Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:210

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
17/1027
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenikorting

niet emissiearm verwerken van mest

art. 5 Besluit gebruik meststoffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/148 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JM 2018/116 met annotatie van C. Korkmaz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1027

5101

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting van 20% vastgesteld op de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 19 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J. Peters. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft voor 2016 rechtstreekse betalingen aangevraagd.

1.2

Op 26 april 2016 heeft een controle door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) plaatsgevonden op een perceel dat in gebruik is bij het bedrijf van appellante. Hiervan zijn een proces-verbaal, gedateerd 23 mei 2016, en een inspectieverslag, gedateerd 25 mei 2016, opgesteld. In het inspectieverslag wordt vermeld dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat op een perceel niet beteeld bouwland van appellante dierlijke mest was uitgereden met een sleepslangmachine met een zodenbemester, waarbij de schijven lang niet overal in de grond sneden doordat de grond niet vlak was. Daardoor ontstonden op grote delen van het perceel plassen mest. Het betrof een perceel maïsstoppelland van ongeveer 6 hectare dat werd bemest met varkensdrijfmest.

1.3

[naam 2] heeft namens appellante tegenover de toezichthouder verklaard, voor zover hier van belang:

“(…) Mijn medewerker [naam 3] heeft de afspraken gemaakt met loonwerker [naam 4] , die de mest op ons land bij [plaats 2] heeft uitgereden met de sleepslangmachine. Welke afspraken hierbij zijn gemaakt weet ik zo niet. Ik stel voor dat u dat met hem bespreekt (…)”

1.4

[naam 3] heeft tegenover de toezichthouder het volgende verklaard:

“Ik ben in loondienst bij de Maatschap [naam 1] te [plaats 1] . In die hoedanigheid heb ik contact gehad met Loonwerker [naam 4] uit [plaats 2] over het bemesten van percelen land van de Maatschap [naam 1] , welke percelen bij [plaats 2] liggen. Hier in de polder bemesten we het bouwland altijd met de sleepslangmachine omdat je daarmee de grond minder verdicht door insporing. Dit gaat altijd goed. Ik heb [naam 4] dan ook gevraagd bij het bemesten gebruik te maken van de sleepslangmachine. Het kan zijn dat [naam 4] hierbij heeft aangegeven dat ze daar altijd met de bouwlandbemester injecteren maar dat weet ik niet zeker meer, ik spreek zoveel mensen. We hebben het samen zo besproken en dat het resultaat nu niet goed is, kan zijn. Het is in ieder geval niet kwaadwillend gebeurd.”

2. Op grond van het proces-verbaal en het inspectieverslag heeft verweerder bij het primaire besluit aan appellante een randvoorwaardenkorting opgelegd van 20% op de rechtstreekse betalingen in verband met de niet-naleving van de in artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) opgenomen verplichting om dierlijke mest emissiearm aan te wenden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en de bij het primaire besluit opgelegde randvoorwaardenkorting gehandhaafd.

3. Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II bij Verordening 1306/2013 verwijst naar de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen. Deze beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.8, bij de Uitvoeringsregeling, waarin wordt verwezen naar artikel 5 van het Bgm.

4. Niet in geschil is dat de loonwerker de dierlijke mest in strijd met artikel 5 van het Bgm niet emissiearm heeft aangewend en dat daarom sprake is van niet-naleving van deze bepaling. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht de hoogte van de randvoorwaardenkorting heeft vastgesteld op 20% van de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen.

5. Appellante betwist de korting van 20% omdat, zo stelt zij, de bewuste nalatigheid, althans het verwijtbaar optreden van de loonwerker, niet als een opzettelijke niet-naleving aan haar kan worden toegerekend. Appellante stelt dat het betrokken perceel op 80 kilometer van de vestigingsplaats van appellante is gelegen. Zij stelt alles te hebben gedaan om de randvoorwaarden na te komen. Uit het dossier blijkt volgens appellante dat een loonwerker is ingeschakeld die goed bekend stond en dat appellante duidelijke afspraken heeft gemaakt met de loonwerker (over bijvoorbeeld het gebruik van een sleepslangmachine). De mest is vlak na het bemesten ondergewerkt. Appellante wijst ook op het feit dat de NVWA te kennen heeft gegeven dat de niet-naleving appellante niet te verwijten valt en dat de toezichthouder van de NVWA zijn proces-verbaal heeft ingetrokken. Voorts beroept appellante zich op strijd met het evenredigheidsbeginsel.

6. Verweerder heeft de niet-naleving aan appellante toegerekend omdat appellante voor het uitrijden van de dierlijke meststoffen heeft gekozen voor iemand die niet ervoor heeft gezorgd dat dit emissiearm gebeurde. Ook heeft appellante niet door middel van instructies en toezicht gewaarborgd dat het uitrijden emissiearm overeenkomstig de regels plaatsvond. Appellante heeft het risico van een niet-naleving daarom op de koop toegenomen, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Verweerder heeft verder uiteengezet dat de NVWA een controlerende functie heeft en niet beslissingsbevoegd is aangaande de randvoorwaarden, zodat appellante aan de eventuele omstandigheid dat de NVWA de overtreding heeft beoordeeld als standaard niet-naleving niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat haar door verweerder geen randvoorwaardenkorting van 20% zou worden opgelegd. Het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel slaagt volgens verweerder niet omdat het Unierecht dwingt tot het opleggen van een korting van 20%.

7. Het College overweegt als volgt.

7.1

In het door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) gewezen arrest van 27 februari 2014, nr. C-396/12, Van der Ham (ECLI:EU:C:2014:980) heeft het Hof geoordeeld dat ingeval inbreuk op de vereiste randvoorwaarden is gemaakt door een derde die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, deze begunstigde aansprakelijk kan worden gesteld voor die inbreuk indien hij opzettelijk of nalatig heeft gehandeld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van de gedraging van deze derde. Het feit dat appellante de uitvoering van de werkzaamheden geheel aan de loonwerker [naam 4] heeft overgelaten, ontslaat haar dus niet van de verantwoordelijkheid voor het naleven van de randvoorwaarden. Het College onderschrijft op grond van de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] het standpunt van verweerder dat appellante de overtreding opzettelijk heeft begaan. Niet gebleken is dat appellante bij het geven van de opdracht voor het uitrijden van de mest de loonwerker heeft gewezen op de ruige stukken in het perceel en hem heeft geïnstrueerd dat hij onmiddellijk diende te stoppen met het uitrijden van de mest als bleek dat het niet mogelijk was om (op deze stukken) de mest emissiearm uit te rijden. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting ook bevestigd dat dergelijke specifieke instructies niet zijn gegeven. In het midden kan blijven of de mest vlak na het bemesten is ondergewerkt. Niet gebleken is immers dat de mest in één werkgang is aangewend (Bijlage I, punt 3 onder a van het Bgm), zodat de niet-naleving ten tijde van de bemesting reeds geschied was. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat appellante bewust het risico heeft aanvaard dat op haar perceel niet-nalevingen plaatsvonden. Dat betekent dat appellante (voorwaardelijk) opzettelijk een randvoorwaarde niet heeft nageleefd. Het betoog van appellante dat [naam 4] als een professioneel en ervaren loonwerker te boek staat, doet hieraan op zichzelf niet af (zie ook de uitspraak van het College van 3 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:467 onder 4.10).

7.2

Appellante heeft ter zitting benadrukt dat de randvoorwaardenkorting moet worden gematigd omdat de opbrengst van het betreffende perceel in geen verhouding staat tot het met de korting gemoeide bedrag. Over dit beroep op strijd met het evenredigheidsbeginsel overweegt het College als volgt. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt op grond van het eerste lid van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht beperkt voor zover het besluit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. In dit geval vloeit die beperking voort uit artikel 97, eerste lid, van Verordening 1306/2013, in samenhang met artikel 40 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden. Op grond van deze bepalingen is verweerder gehouden voor een geconstateerde niet-naleving die met opzet is begaan een randvoorwaardenkorting vast te stellen ter hoogte van, in de regel, 20%. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding hadden kunnen zijn voor verlaging van dit percentage tot 15% als bedoeld in artikel 40 van Verordening 640/2014.

7.3

Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht een randvoorwaardenkorting van 20% toegepast op de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. H.L. van der Beek en mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. J.B.C. van der Veer