Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:233

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
17/1230
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Boete wegens overtreding 3 Wwft (cliëntenonderzoek) en

16 Wwft (meldplicht ongebruikelijke transactie). Ongebruikelijk karakter van twee leningen van € 7000,- en € 3000,- niet aangetoond. Boetehoogte.

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, artikelen 3, 11, 15, 16, 33; Uitvoeringsbesluit Wwft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2018/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1230

21801

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2018 op het hoger beroep van:

[appellant] , handelend onder de naam [appellant] , te [woonplaats] , appellant
(gemachtigde: mr. P.J.A.M. Voeten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2017, kenmerk ROT 16/2585, in het geding tussen

appellant


en

het Bureau Financieel Toezicht (BFT),

(gemachtigde: mr. E.B. Kruimel).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 29 juni 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:4911).

BFT heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018.

Appellant is in persoon verschenen. BFT heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam 1] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 21 en 26 november 2014 hebben twee toezichthouders van BFT op het kantoor van appellant een onderzoek uitgevoerd om te beoordelen of de verplichtingen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door appellant worden nageleefd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 10 maart 2015.

1.3

Bij besluit van 16 november 2015 (het primaire besluit) heeft BFT aan appellant een bestuurlijke boete (boete) opgelegd van € 7.000,- wegens overtreding van artikel 3 van de Wwft en overtredingen van artikel 16 van de Wwft. De bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen heeft BFT gebaseerd op artikel 27, eerste lid, 24 en 31van de Wwft, in samenhang met artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Wwft en artikel 1, aanhef en sub c, van het Besluit aanwijzing toezichthouders Wwft.

1.4

Bij zijn besluit van 14 maart 2016, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft BFT het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar van appellant ongegrond verklaard. BFT heeft aan de oplegging van de boete ten grondslag gelegd dat appellant artikel 3 van de Wwft heeft overtreden doordat hij in vijftien onderzochte dossiers niet beschikte over ofwel een uittreksel uit het handelsregister ofwel een kopie van het identiteitsbewijs of een vastlegging van de verificatiegegevens van zijn cliënten. In twee van de onderzochte dossiers heeft appellant volgens BFT artikel 16 van de Wwft overtreden doordat hij geen melding heeft gedaan van een ongebruikelijke transactie bij de Financiële inlichtingen eenheid.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

Appellant moet volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwft het cliëntenonderzoek zo inrichten dat hij in staat is om de cliënt te identificeren en zijn identiteit te verifiëren. In artikel 11 van de Wwft en artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Wwft is vastgelegd aan de hand van welke documenten de identiteit van cliënten moet worden geverifieerd. Hieruit volgt dat bijvoorbeeld een paspoort, een rijbewijs of een identiteitsbewijs wel kunnen worden gebruikt voor de verificatie, maar niet gegevens van de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel of de loonadministratie.

De gegevens van de documenten aan de hand waarvan appellant de identiteit van zijn cliënten heeft geverifieerd moeten op opvraagbare wijze worden vastgelegd, bijvoorbeeld door het maken van een kopie van het document of door de gegevens - aard, nummer, plaats en datum van uitgifte - te noteren en te bewaren. Uit het onderzoek is gebleken dat appellant geen kopie heeft gemaakt van de documenten aan de hand waarvan hij de identiteit van zijn cliënten heeft geverifieerd en dat hij ook niet de hiervoor genoemde gegevens van deze documenten heeft genoteerd en bewaard. BFT heeft dan ook terecht geconstateerd dat appellant artikel 3 van de Wwft heeft overtreden.

2.3

BFT heeft verder terecht geconstateerd dat appellant artikel 16 van de Wwft heeft overtreden. De rechtbank haalt de uitspraak van het College van 5 november 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:363) aan, waarin is overwogen, dat de verplichting tot het doen van een melding als bedoeld in artikel 16 van de Wwft niet slechts bestaat wanneer er concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van witwassen of het financieren van terrorisme, Dit artikel heeft een (veel) ruimere strekking: iedere ongebruikelijke transactie behoort te worden gemeld.

