Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:206

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
17/127
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Accountant niet vaktechnisch verantwoordelijk voor uitvoering van een buiten zijn weten om en in strijd met de interne kantoorregels door een kantoormedewerker aanvaarde opdadcht tot het opstellen van berekeningen, bij welke uitvoering hij niet betrokken is geweest. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/127

20150


Uitspraak van de meervoudige kamer van 21 februari 2018 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. M.E. Boerwinkel),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 9 december 2016, gegeven op een klacht, door appellant ingediend tegen

[naam 2] (betrokkene)

(gemachtigde: mr. J.J. Vetter).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
9 december 2016, met nummer 16/1226 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2016:115).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2017.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene is als accountant verbonden aan accountantskantoor [naam 3] ( [naam 3] ), vestiging [plaats 2] . Tot maart 2011 verzorgde [naam 4]
– onder verantwoordelijkheid van betrokkene, die daarbij werd bijgestaan door medewerker
[naam 5] ( [naam 5] ) – voor appellant en zijn echtgenote, [naam 6] ( [naam 6] ), die samen een landbouwbedrijf hadden, onder meer de jaarrekeningen (tot en met boekjaar 2009) en een opstelling van de jaarlijkse verrekeningen tussen de echtgenoten in verband met de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden. Op 30 mei 2013 heeft [naam 6] zich weer bij [naam 5] gemeld, met de mededeling dat zij in scheiding lag en met de vraag haar bij de aangifte inkomstenbelasting te ondersteunen, welke opdracht [naam 3] heeft aanvaard. Op verzoek van [naam 6] woonde [naam 5] op 18 juli 2013 een bespreking bij tussen haar en appellant, bijgestaan door hun beider advocaten. Bij die gelegenheid is [naam 5] gevraagd een opstelling te maken van het vermogen van de echtelieden per 31 december 2012. Deze berekening (bijlage 9 bij het klaagschrift) heeft hij op 10 december 2013 aan de advocaten van appellant en [naam 6] gezonden. [naam 5] heeft desgevraagd tevens een berekening gemaakt van de verrekeningen in verband met de huwelijkse voorwaarden over de jaren 2009-2012. Deze berekening (bijlage 10 bij het klaagschrift) heeft hij op 13 september 2013 aan de advocaten toegezonden. De beide berekeningen zijn op 22 november 2013 in aanwezigheid van (onder anderen) [naam 5] , appellant, [naam 6] en hun advocaten besproken.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt de volgende verwijten in:

  1. De berekeningen die zijn opgenomen in bijlagen 9 en 10 van het klaagschrift zijn onjuist, en zijn (daarom) ondeskundig en onzorgvuldig opgesteld;

  2. [naam 3] persisteert in het op die onjuiste berekeningen gebaseerde standpunt dat [naam 6] een vordering op klager heeft;

  3. [naam 3] heeft het beginsel van objectiviteit geschonden door aanvankelijk in opdracht van [naam 6] en klager op te treden en nadien uitsluitend ten behoeve van [naam 6] .

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

2.3

De accountantskamer heeft ten aanzien van klachtonderdeel a in overweging 4.4 van de bestreden uitspraak geconstateerd dat betrokkene onbetwist heeft aangevoerd dat hij de berekeningen, waarvan appellant stelt dat deze ondeskundig en onzorgvuldig zijn opgesteld, niet heeft gemaakt, dat hij daarbij ook niet betrokken is geweest en dat hij daarvan zelfs (in ieder geval tot en met 22 november 2013) geen wetenschap heeft gehad. Naar het oordeel van de accountantskamer kan betrokkene daarom niet vaktechnisch verantwoordelijk worden gehouden voor die werkzaamheden en is hij om die reden daarop ook niet tuchtrechtelijk aanspreekbaar. Het feit dat betrokkene op 12 januari 2010 een samenstellingsverklaring heeft afgegeven bij een overzicht van de vermogens van appellant en [naam 6] per 31 december 2008 is volgens de accountantskamer geen reden voor een ander oordeel, omdat dit handelen geheel losstaat van de berekeningen waar het appellant in dit klachtonderdeel om gaat.

