Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:199

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
16/789
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plantenziektenwet. Verzoek om nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 4, voor schade als gevolg van opgelegde maatregelen ter voorkoming van verspreiding van de in rozenplanten aangetroffen bacterie Ralstonia Solanacearum, terecht afgewezen. Geen aanleiding om af te wijken van vaste jurisprudentie van het College dat het in beginsel tot het normale bedrijfsrisico van een professionele teler als appellante behoort dat het bedrijf schade kan lijden door maatregelen ter bestrijding van een plantenziekte, ook als dit niet op voorhand te verwachten valt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/789

32100

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2018 in de zaak tussen

[appellante] B.V. te [woonplaats] , appellante

(gemachtigden: mr. M.R. Plug en mr. M. Buitelaar)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. K.K.E. Blom en dr. ir. D.J. van der Gaag).

Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2016 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 van de Plantenziektewet (Pzw) afgewezen.

Bij besluit van 28 juli 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit afgewezen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017, gevoegd met de zaken 16/621, 16/957, 16/958 en 16/1033. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor het doen van uitspraak zijn de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de navolgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante kweekte ten tijde hier van belang rozen. In de zomer van 2015 is in haar planten een besmetting met de bacterie Ralstonia Solanacearum (RS) vastgesteld.

1.2.

Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft verweerder appellante, om verspreiding van dit organisme te voorkomen, onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen, maatregelen aangezegd. Daarbij heeft verweerder, onder meer en voor zo ver thans van belang, de partij planten Rosa Red Naomi als besmet aangemerkt en appellante geboden deze partij te vernietigen en de planten van het ras Penny Lane als “waarschijnlijk besmet” bestempeld en appellante aangezegd dat deze planten niet als voortkwekingsmateriaal mogen worden gebruikt.

1.3

Appellante heeft tegen het besluit van 26 oktober 2015 geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Appellante heeft verweerder op 19 januari 2016 verzocht om haar met toepassing van artikel 4 van de Pzw een tegemoetkoming te verstrekken in de door haar, beweerdelijk, als gevolg van het besluit van 26 oktober 2015, geleden schade, tot een bedrag van in totaal € 4.606.067. De gestelde schade is in het door appellante in het geding gebrachte taxatierapport van 21 oktober – 14 december 2015 uitgesplitst over de schadeposten: gebruik plantversterkers en gewasbeschermingsmiddelen, onderzoekkosten, schoonmaakkosten, afvoerkosten, opbouwkosten, netto productiederving Red Naomi, netto opbrengstderving Penny Lane, extra arbeid, netto opbrengstderving over 2016 voor Red en Penny Lane; na aftrek van de becijferde besparingen resteert het hiervoor genoemde schadebedrag.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van appellante afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, zoals nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, overwogen dat de door appellante geleden schade is veroorzaakt door de aanwezigheid van RS en niet door de door verweerder opgelegde maatregelen, zodat een causaal verband tussen de maatregelen en de gestelde schade ontbreekt. Daar komt bij dat voor zover appellante al, voorafgaand aan het besluit van 26 oktober 2015, zelf is overgegaan tot het afvoeren en doen vernietigen van planten, waaronder de planten van het ras Penny Lane, ook in dat opzicht niet kan worden gezegd dat de daarmee samenhangende schade het gevolg is van de door verweerder opgelegde maatregel. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat RS een bacteriesoort is met een grote diversiteit die zeer veel plantensoorten kan aantasten. De bacterie kwam voorafgaand aan de infectie van rozen al wereldwijd voor in aardappel, aubergine, banaan, geranium, tabak, olijf, paprika, sojabonen en gember. RS is daarom ook opgenomen in rubriek II van deel A van bijlage I van Richtlijn 2000/29/EG (Fytorichtlijn) als één van de schadelijke organismen waarvan bekend is dat zij in de Unie kunnen voorkomen en die risico’s opleveren voor de gehele Unie. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar waardplanten. Het gaat derhalve, aldus verweerder, om een organisme dat reeds geruime tijd schadelijk wordt geacht voor in beginsel alle planten, dus ook voor rozen. Verweerder acht het risico op besmetting met RS, ook op rozen, voor de gehele glastuinbouwsector dan ook niet dermate ondenkbaar dat het intreden van dat risico niet tot het normale ondernemersrisico zou behoren. Los van de bij de rozen van appellante geconstateerde symptomen, is het bekend dat RS zichtbare aantasting in rozen veroorzaakt. Deze omstandigheden maken tevens, aldus verweerder, dat het onderhavige geval niet vergelijkbaar is met het geval van de kuipplantentelers in de zaken die onder meer hebben geleid tot de uitspraak van het College van 30 september 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:B J9549). Bovendien zijn in het geval van de kuipplanten – waar de symptomen niet zichtbaar waren – de partijen ook uit de markt gehaald ter voorkoming van verspreiding naar andere waardplanten waar het desbetreffende organisme wel tot symptomen en zichtbare schade leidt.

3.1.

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat zij geen rekening heeft hoeven houden met de mogelijkheid dat haar rozen met RS zouden worden besmet. Haar kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij geen preventieve maatregelen heeft genomen om besmetting te voorkomen. Volgens appellante is in haar geval sprake van een met de kuipplantentelerszaken vergelijkbaar geval. Het standpunt van verweerder dat sprake is van een normaal ondernemersrisico is daarom onjuist.