Uit het rapport van BFT blijkt dat in het dossier [naam 2] sprake was van twee leningen. Er was een handgeschreven leningsovereenkomst van 26 februari 2010 van een lening van € 7.000,- van een natuurlijk persoon. Volgens de leningsovereenkomst zou de lening gedurende twaalf maanden in gedeelten, zonder rente, terugbetaald worden. In de overeenkomst zijn geen zekerheden opgenomen. Verder zou er, volgens een aantekening op deze overeenkomst, ook een bedrag van € 3.000,- zijn geleend; deze lening is verder niet gedocumenteerd. De rechtbank is met BFT van oordeel dat appellant deze leningen had moeten melden toen bij het opstellen van de jaarrekening in 2011 bleek dat zij niet waren afgelost en de bedragen gewoon weer in de boeken waren teruggezet. Dat het ontbreken van een rentevergoeding volgens appellant bij een lening van familie niet ongebruikelijk is in Marokko, laat onverlet dat in Nederland bij een onderhandse lening nooit een te lage rente of geen rente kan worden afgesproken en de rente marktconform moet zijn, aldus de rechtbank.

Uit het rapport blijkt voorts dat appellant in het dossier [naam 3] in 2010 de eigenaar van de winkel heeft bijgestaan bij een boekenonderzoek door de Belastingdienst naar aanleiding van het vermoeden van fiscale fraude, namelijk dat er buitenlandse inkopen waren verricht, die niet in de boeken waren verwerkt. Dit onderzoek heeft geleid tot een winstbijtelling door de Belastingdienst over de jaren 2007 en 2008 van in totaal ruim
€ 100.000,-. De rechtbank is met BFT van oordeel dat appellant het vermoeden van fiscale fraude had moeten melden. BFT heeft er in dit verband terecht op gewezen dat fiscale fraude gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2774) als grondslag kan dienen voor het strafrechtelijk begrip ‘witwassen’ overeenkomstig artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht, aldus de rechtbank. Dat appellant na dit boekenonderzoek medio 2011 afscheid heeft genomen van deze cliënt doet aan de verplichting tot melding niet af.

2.4

De rechtbank oordeelt dat BFT bevoegd was een boete op te leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de boete niet evenredig is aan de aard en de ernst van de overtredingen of de mate van verwijtbaarheid, mede gelet op het aantal overtredingen. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellant de opgelegde boete niet kan dragen, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. Appellant is als hij zijn bedrijf uitoefent een instelling op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwft. Dit betekent dat hij in de uitoefening van zijn bedrijf verplicht is de Wwft na te leven. Dit is tussen partijen niet in geschil.


De beoordeling van de overtreding van artikel 3 van de Wwft

4.1

Appellant staat op het standpunt dat de rechtbank niet heeft kunnen oordelen dat BFT terecht heeft geconstateerd dat appellant artikel 3 van de Wwft heeft overtreden. Appellant stelt daartoe dat BFT in de bij appellant bekende rapportages niet concreet heeft aangegeven welke cliënten het betrof en wat er van deze personen niet in het dossier gevonden werd. Appellant voert daarnaast aan dat het grootste deel van de door BFT onderzochte cliënten al lang voor de inwerkingtreding van de Wwft in 2008 bij hem cliënt is geworden. Volgens appellant zou elk onjuist persoonsgegeven van deze cliënten in het kader van de belastingaangifte voor deze cliënten allang gebleken zijn en bevinden zich daartussen ook cliënten die eerst alleen box 1 inkomen hebben gehad en pas later ook box 3 vermogen hebben opgebouwd. Appellant stelt altijd alle gegevens van nieuwe cliënten te noteren en betoogt, mede onder verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), dat de Wwft niet verplicht tot het kopiëren van een identiteitsbewijs.

4.2

BFT betoogt dat de Wwft weliswaar niet voorschrijft dat een kopie moet worden gemaakt van het identiteitsbewijs, maar dat in de Wwft is opgenomen dat cliënten voorafgaand aan de dienstverlening geïdentificeerd moeten worden en dat de identiteit van cliënten moet worden geverifieerd. Ook volgt uit de Wwft dat bepaalde gegevens in ieder geval moeten worden vastgelegd. Appellant kan aan de verplichtingen voldoen door óf een kopie te maken van het identiteitsbewijs óf de gegevens van het identiteitsbewijs te noteren en toegankelijk te bewaren. BFT verwijst voor de onderbouwing in welke dossiers en op welke wijze appellante de plicht tot cliëntenonderzoek heeft overtreden naar paragraaf 4.3 van het onderzoeksrapport waaruit per beoordeeld dossier blijkt welke gegevens ontbraken. BFT benadrukt dat appellant ook al onder de Wet identificatie bij dienstverlening (Wid) tot identificatie en verificatie van cliënten en vastlegging van deze gegevens verplicht was. Nu appellant in de onderzochte dossiers niet aan deze verplichtingen had voldaan, was hij op grond van de Wwft verplicht om de identiteit van zijn cliënten te verifiëren conform artikel 3 van de Wwft voorafgaand aan (iedere) dienst die hij voor deze cliënten verleent.

