Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:226

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
17/256
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Ambtshalve besluit Kamer van Koolphandel tot uitschrijven appellant als bestuurder. Onvoldoende duidelijkheid omtrent juistheid van uitschrijfdatum

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Tussenuitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/256

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vereniging] (hierna: de Vereniging) te ’ [plaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft verweerster besloten tot het inschrijven van de opgave tot uittreding van appellant als bestuurder van de Vereniging in het handelsregister per
4 mei 2016.

Bij besluit van 25 november 2016 heeft verweerster het hiertegen gemaakte bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit van 9 mei 2016 herroepen. Verweerster heeft daarnaast bij besluit van 25 november 2016 (het primaire besluit) ambtshalve besloten om appellant uit te schrijven als bestuurder van de Vereniging per 16 mei 2016.

Bij besluit van 3 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018.

Appellant is verschenen. Verweerster is met bericht van verhindering niet verschenen. De Vereniging heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 6 mei 2016 is door de heer [naam 2] opgaaf aan het handelsregister gedaan

dat appellant met ingang van 4 mei 2016 is uitgetreden als bestuurder van de Vereniging.

1.2

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft verweerster besloten tot inschrijving van het

uittreden van appellant als bestuurder van de Vereniging met ingang van 4 mei 2016.

1.3

Bij besluit van 25 november 2016 heeft verweerster het hiertegen gemaakte

bezwaar van appellant gegrond verklaard en daarbij het besluit van 9 mei 2016 herroepen. Verweerster heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de opgave is gedaan door een daartoe onbevoegd persoon.

1.4

Verweerster heeft tegelijk met het besluit van 25 november 2016 ambtshalve onder

meer besloten om appellant uit te schrijven als bestuurder per 16 mei 2016. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daaraan heeft verweerster ten grondslag gelegd dat appellant door het bestuur van de Vereniging is ontzet uit het lidmaatschap van de Vereniging per 16 mei 2016 en daarmee, gelet op de statuten van de Vereniging, ook is gedefungeerd als bestuurder van de Vereniging.

Verzoek vrijstelling griffierecht

3. Appellant heeft een verzoek om vrijstelling van het betalen van griffierecht ingediend. Zoals het College heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 23 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:104), kan heffing van het griffierecht bij onvoldoende financiële draagkracht de toegang tot de rechter belemmeren. In een dergelijke situatie kan vrijstelling van het griffierecht worden verleend. Op basis van de door appellant ingediende gegevens voldeed hij in de periode waarin griffierecht was verschuldigd aan de voorwaarden voor vrijstelling van de betaling hiervan zoals genoemd in de hiervoor genoemde uitspraak van
23 maart 2017. Aan hem wordt daarom vrijstelling van de betaling van het griffierecht verleend.

Reikwijdte beroep

4.1

Appellant voert aan dat het horen als bedoeld in artikel 7:2 Awb ten onrechte heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Vereniging.

4.2

Verweerster stelt dat dit deel van het beroep is gericht tegen de beslissing op bezwaar van 25 november 2016 en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.3

Het College stelt vast dat ten behoeve van de bezwaarprocedure omtrent het primaire besluit op 3 februari 2017 een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden. Bij deze hoorzitting waren geen vertegenwoordigers van de Vereniging aanwezig.

4.4

Het College begrijpt het betoog van appellant dan ook aldus dat hij thans beoogt de gang van zaken omtrent de hoorzitting van 24 november 2016 aan de orde te stellen. Deze hoorzitting is echter gehouden ten behoeve van de bezwaarprocedure naar aanleiding van het besluit van verweerster van 9 mei 2016, die heeft geleid tot de beslissing op bezwaar van
25 november 2016. Appellant heeft tegen deze beslissing op bezwaar geen beroep ingesteld, zodat deze beslissing in rechte is komen vast te staan. Het College ziet geen aanleiding om het beroepschrift van 12 april 2017 aan te merken als mede te zijn gericht tegen vorengenoemde beslissing op bezwaar van 25 november 2016, zoals verweerster kennelijk veronderstelt. Het inleidend beroepschrift van 24 februari 2017, noch het aanvullend beroepschrift van
12 april 2017 bieden daarvoor voldoende aanknopingspunten, nu daarin uitdrukkelijk meerdere keren is gesteld dat het is gericht tegen het bestreden besluit, onder vermelding van het door verweerster gebruikte kenmerk. De beslissing op bezwaar van 25 november 2016 ligt in deze beroepsprocedure dan ook niet ter toetsing voor. Dit betekent dat de gang van zaken rond de hoorzitting van 24 november 2016 hier niet aan de orde kan komen.