2.4

Ten aanzien van klachtonderdeel b heeft de accountantskamer in overweging 4.5 van de bestreden uitspraak overwogen dat zij ervan uitgaat dat het standpunt waar appellant op doelt, is ingenomen door [naam 5] . Voorts heeft de accountantskamer overwogen dat appellant met dit klachtonderdeel mogelijk ook op het oog heeft een aan de advocaat van [naam 6] gerichte brief van 9 september 2014 van [naam 7] RB ( [naam 7] ), directievoorzitter van de vestiging van [naam 4] te [plaats 2] , en een aan appellant gerichte brief van 17 februari 2016 van [naam 8] AA/RB ( [naam 8] ), directeur vaktechniek accountancy van [naam 3] (en niet, zoals de accountantskamer in de bestreden uitspraak heeft vermeld, lid van de raad van bestuur), waarin beiden zich impliciet achter de berekeningen van [naam 5] scharen. Voor het aldus opgevatte klachtonderdeel b geldt naar het oordeel van de accountantskamer hetzelfde als voor klachtonderdeel a. Nu niet gebleken is van feitelijke of vaktechnische verantwoordelijkheid van betrokkene voor het standpunt dat appellant op het oog heeft, kan betrokkene daarop niet tuchtrechtelijk worden aangesproken.

2.5

In overweging 4.6 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel c overwogen dat de door appellant gestelde schending van het objectiviteitsbeginsel kennelijk betrekking heeft op gedragingen van [naam 5] en mogelijk ook op de brief van 17 februari 2016 van [naam 8] , die daarin het verwijt van het niet naleven van dit beginsel van de hand wijst. De accountantskamer is van oordeel dat bij gebreke van feitelijke bemoeienis van betrokkene bij het alleen voor [naam 6] (en tegen appellant) optreden van [naam 5] en het ontbreken van vaktechnische verantwoordelijkheid daarvoor, betrokkene ook hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Volgens de accountantskamer geldt dat om dezelfde reden ook voor de uitlating van [naam 8] .

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. De eerste grief van appellant is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b.

4. Appellant bestrijdt dat betrokkene geen wetenschap van de gewraakte berekeningen heeft gehad. Betrokkene is tot maart 2011 betrokken geweest bij het opstellen van de berekeningen waarop in september 2013 is aangesloten. Na 22 november 2013 raakte hij op de hoogte van wat er speelde, ook van de gemaakte fouten, maar handelde hij niet zoals van hem mocht worden verwacht. Appellant heeft zijn klacht, alvorens deze bij de accountantskamer in te dienen, bij brief van 11 januari 2016 aan [naam 3] kenbaar gemaakt. Ook voor zijn handelen en nalaten in de daarvoor liggende zes jaren kan betrokkene vaktechnisch/tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden. Verder betwist appellant dat het toenmalige handelen van betrokkene geheel losstaat van de berekeningen waarover klachtonderdeel a gaat. Vast is komen te staan dat als gevolg van deze onjuiste berekeningen thans geen juiste vaststelling van de verrekening huwelijkse voorwaarden meer mogelijk is. De berekeningen van september 2013 zijn gebaseerd op de in het verleden door of onder verantwoordelijkheid van betrokkene gemaakte berekeningen. De fouten die toen zijn gemaakt werken door in het heden. Dit laatste had voor [naam 3] aanleiding moeten zijn om zich verder geheel afzijdig te houden dan wel alsnog juiste berekeningen op te stellen, zoals hij heeft gevraagd. [naam 3] heeft echter zonder de fouten te corrigeren berekeningen aangeleverd en blijft, ook na 2012, voortborduren op de evident onjuiste cijfers uit de jaren ervoor. Al sinds 2013 heeft betrokkene hier kennis van, maar hij heeft niet ingegrepen. Dit terwijl hij inmiddels had moeten begrijpen dat [naam 3] , ook in de jaren dat hij wel zijn handtekening heeft gezet, fouten heeft gemaakt en zich op deze cijfers blijft beroepen. Dit had niet mogen gebeuren. Appellant bestrijdt dat alleen [naam 5] bij de onjuiste aannames persisteerde. Volgens appellant heeft een medewerker van het kantoor, de heer [naam 9] , in een telefoongesprek aangegeven dat “zij” hebben geconstateerd dat er inderdaad fouten waren gemaakt en dat dit door “het kantoor” werd onderzocht. Wie uiteindelijk als verantwoordelijke moet worden aangewezen is naar de mening van appellant dan ook inderdaad een moeilijke taak indien zo veel medewerkers van [naam 3] aan alle conclusies en adviezen na 2012 hebben meegewerkt.