4.3

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wwft verricht een instelling ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme cliëntenonderzoek. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwft stelt het cliëntenonderzoek de instelling in staat om de cliënt te identificeren en diens identiteit te verifiëren. Ingevolge het vijfde lid van artikel 3, aanhef en onder a, van de Wwft verricht een instelling het cliëntenonderzoek indien zij in of vanuit Nederland een zakelijke relatie aangaat. In artikel 11 Wwft is bepaald dat de identiteit wordt geverifieerd aan de hand van gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. In artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Wwft zijn documenten aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan artikel 11 van de Wwft. In artikel 33, eerste lid, van de Wwft is bepaald dat een instelling die op grond van deze wet een persoon heeft geïdentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd de in dat artikel bepaalde gegevens op opvraagbare wijze dient vast te leggen.

4.4

Het College stelt vast dat in paragraaf 4.3 van het onderzoekrapport door BFT per cliëntdossier is vermeld welke gegevens de toezichthouders in het dossier hebben aangetroffen en welke gegevens niet zijn aangetroffen. De stelling van appellant dat BFT niet concreet zou hebben aangegeven welke gegevens in de door BFT onderzochte cliëntdossiers ontbraken en welke dossiers dat waren, mist dan ook feitelijke grondslag.

4.5

Het College is voorts van oordeel dat het betoog van appellant dat de meeste van de door BFT onderzochte cliënten al voor de inwerkingtreding van de Wwft in 2008 bij hem cliënt zijn geworden, geen doel treft. De verplichting van artikel 3, eerste lid, van de Wwft geldt ook voor bestaande cliënten. Dit volgt uit artikel 38 van de Wwft waarin is bepaald wanneer het cliëntenonderzoek moet worden verricht ten aanzien van cliënten die reeds op grond van de Wid zijn geïdentificeerd of ten aanzien van wie geen verplichting tot identificatie op grond van die wet was vereist. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wwft is appellant derhalve ook verplicht tot het verrichten van cliëntenonderzoek zoals omschreven in het tweede lid ten aanzien van cliënten met wie appellant op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wwft al een zakelijke relatie was aangegaan en die op dat moment nog niet waren geïdentificeerd. De omstandigheid dat appellant sommige cliënten uit hoofde van zijn werkzaamheden voor hen, naar hij stelt, al jaren kent, doet niet af aan de wettelijke verplichting tot cliëntenonderzoek. De Wwft kent geen uitzondering voor een dergelijke situatie.

4.6

Gelet op het onderzoeksrapport van 10 maart 2015 is het College van oordeel dat BFT terecht heeft geconstateerd dat appellant heeft nagelaten een toereikend cliëntenonderzoek te verrichten. Uit het onderzoek dat door BFT is verricht blijkt dat in alle vijftien onderzochte dossiers op het moment van onderzoek ofwel geen uittreksel uit het handelsregister van de KvK, ofwel geen kopie van het identiteitsbewijs (of andere vastlegging van de verificatiegegevens) van de (uiteindelijk belanghebbende van de) cliënt in deze dossiers aanwezig was. Ingevolge artikel 33 van de Wwft dient een instelling die een persoon heeft geïdentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd, dit op opvraagbare wijze vast te leggen. Nu uit het onderzoek dat door BFT is verricht volgt dat appellant in de door BFT onderzochte dossiers geen kopie van het identiteitsbewijs heeft bewaard en de verificatiegegevens ten aanzien van de identiteit van de (uiteindelijk belanghebbende van de) cliënten ook niet op andere wijze heeft vastgelegd, is niet gebleken dat appellant deze personen heeft geïdentificeerd en hun identiteit heeft geverifieerd zoals vereist op grond van de Wwft. Appellant heeft de juistheid van deze bevindingen van BFT niet betwist. Dat appellant, naar hij heeft aangevoerd, voor deze cliënten al gedurende een aantal jaren de belastingaangifte verzorgde en dat daarbij onjuiste persoonsgegevens van deze cliënten allang zouden zijn gebleken, doet geen afbreuk aan de constateringen door BFT. Het verzorgen van de belastingaangifte is geen verificatie van de identiteit als bedoeld in artikel 3 en artikel 11 van de Wwft. Ingevolge artikel 11 van de Wwft dient de identiteit van de cliënt te worden geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. BFT heeft dan ook terecht vastgesteld dat appellant artikel 3 van de Wwft heeft overtreden.

