. In het door appellante tegen deze uitspraak bij het College ingestelde hoger beroep onder zaaknummer AWB 17/993, waarin het College heden uitspraak heeft gedaan, is bevestigd dat de verruimde gebruiksnorm niet op het bedrijf van appellante van toepassing was en dat appellante de gebruiksnormen heeft overschreden. Dezelfde beroepsgrond als hier is aangevoerd, is door het College in de uitspraak in zaak 17/993 verworpen en het College sluit hier aan bij de desbetreffende overwegingen in die uitspraak. Het door appellante ingenomen standpunt dat er geen sprake is van overtreding van artikel 7 van de Msw volgt het College derhalve niet. Van een aanleiding om af te wijken van de regel van artikel 71, eerste lid, van Verordening 1122/2009 is geen sprake en de minister was dan ook gehouden een randvoorwaardenkorting van 3% toe te passen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante ongegrond is.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E.R. Eggeraat en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.

w.g. R.R. Winter w.g. L. ten Hove