3.2.

Appellante heeft tevens betoogd dat de afwijzing van haar verzoek om een tegemoetkoming in de schade op gespannen voet staat met het verbod van vooringenomenheid. Zij heeft in dit verband gewezen op het volgende antwoord van verweerder van 17 december 2015 op vragen ter zake uit de Tweede Kamer:

“Bij hoge uitzondering kan schade worden vergoed op basis van artikel 4 van de Plantenziektenwet, die mij de bevoegdheid geeft om een tegemoetkoming van overheidswege te verlenen voor schade die het gevolg is van het toepassen van maatregelen ter voorkoming, verbreiding of bestrijding van schadelijke organismen (bestrijdingsmaatregelen), als deze schade onevenredig zwaar op één of meer personen zou drukken. In onderhavig geval is hier geen sprake van.”

Appellante heeft hieraan de conclusie verbonden dat verweerder met dit antwoord zijn standpunt heeft bepaald waardoor de motivering van het bestreden besluit niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een doelredenering.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Op grond van artikel 4 van de Pzw is de minister bevoegd in gevallen waarin de schade, welke het gevolg is van het toepassen van krachtens artikel 3 van de Pzw gegeven voorschriften, onevenredig zwaar op een of meer personen zou drukken, uit ’s Rijks schatkist een tegemoetkoming te verlenen in de geleden schade.

4.2

In dit geding staat centraal de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering aan appellante een tegemoetkoming als bedoeld in

artikel 4 van de Pzw te verstrekken in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Het College overweegt ter zake als volgt.

4.3

Uit vaste jurisprudentie van het College, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI1931, volgt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van

artikel 4 van de Pzw blijkt dat met de introductie van dit artikel niet is beoogd een algemene schadevergoedingsplicht voor verweerder in het leven te roepen. Bovendien volgt uit deze jurisprudentie dat in de wetsgeschiedenis onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om te komen tot het oordeel dat de wetgever met dit artikel ook een aanspraak op een tegemoetkoming heeft willen creëren voor degene die wordt geconfronteerd met schade die is terug te voeren op omstandigheden die tot zijn normale bedrijfsrisico behoren.

4.4

Eveneens volgens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:84 en van, onlangs, 15 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:60) behoort het in beginsel tot het normale bedrijfsrisico van een professionele teler als appellante dat het bedrijf schade kan lijden door maatregelen ter bestrijding van een plantenziekte, ook als dit niet op voorhand te verwachten valt. De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het moge zo zijn dat RS aanvankelijk hier te lande nog niet in rozen was opgetreden, maar gelet op de grote, gestaag uitdijende, hoeveelheid waardplanten, was het optreden in rozen niet een omstandigheid die in feite als onbestaanbaar zou moeten worden beschouwd (zie ook CBB, 15 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:60). Niet kan worden geoordeeld dat de door appellante geleden schade, zoals die in het in 1.4 bedoelde rapport is omschreven en becijferd, niet tot haar normale bedrijfsrisico behoort. Voor een oordeel als in de kuipplantenzaken ziet het College dan ook geen aanleiding. Van overige omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de schade als gevolg van de aan appellante aangezegde maatregelen onevenredig zwaar op haar drukt, is verder niet gebleken. Het feit dat appellante financieel zwaar is getroffen, maakt, hoe onfortuinlijk voor haar ook, niet dat verweerder voor de toepassing van artikel 4 van de Pzw het bestaan van onevenredigheid had moeten aannemen.

4.5

Met betrekking tot hetgeen appellante heeft betoogd ter zake van de gestelde vooringenomenheid van verweerder overweegt het College als volgt. Het verbod van vooringenomenheid is neergelegd in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De strekking van dit verbod is dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. De overheid is dus gehouden de nodige objectiviteit te betrachten en mag zich niet laten leiden door vooringenomenheid (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578). In dit verband herinnert het College er in de eerste plaats aan dat het door appellante geciteerde, hiervoor weergegeven, antwoord op de desbetreffende vraag uit de Tweede Kamer, direct wordt voorafgegaan door de volgende uiteenzetting van verweerder :

“Het uitgangspunt bij schade als gevolg van plantenziektes, zoals dit is verwoord in de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Plantenziektewet (Kamerstukken II 1950/51, 1791, nr. 5), is dat deze niet wordt vergoed. De lijn is dat de schade in beginsel behoort te zijn verdisconteerd in het normaal maatschappelijk risico (waaronder het normale bedrijfsrisico). Ook de kosten voor de bestrijdingsmaatregelen komen in beginsel voor eigen rekening.”

De door appellante aangehaalde tekst moet in de eerste plaats tegen deze achtergrond worden gezien en is, mede gelet op de, op het geval van appellante toegesneden, motivering waarop het bestreden besluit steunt en welke motivering blijkens het voorgaande stand houdt, geen argument om verweerder hier bij de uitoefening van de in artikel 4 van de Pzw vervatte bevoegdheid vooringenomen te achten. Het door appellante ontwikkelde betoog faalt.

5. Het voorgaande voert tot de conclusie dat de hiervoor onder 4.2 geformuleerde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het door appellante ontwikkelde betoog faalt. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.O. Kerkmeester en mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.

w.g. R.R. Winter w.g. J.W.E. Pinckaers