4.7

Het betoog van appellant dat de Wbp tot terughoudendheid zou nopen wat betreft het maken van een kopie van iemands identiteitsbewijs baat appellant evenmin. Ingevolge artikel 8, aanhef en sub c, van de Wbp mogen persoonsgegevens worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is. Het College is met BFT van oordeel dat artikel 3 van de Wwft een dergelijke verplichting is. Daarbij bepaalt artikel 33, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wwft dat een afschrift van het document dat een persoonidentificerend nummer bevat en aan de hand waarvan de identificatie heeft plaatsgevonden, mag worden bewaard om te voldoen aan de verplichting van gegevensvastlegging als bedoeld in die bepaling.

De beoordeling van de overtreding van artikel 16 van de Wwft

5.1

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wwft meldt een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden aan de Financiële inlichtingen eenheid. Een ongebruikelijke transactie is ingevolge artikel 1, onder n, van de Wwft een transactie die op grond van de indicatoren bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wwft als ongebruikelijk is aan te merken.

5.2

Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft kunnen oordelen dat BFT terecht heeft geconstateerd dat hij artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden.

Volgens appellant was de omstandigheid dat voor de twee leningen verstrekt aan zijn cliënt in het dossier [naam 2] geen rente was afgesproken niet bijzonder, nu het leningen betrof tussen personen met een Marokkaanse achtergrond en in de familiekring. Moslims rekenen vaak geen rente, zeker niet in familie- of vriendschappelijke verhoudingen. Volgens appellant was evenmin vreemd dat voor deze leningen geen zekerheden waren bedongen, nu het om relatief lage bedragen ging. Appellant benadrukt dat de leningen van respectievelijk € 7000,- en € 3000,- onder de objectieve indicatorgrens van € 15.000,- vielen, dat de leningen in de jaarstukken van de [naam 2] waren opgenomen en schriftelijk waren vastgelegd.
Appellant betoogt voorts dat hij in het dossier [naam 3] geen Wwft-melding hoefde te doen omdat de Belastingdienst, en dus de overheid, reeds op de hoogte was van de fiscale fraude.

5.3

BFT betoogt voor het dossier [naam 2] dat op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wwft in het Uitvoeringsbesluit Wwft indicatoren zijn vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een ‘transactie’ dient te worden aangemerkt als een ‘ongebruikelijke’ transactie. In de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft is de volgende subjectieve indicator vastgesteld, te weten “een transactie waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme”. Als hulpmiddel voor het beoordelen of hiervan sprake is, is de “Specifieke leidraad naleving WWFT voor accountants, belastingadviseurs, administratiekantoren en alle overige instellingen zoals genoemd in artikel 1, lid 1, letter a, sub 11, 12, 13 en 23 WWFT” (Specifieke Leidraad) opgesteld. In bijlage 1 bij de Specifieke Leidraad wordt een aantal specifieke aandachtspunten als hulpmiddel voor de beoordeling genoemd. In de onderhavige situatie is er volgens BFT sprake van een ongebruikelijke transactie gelet op de in bijlage 1 bij de Specifieke Leidraad genoemde voorbeelden E12 en E13: “E12: Leningsovereenkomsten zonder zekerheden of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden; E13: Het ontbreken van schriftelijk vastgelegde leningsovereenkomsten”. Het aangaan van de lening van € 7000,- zonder zekerheden en zonder renteafspraken en het aangaan van een niet nader gedocumenteerde lening van € 3000,-, zijn volgens verweerder gelet op voorgaande indicatoren, ongebruikelijke transacties die appellant toen hij daarmee bekend werd onverwijld, althans bij het opstellen van de jaarrekening 2011, had moeten melden.
BFT betoogt voorts dat het feit dat de Belastingdienst in het dossier [naam 3] ook op de hoogte was van de fiscale fraude, de zelfstandige onderzoeksplicht van appellant niet wegneemt en dat appellant dus zelf een melding op grond van de Wwft had moeten doen.

