Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:214

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
16/1296
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

betalingsrechten; termijnkortingen: verlopen SIM-kaart reden niet tijdig inloggen via e-herkenning; beroep op overmacht slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1296

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaak tussen

[appellant] , te [woonplaats] , appellant

(gemachtigde: [naam] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Helvoort-Noorloos en mr. N.M. Brok).

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 8 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellant heeft op 23 april 2015 een Gecombineerde opgave 2015 bij verweerder ingediend. Het formulier voor die opgave bevat een rubriek “Regelingen”, waarbij als toelichting wordt gegeven: “Geef hieronder aan voor welke regelingen u in 2015 in aanmerking wilt komen, of waarvoor u uitbetaling wilt aanvragen”. Bij het onderdeel betalingsrechten wordt als toelichting gegeven: “Wilt u in aanmerking komen voor toekenning van betalingsrechten? Geef dat hieronder aan, u kunt één van de drie mogelijkheden kiezen”. Vervolgens worden drie mogelijkheden genoemd: betalingsrechten aanvragen, aanvraag betalingsrechten uit de Nationale reserve voor starters en aanvraag betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers. Achter elk van die mogelijkheden staan de vakjes “Ja” en “Nee”. Appellant heeft bij al die vakjes “Nee” aangekruist.

1.2

Op 23 juni 2015 heeft appellant opnieuw een Gecombineerde opgave 2015 bij verweerder ingediend. Daarin heeft hij van de drie mogelijkheden onder het kopje “Regelingen” gekozen voor betalingsrechten aanvragen door daarachter het vakje “Ja” aan te kruisen. Tevens heeft hij “Ja” aangekruist bij het onderdeel “Aanvraag uitbetaling Betalingsrechten en Vergroeningsbetaling”.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het uit te betalen bedrag van de basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op € 3.341,60. Daarbij heeft verweerder een termijnkorting van € 249,43 (wegens ontvangst aanvraag uitbetaling na 15 juni 2015) en een termijnkorting van € 522,14 (wegens ontvangst aanvraag toewijzing betalingsrechten na 15 juni 2015 (korting basisbetaling)) toegepast.

2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat appellant tot uiterlijk 15 juni 2015 een Gecombineerde opgave 2015 kon indienen en in het onderdeel verzamelaanvraag kon aangeven dat hij aanspraak wilde maken op toewijzing van betalingsrechten en op rechtstreekse betalingen. Vanaf 16 juni 2015 geldt een kortingsperiode tot en met 10 juli 2015. Bij ontvangst van de verzamelaanvraag in deze kortingsperiode wordt een korting van 1% per werkdag toegepast op de rechtstreekse betalingen waarop appellant voor 2015 recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. In het geval van appellant is daarom een kortingsbedrag vastgesteld van € 249,43 op de basis- en vergroeningsbetaling. Op de basisbetaling wordt daarnaast nog een korting van 3% per werkdag toegepast door een late aanvraag voor de toewijzing van betalingsrechten. Het kortingsbedrag hiervoor is voor appellant vastgesteld op € 522,14.
Verweerder heeft het bezwaar van appellant, dat het vanwege externe problemen bij het inloggen middels e-herkenning bij Qua Vadis niet mogelijk was om de (gewijzigde) Gecombineerde opgave 2015 vóór de aanvang van de kortingsperiode in te dienen, aangemerkt als een beroep op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Dit beroep kan volgens verweerder niet slagen. Appellant heeft allereerst niet voldaan aan de in artikel 4, tweede lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) neergelegde eis dat een beroep op overmacht binnen vijftien werkdagen na de dag vanaf welke dit voor de landbouwer mogelijk is, schriftelijk moet worden gemeld. Voorts is evenmin sprake van abnormale en onvoorziene omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening 1306/2013, aldus verweerder.

3 Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) via de mail en in telefoongesprekken op de hoogte heeft gebracht van de problemen die hij heeft ondervonden bij het inloggen met e-herkenning. Tijdens deze telefoongesprekken is door medewerkers van het RVO er niet op gewezen dat hij schriftelijk melding moest maken van deze overmachtssituatie, zodat deze eis niet aan hem kan worden tegengeworpen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de in artikel 2, tweede lid van Verordening 1306/2013 genoemde gevallen van overmacht niet limitatief zijn en dat zijn inlogproblemen met e-herkenning (ook) als een geval van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangemerkt.

4.1

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht termijnkortingen heeft toegepast, omdat de (gewijzigde) Gecombineerde opgave 2015 te laat is ingediend en geen sprake is van overmacht.

4.2

Het beroep van appellant op overmacht en uitzonderlijke omstandigheden slaagt niet. Verweerder heeft in dit verband terecht gewezen op de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00, ECLI:EU:C:2002:440, punt 79), waarin het begrip overmacht inzake landbouwverordeningen aldus wordt uitgelegd, dat het inhoudt dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft verweerder terecht geen aanknopingspunt aanwezig geacht voor de conclusie dat sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Artikel 2, tweede lid, van de Verordening 1306/2013 bevat – inderdaad – geen limitatieve opsomming van de gevallen die als overmacht en uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Verweerder heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat het (laten) verlopen van de SIM-kaart van zijn mobiele telefoon, waardoor appellant niet via e-herkenning bij Qua Vadis kon inloggen – om vóór de aanvang van de onder 2 genoemde kortingsperiode een nieuwe, gewijzigde Gecombineerde opgave in te dienen –, niet als overmacht en uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangemerkt. Gelet hierop, kan, zoals verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven, in het midden worden gelaten of appellant al dan niet tijdig schriftelijk heeft gemeld dat sprake is van overmacht.

4.3

Voor zover appellant heeft betoogd dat verweerder hem eerder in de gelegenheid had moeten stellen om de Gecombineerde opgave aan te passen, miskent dit dat het de verantwoordelijkheid is van de aanvrager om de Gecombineerde opgave op juiste wijze in te vullen. Verweerder is niet verplicht om appellant erop te wijzen dat hij niet kenbaar heeft gemaakt dat hij in aanmerking wil komen voor toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling hiervan.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.E.C.M. van Roosmalen