Inhoudelijke beoordeling

5. Ter beoordeling van het College is of verweerster met het primaire besluit op goede gronden ambtshalve heeft besloten om appellant uit te schrijven als bestuurder van de Vereniging per 16 mei 2016.

5.1

Appellant betoogt dat verweerster nader onderzoek had moeten doen alvorens over te gaan tot een wijziging van zijn inschrijving als bestuurder van de Vereniging. Hij voert daartoe samengevat weergegeven aan dat verweerster had moeten onderzoeken of appellant niet eerder van rechtswege is gedefungeerd, gezien het eveneens op 25 november 2016 genomen ambtshalve besluit van verweerster omtrent de uitschrijving van de heer
[naam 2] als bestuurder van de Vereniging.

5.2

Verweerster stelt zich op het standpunt dat voldoende duidelijk is dat het bestuur van de Vereniging appellant op 16 mei 2016 heeft ontzet uit het lidmaatschap van de Vereniging. Uit de statuten van de Vereniging blijkt dat appellant daarmee van rechtswege is teruggetreden als bestuurder per datum einde lidmaatschap, aldus verweerster.

6. De Handelsregisterwet 2007 (Hrw) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Artikel 34

(…)

2. Indien een gegeven in onderzoek is, beslist de Kamer over de wijziging van dit gegeven.

(…)

Artikel 35

De beslissing, bedoeld in artikel 34, tweede lid, geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 36

1. Indien tegen een beslissing, bedoeld in artikel 34, eerste en tweede lid, bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, tekent, voor zover dit nog niet het geval is, de Kamer in het handelsregister aan dat een gegeven in onderzoek is.

2. Nadat op het bezwaar of beroep onherroepelijk is beslist, schrijft de Kamer indien nodig een wijziging in het handelsregister in en verwijdert de Kamer de aantekening dat een gegeven in onderzoek is.

(…)

Artikel 38

1. Indien de Kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van authentieke gegevens, zijn de artikelen 33 tot en met 36 van overeenkomstige toepassing.

(…)”

6.1

De statuten van de Vereniging luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 12

1. Het lidmaatschap eindigt;

a. door de dood van het lid;

b. door opzegging door het lid;

c. door opzegging door de vereniging;

d. door ontzetting

e. door het niet langer wonen of werken in het werkgebied van de vereniging;

f. door onder curatele stelling van het lid;

(…)

4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of wanneer het lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

De ontzetting geschiedt door het bestuur, dat het betrokken lid ten spoedigste van het besluit, ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de geschillencommissie. De betrokkene is bevoegd binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de geschillencommissie.

Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. De algemene ledenvergadering kan slechts tot ontzetting besluiten door een daartoe strekkend besluit, genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen.

Artikel 16

Bestuursleden treden uiterlijk drie jaar na benoeming af volgens een door het bestuur op te stellen rooster. Voorzitter, secretaris en penningmeester treden niet gelijktijdig af. De leden van het bestuur zijn terstond herkiesbaar, mits zij nog geen vier zittingsperiodes aansluitend hebben volgemaakt. Indien een lid vier zittingsperiodes heeft volgemaakt is hij opnieuw herkiesbaar minimaal één jaar na aftreden.

Artikel 17

Het bestuurslidmaatschap eindigt:

a. door ontslag door de ledenvergadering;

b. door einde van het lidmaatschap van de vereniging;

c. door het verstrijken van de zittingsperiode;

d. door ontslagneming door het bestuurslid zelf; als het bestuurslid ontslag neemt, moet hij een opzegtermijn van tenminste één maand in acht nemen;

e. door aanvaarding van een functie die volgens de statuten of de mening van de ledenvergadering onverenigbaar is met de bestuursfunctie.”

7.1

Verweerster heeft met het ambtshalve genomen primaire besluit toepassing gegeven aan artikel 38, eerste lid, in samenhang met de artikelen 33 tot en met 36 van de Hrw. In deze bepalingen is voorzien in een procedure volgens welke verweerster, indien zij gerede twijfel heeft over de juistheid van authentieke gegevens, uit eigen beweging in het handelsregister opgenomen gegevens in onderzoek kan nemen en deze eventueel kan wijzigen. Zoals het College in zijn uitspraak van 27 december 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:409) heeft overwogen vormt gerede twijfel aan de juistheid van in het handelsregister opgenomen gegevens voldoende aanleiding om gegevens met overeenkomstige toepassing van de artikelen 33 tot en met 36 van de Hrw 2007 in onderzoek te nemen, doch dient, nadat dit onderzoek is afgerond, gelet op de omstandigheden van het geval, voldoende duidelijkheid omtrent de onjuistheid van deze gegevens te bestaan, voordat tot wijziging of doorhaling ervan kan worden overgegaan.

7.2

Uit de stukken blijkt dat het bestuur van de Vereniging op 16 mei 2016 aan appellant heeft bericht dat hij op grond van artikel 12, vierde lid, van de Statuten is ontzet uit het lidmaatschap van de Vereniging. Uit artikel 17, onder b, van de statuten volgt dat het bestuurslidmaatschap eindigt door het einde van het lidmaatschap van de vereniging. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat niet kan worden uitgegaan van het einde van zijn lidmaatschap van de vereniging per 16 mei 2016. Door appellant zijn geen bewijsstukken ingediend, bijvoorbeeld een door hem bij de geschillencommissie ingediend beroepschrift tegen zijn ontzetting, waaruit zou moeten blijken dat de ontzetting niet per 16 mei 2016 heeft plaatsgevonden.

7.3

Het College is evenwel van oordeel dat verweerster onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onvoldoende heeft gemotiveerd dat voldoende duidelijkheid bestaat omtrent het uitschrijven van appellant als bestuurder van de Vereniging per 16 mei 2016. Hiertoe wordt overwogen dat uit de stukken niet is gebleken dat verweerster heeft onderzocht of appellant reeds eerder van rechtswege is gedefungeerd als bedoeld in artikel 17, aanhef en onder c, in samenhang bezien met artikel 16, van de statuten. Het College betrekt daarbij dat verweerster bij ambtshalve besluit van 25 november 2016 ten aanzien van de heer [naam 2] heeft vastgesteld dat deze van rechtswege is gedefungeerd, gelet op voornoemde bepalingen in de statuten. Appellant stelt tegelijk met de heer [naam 2] als bestuurder te zijn benoemd. Hoewel appellant hier in zijn bezwaarschrift, tijdens de hoorzitting van 3 februari 2017 en in het beroepschrift op heeft gewezen, is niet gebleken dat verweerster dit heeft betrokken bij het bestreden besluit en evenmin is verweerster hierop ingegaan in het verweerschrift.

7.4

Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van het College onvoldoende duidelijkheid omtrent de juistheid van de ingangsdatum van 16 mei 2016 van de uitschrijving van appellant als bestuurder van de Vereniging. Het bestreden besluit is daarom niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste zorgvuldigheid genomen en mist tevens een deugdelijke motivering, zoals vereist ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en het bestreden besluit zal in de einduitspraak worden vernietigd. Het College ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding verweerster op de voet van artikel 8:51a van de Awb op te dragen voornoemd gebreken in het bestreden besluit te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal daartoe een termijn stellen.

Overig

8. Ofschoon appellant nog ingaat op de “definitie van de functie penningmeester” en daarbij verschillende interpretaties bespreekt, ligt dit onderwerp in het kader van de beoordeling van het uitschrijven van appellant als bestuurder van de Vereniging niet ter toetsing voor. Hetgeen appellant met betrekking tot dit onderwerp heeft gesteld, kan dan ook de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantasten en zal buiten beschouwing worden gelaten.

Conclusie

9. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en het bestreden besluit zal in de einduitspraak worden vernietigd. Het College ziet evenwel in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding verweerster op de voet van artikel 8:51a van de Awb op te dragen voornoemd gebrek in het bestreden besluit te herstellen, dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College bepaalt de termijn hiervoor op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Het College zal vervolgens appellante in de gelegenheid stellen om binnen vier weken schriftelijk haar zienswijze te geven over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

10. Het College houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat over de proceskosten en het griffierecht in de einduitspraak zal worden beslist.

Beslissing

Het College:

- draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze

tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen, dan wel een ander besluit in de plaats te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. Verhoeven