5.4

Het College is van oordeel dat BFT met de verwijzing naar de aandachtspunten E12 en E13 van de Specifieke Leidraad niet heeft aangetoond dat appellant de leningen in de onderhavige situatie had moeten aanmerken als ongebruikelijke transacties. Het College overweegt daartoe dat de lening van € 7000,- schriftelijk is vastgelegd in een (door de verstrekker van de lening) opgestelde leningsovereenkomst, zodat de in de Specifieke Leidraad genoemde indicator E13 op de lening van € 7000,- niet van toepassing is. Appellant heeft voorts voor de omstandigheid dat beide leningen zonder renteafspraken zijn aangegaan een specifieke en acceptabele verklaring kunnen geven, namelijk dat het gaat om een lening tussen personen met een Marokkaanse achtergrond en in de familiekring en dat het ontbreken van een rentevergoeding in deze omstandigheden niet ongebruikelijk is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het College van oordeel dat het argument van BFT dat in Nederland bij een onderhandse lening nooit een te lage rente of geen rente kan worden afgesproken, niet steekhoudend is. Dat de Belastingdienst uit een fiscaal oogpunt bepaalde consequenties kan verbinden aan een renteloze onderhandse lening, doet er niet aan af dat het, onder andere in de familiekring, geenszins ongebruikelijk is om een lening aan te gaan met de afspraak dat hiervoor geen rente is verschuldigd. Ook de omstandigheid dat voor deze leningen kennelijk geen zekerheden waren bedongen acht het College, gelet op de hoogte van de door de [naam 2] geleende bedragen van respectievelijk € 7000,- en € 3000,- niet dusdanig bijzonder dat daarmee het ongebruikelijke karakter van de leningen zou zijn aangetoond.

Gelet op het voorgaande leveren de volgens BFT aan de orde zijnde twee aandachtspunten uit de Specifieke Leidraad onvoldoende grond voor de conclusie dat er aanleiding was om te veronderstellen dat deze transacties verband kunnen houden met witwassen of financieren van terrorisme. Dat de leningen, naar BFT onbetwist heeft gesteld, (nog) waren opgenomen in de jaarrekening 2011 (en 2012) en dat de lening van € 7000,- kennelijk niet, zoals afgesproken, binnen een jaar na 26 februari 2010 (de datum van de leningsovereenkomst) was afgelost, maakt dat niet anders. Niet in geschil is overigens dat de leningen daarna wel zijn afgelost. Ook de omstandigheid dat de leningen mogelijk langer uitstonden dan oorspronkelijk overeengekomen acht het College onvoldoende voor de conclusie dat daarmee sprake is van ongebruikelijke transacties die appellant op dat moment had moeten melden.

5.5

Het College overweegt voorts dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden door het vermoeden van fiscale fraude door zijn cliënt in het dossier [naam 3] niet te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid. Het College onderschrijft de desbetreffende overwegingen van de rechtbank en voegt daaraan toe dat, anders dan appellant heeft aangevoerd, ook de omstandigheid dat een andere overheidsinstantie – de Belastingdienst – op de hoogte was van de fiscale fraude niet afdoet aan de verplichting om de transactie op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wwft aan de Financiële inlichtingen eenheid, te melden.

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond is voor zover daarin is geoordeeld dat appellant artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden met het niet melden van ongebruikelijke transacties in het cliëntdossier [naam 2] .

De hoogte van de boete

7.1

Appellant betoogt dat de ernst en duur van zijn overtredingen, voor zover daarvan sprake is, een boete van nihil rechtvaardigen.

7.2

BFT heeft toegelicht dat gelet op de aard, het aantal en de zwaarte van de door BFT geconstateerde overtredingen, de boete is beperkt tot 3% van de jaaromzet van appellant en dat daarbij is gehandeld conform de destijds gehanteerde interne gedragslijn van BFT.

7.3

BFT heeft, zoals hiervoor overwogen ten onrechte een overtreding van artikel 16, eerste lid, van de Wwft in het cliëntdossier [naam 2] mede ten grondslag gelegd aan de boete. Hierin ziet het College aanleiding om de opgelegde boete te matigen. Het College acht, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, in dit geval een boete van € 4.500,- passend en geboden. Voor een verdere matiging ziet het College geen plaats.

Conclusie

8. Het hoger beroep slaagt voor zover is geoordeeld dat appellant artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden door de leningen in het cliëntdossier [naam 2] niet aan de Financiële inlichtingen eenheid te melden en voor zover het de hoogte van de boete betreft. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep tegen het besluit van 14 maart 2016 alsnog gegrond verklaren voor zover het de overtreding van artikel 16 van de Wwft in het dossier [naam 2] en de hoogte van de boete betreft, het bestreden besluit op deze punten vernietigen en het primaire besluit in zoverre herroepen.

