Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:216

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
17/33
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen verzamelaanvraag gedaan; wel verzoek om uitbetaling SNL-subsidie; geen kennelijke fout beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/33

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaak tussen

Maatschap [appellante] , te [woonplaats] , appellante

(gemachtigde: mr. ir. J.M.M. Kroon),

en

de minister voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. P. van Helvoort-Noorloos en mr. N.M. Brok).

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. Namens appellante is verschenen [naam] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting gaat het College van de volgende feiten uit.

1.2

Voor een weergave van het wettelijk regime voor het toewijzen van steun aan landbouwers verwijst het College naar de overwegingen 1.1 tot en met 1.6 van zijn uitspraak van 6 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:68).

1.3

Appellante heeft op 10 juni 2015 een Gecombineerde opgave 2015 bij verweerder ingediend. Het formulier voor die opgave bevat een rubriek “Regelingen”, waarbij als toelichting wordt gegeven: “Geef hieronder aan voor welke regelingen u in 2015 in aanmerking wilt komen, of waarvoor u uitbetaling wilt aanvragen”. De rubriek bestaat uit twee onderdelen: betalingsrechten en overige regelingen. Als toelichting op het onderdeel betalingsrechten wordt gegeven: “Wilt u in aanmerking komen voor toekenning van betalingsrechten? Geef dat hieronder aan, u kunt één van de drie mogelijkheden kiezen”. Vervolgens worden drie mogelijkheden genoemd: betalingsrechten aanvragen, betalingsrechten aanvragen en een beroep doen op de Nationale reserve voor starters en betalingsrechten aanvragen en een beroep doen op de Nationale reserve voor jonge landbouwers. Achter elk van die mogelijkheden staan de vakjes “Ja” en “Nee”. Appellante heeft bij al die vakjes “Nee” aangekruist.
Bij het onderdeel overige regelingen heeft zij bij “Uitbetaling Subsidie natuur- en landschapsbeheer, onderdeel agrarisch natuur- en landbouwbeheer (SNL-a)” het vakje “Ja” aangekruist.

1.4

Op 5 juli 2016 heeft appellante verweerder verzocht om ambtshalve herziening van de vaststelling van betalingsrechten alsmede om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling over 2015. Daarbij heeft appellante aangegeven dat de aanvraag, zoals door haar op 10 juni 2015 is ingediend, geen goede weergave is van hetgeen zij beoogde aan te vragen. Appellante wijst daartoe op het feit dat in het Overzicht ingevulde gegevens Gecombineerde opgave 2015: Regelingen grondgebonden bij alle gewaspercelen de kolom “Opgegeven oppervlakte” is ingevuld en dat zij per abuis in de Gecombineerde opgave 2015 in de rubriek “Regelingen” de vragen over betalingsrechten met “Nee” heeft beantwoord. Er is volgens appellante overduidelijk sprake van een kennelijke fout in de aanvraag. Het is volstrekt onlogisch dat zij geen betalingsrechten wil ontvangen, omdat zij over voldoende subsidiabele landbouwgrond (28,66 ha) beschikt, aldus appellante.

2 Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van appellante van 5 juli 2016 opgevat als een verzoek om wijziging van de Gecombineerde opgave 2015, in die zin dat zij alsnog een aanvraag voor toewijzing en uitbetaling van betalingsrechten wil indienen. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag na 10 juli 2015 is ontvangen en daarom te laat is ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar, waarin appellante heeft aangegeven dat sprake is van een kennelijke fout, ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3 Appellante voert in beroep – kort samengevat – aan dat het niet is vereist om het verzoek om uitbetaling van de betalingsrechten aan te vinken in de Gecombineerde opgave. Volgens appellante is het formulier bij die opgave niet duidelijk, nu in het onder 1.4 bedoelde overzicht onder het kopje “Betalingsrechten” niet wordt aangegeven of hiermee betalingsrechten worden aangevraagd of ter uitbetaling worden geactiveerd. De (voorbedrukte) oppervlakten van de percelen wekt volgens appellante de indruk dat juist wel betalingsrechten zijn aangevraagd. Door deze onduidelijkheid en de slechte controleerbaarheid van de verzamelaanvraag van de Gecombineerde opgave 2015, is zij de uitbetaling van betalingsrechten misgelopen. De onduidelijkheid in de verzamelaanvraag is door verweerder ten onrechte niet aangemerkt als een kennelijke fout, aldus appellante.

4.1

Vaststaat dat appellante in haar op 10 juni 2015 ingediende Gecombineerde opgave 2015 in de daartoe bestemde rubriek expliciet heeft ingevuld geen aanvraag te doen voor toewijzing van betalingsrechten door bij de drie genoemde mogelijkheden betalingsrechten aanvragen, betalingsrechten aanvragen en een beroep doen op de Nationale reserve voor starters en betalingsrechten aanvragen en een beroep doen op de Nationale reserve voor jonge landbouwers het vakje “Nee” aan te kruisen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante met de door haar op 10 juni 2015 ingediende Gecombineerde opgave 2015 geen verzamelaanvraag heeft ingediend waarbij zij om toewijzing van betalingsrechten of uitbetaling hiervan heeft gevraagd (zie de uitspraak van het College van 6 maart 2017, hiervoor aangehaald).

4.2

Het beroep van appellante op het bestaan van een kennelijke fout in de door haar op 10 juni 2015 ingediende Gecombineerde opgave 2015 – in die zin dat het duidelijk moet zijn geweest dat wel beoogd is om betalingsrechten en uitbetaling hiervan aan te vragen –

ziet eraan voorbij dat de vraag of sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 4 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014), gelet op de bewoordingen van dat artikel, eerst aan de orde is als een steunaanvraag is ingediend. Nu met de op 10 juni 2015 ingediende Gecombineerde opgave geen verzamelaanvraag en dus geen steunaanvraag is gedaan, is voor de beoordeling of sprake is van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 4 van Verordening 809/2014 in die Gecombineerde opgave 2015 geen plaats (zie de uitspraak van het College van 6 maart 2017, hiervoor aangehaald).

4.3

Wat betreft de door appellante bij brief van 5 juli 2016 gedane wijziging van de Gecombineerde opgave 2015, waarmee zij alsnog te kennen heeft gegeven in aanmerking te willen komen voor toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling, staat vast dat deze aanvraag na de uiterste datum (15 juni 2015) is ingediend en dat ook de termijn van 25 kalenderdagen is overschreden (10 juli 2015). Verweerder was dus gehouden de aanvraag om toewijzing en uitbetaling van betalingsrechten en vergroeningsbetaling van appellante af te wijzen.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.E.C.M. van Roosmalen