5. Het College stelt voorop dat de accountantskamer bij brief van 4 mei 2016 appellant erop heeft gewezen dat voor zover zijn klacht betrekking heeft op handelen of nalaten dat meer dan zes jaren vóór de indiening van het klaagschrift heeft plaatsgehad, artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) eraan in de weg staat de klacht in behandeling te nemen. Naar aanleiding hiervan heeft appellant zijn klacht bij brief van 30 mei 2016 nader geformuleerd, in die zin dat hij zijn klacht heeft beperkt “tot de werkzaamheden die [naam 3] eind 2013 voor [hem] heeft verricht”. De accountantskamer heeft op grond daarvan de drie in rubriek 2.1 van deze uitspraak weergegeven klachtonderdelen geformuleerd. Tegen de formulering van de klacht door de accountantskamer heeft appellant geen grieven gericht. Voor zover appellant in hoger beroep alsnog gedragingen van betrokkene aan de orde stelt die hebben plaatsgevonden vóór de door hem aangegeven periode is sprake van een uitbreiding van de klacht. Volgens vaste jurisprudentie van het College is een aanvulling of uitbreiding van de klacht niet mogelijk in het kader van een hoger beroep tegen de beslissing van de accountantskamer (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:40), zodat het College bedoelde gedragingen buiten beschouwing laat.

6. Het College onderschrijft hetgeen de accountantskamer in de overwegingen 4.4 en 4.5 van de bestreden heeft geoordeeld en maakt dat oordeel tot het zijne. Betrokkene heeft bestreden dat hij bij de totstandkoming van de door appellant onjuist geachte bijlagen 9 en 10 betrokken is geweest en dat hij van (de uitvoering van) die opdracht kennis heeft gehad. Naar het oordeel van het College is dit door appellant ook niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat betrokkene ter zake hiervan desondanks een tuchtrechtelijk verwijt treft. Het feit dat [naam 5] voor de in september 2013 gemaakte berekeningen aansluiting heeft gezocht bij een methode die in het verleden ook door of onder verantwoordelijkheid van betrokkene was toegepast, maakt niet dat betrokkene alsnog voor de uitvoering van de in juni 2013 gegeven opdracht verantwoordelijk kan worden gehouden. Klachtonderdeel a heeft de accountantskamer derhalve terecht ongegrond verklaard.

Voor klachtonderdeel b geldt hetzelfde. Ook hier heeft betrokkene uitdrukkelijk weersproken dat hij feitelijk betrokken of vaktechnisch verantwoordelijk is geweest voor het door [naam 5] , [naam 7] of [naam 8] innemen van het door appellant bedoelde standpunt over de juistheid van de opgestelde berekeningen en de uitkomst daarvan. Tegenover deze weerspreking heeft appellant geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat betrokkene dienaangaande desondanks een tuchtrechtelijk verwijt treft.