Verzoek om schadevergoeding

9.1

Appellant heeft in hoger beroep verzocht BFT op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de schade die appellant lijdt als gevolg van de onrechtmatige besluiten. Appellant stelt schade te hebben geleden bestaande uit omzetverlies door de uren die hij heeft gederfd vanwege het bijwonen van het onderzoek van BFT en het voeren van correspondentie en de bezwaar- en de beroepsprocedure. De omvang van deze schade wordt door appellant begroot op € 2.500,-. Hij stelt in totaal 25 uren vanaf 21 november 2014 te hebben besteed en gaat uit van zijn uurtarief van € 100,- exclusief btw.

9.2

Het College merkt het verzoek van appellant, gedaan in zijn brief van 13 september 2017, aan als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:91 van de Awb, nu hij hierin verzoekt om vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatige besluiten en dit verzoek is gedaan hangende het hoger beroep tegen de gestelde schadeveroorzakende besluiten. Ingevolge artikel 8:88, in samenhang met artikel 8:91 van de Awb is het College bevoegd te beslissen over dit verzoekschrift.

9.3

Het College is van oordeel dat de door appellant gestelde schade in de vorm van omzetderving als gevolg van zijn aanwezigheid bij het onderzoek door BFT en het voeren van correspondentie niet in zodanig verband staat met de (gedeeltelijke) onrechtmatige besluitvorming dat deze als een gevolg van dat besluit aan BFT kan worden toegerekend. Voor zover er sprake zou zijn van omzetderving of gemaakte kosten, dan zijn die het gevolg van het (aan het boetebesluit voorafgaande) toezichtonderzoek door BFT, wat valt binnen de normale bedrijfsuitoefening van een administratie- en belastingadvieskantoor.

9.4

Met betrekking tot de schade die appellant stelt te hebben geleden bestaande uit omzetverlies door de uren die appellant heeft moeten besteden aan de bezwaar- en de beroepsprocedure, overweegt het College als volgt. Volgens vaste jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2015:4828 en ECLI:NL:RVS:2015:3518) kan de vergoeding van de kosten in de bezwaar- en beroepsprocedure slechts met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) plaatsvinden. In artikel 1 van het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de kosten wordt forfaitair vastgesteld op grond van artikel 2 van het Bpb en de bijlage van het Bpb. Gelet op dit limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, is voor een (volledige) vergoeding van proceskosten langs de weg van artikel 8:88 van de Awb geen plaats.

9.6

Het op artikel 8:88 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient gelet op het voorgaande te worden afgewezen.

Proceskosten en griffierecht

10.1

Het College veroordeelt BFT op grond van artikel 8:75 van de Awb in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Bpb vast op 1053,20. Het gaat hierbij om de door een derde in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 501 (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift met een waarde per punt van € 501 en wegingsfactor 1), verletkosten van € 492,- en reiskosten van € 60,20. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Bpb kan een veroordeling in de proceskosten betrekking hebben op verletkosten van een partij. Verletkosten zien op tijdverzuim voor het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Overig tijdverzuim zoals het opstellen van processtukken en het voorbereiden van de zitting vallen hier niet onder. De verletkosten van appellant zijn begroot op het tijdverzuim voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank op 30 mei 2017, zijnde 3 uur en het bijwonen van de zitting in hoger beroep op 13 februari 2018, zijnde 3 uur, zijnde zes maal € 82 (maximum tarief), in totaal € 492,-. De reiskosten van appellant zijn op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bpb vastgesteld op € 60,20 voor reiskosten per openbaar vervoer (€ 30,80 voor een treinretour Amsterdam Rotterdam en € 23,40 voor een treinretour Amsterdam Den Haag).

10.2.

Tevens dient het griffierecht in beroep (€ 334,-) en in hoger beroep (€ 250,-) aan appellant te worden vergoed.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het de overtreding met betrekking tot de leningen in het cliëntdossier [naam 2] betreft en voor zover het de hoogte van de boete betreft;

  • -

    herroept het primaire besluit in zoverre en bepaalt de hoogte van de boete op € 4.500,- ;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

  • -

    draagt BFT op het betaalde griffierecht van € 584,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt BFT in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1053,20.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. M.M. Smorenburg en
mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018.

w.g. W.E. Doolaard w.g. A. Graefe