7. De tweede grief van appellant is gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel c.

8. Appellant stelt dat betrokkene op grond van artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep mede zijn belangen moet beschermen. Het moet betrokkene op enig moment, maar in ieder geval op 22 november 2013, duidelijk zijn geworden dat sprake was van een belangenverstrengeling ten aanzien van appellant en [naam 6] , de rol van [naam 3] en de cijfers die mede onder zijn verantwoordelijkheid waren opgesteld. Dat hij niet tuchtrechtelijk kan worden aangesproken voor fouten in de cijfers en afwikkeling huwelijksvoorwaarden voor 2001, neemt niet weg dat daarop niet had mogen worden voortgeborduurd. Betrokkene had moeten voorkomen dat appellant, door toedoen van [naam 3] , opnieuw schade ondervond door het aanleveren van onjuiste cijfers in het geschil tussen appellant en [naam 6] . De rechtbank heeft in de civiele procedure geoordeeld dat partijen omtrent de door [naam 3] opgestelde stukken hebben gedwaald en vastgesteld dat de verrekening huwelijksvoorwaarden op basis van deze stukken niet mogelijk is. De conclusie zou zelfs kunnen zijn dat appellant zijn hele vermogen met [naam 6] moet delen, wat hij juist heeft willen voorkomen door huwelijksvoorwaarden op te stellen en door [naam 3] te laten berekenen. [naam 3] en haar accountants hebben in feite wanprestatie geleverd. Klachtonderdeel c richt zich op het feit dat [naam 3] en haar medewerkers hebben nagelaten zorgvuldig met de belangen van appellant om te gaan. Zij blijven zich als partijaccountant mengen in het geschil tussen [naam 6] en appellant en schaden daarmee zijn belangen. Betrokkene had er alles aan behoren te doen dit te voorkomen. Door dit (nog altijd) na te laten, handelt hij in strijd met het objectiviteitsbeginsel. Ten slotte stelt appellant dat de accountantskamer ten onrechte heeft aangenomen dat betrokkene niet heeft geweten dat [naam 5] in strijd met de interne regels van [naam 3] heeft gehandeld door opdrachten aan te nemen waarbij een accountant betrokken had moeten worden. Hiervoor zijn immers jarenlang facturen gestuurd. Het moet ook voor de accountants duidelijk zijn voor welke werkzaamheden zij hun cliënten factureren.

9. Het College ziet ook als het gaat om klachtonderdeel c geen grond voor het oordeel dat de accountantskamer de klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Van enige betrokkenheid van betrokkene bij gedragingen van [naam 5] of [naam 8] die in de ogen van appellant in strijd zijn met het fundamentele beginsel van objectiviteit is niet gebleken en dit is ook niet door appellant aannemelijk gemaakt. De stelling dat [naam 3] , althans [naam 5] die in juni 2013 de opdracht aanvaardde, zich allengs als “partijaccountant” is gaan opstellen en zich als zodanig is blijven mengen in het geschil tussen [naam 6] en appellant is zonder feitelijke grondslag. De door de accountantskamer genoemde brief van 17 februari 2016 is een brief van [naam 8] aan appellant in antwoord op zijn voornemen een klacht in te dienen en houdt geen verband met de civiele procedure. Dat [naam 6] in de civiele procedure de door [naam 5] opgestelde berekeningen en de schriftelijke reactie van [naam 7] op de kritiek daarop van de door appellant ingeschakelde accountant heeft ingebracht, betekent niet dat bij het opstellen van die cijfers en/of nadien de objectiviteit uit het oog is verloren en dat appellant daarvan een verwijt treft.

10. Ten slotte heeft de accountantskamer in overweging 4.7 van de bestreden uitspraak aandacht besteed aan de erkenning door betrokkene dat het solistische optreden van [naam 5] niet in overeenstemming is geweest met de binnen [naam 3] geldende interne procedures, op de naleving waarvan betrokkene diende toe te zien. De accountantskamer heeft geen aanleiding gezien betrokkene vaktechnisch verantwoordelijk te houden voor het handelen waarop de klacht ziet, omdat er geen grond is om aan te nemen dat de betreffende interne regels structureel niet werden of worden nageleefd.

11. Voor zover het hoger beroep van appellant ook tegen dit onderdeel van de bestreden uitspraak is gericht, overweegt het College dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene in dit geval een tuchtrechtelijk verwijt treft ter zake van het solistische handelen van [naam 5] .

12. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.

13. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. J.L. Verbeek en
mr. F. van der Wel, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.

w.g. W.A.J. van Lierop De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen