Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:188

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
23-05-2018
Zaaknummer
16/686 en 16/687
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Subsidie ten onrechte ambtshalve op nihil vastgesteld; artikel 4:44, derde en vierde lid, Awb. Geen procesbelang bij beroep tegen weigering verlenging termijn voor aanvraag vaststelling subsidie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/686 en 16/687

27811

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2018 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante,

(gemachtigde: mr. M. Jue)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

16/687

Bij besluit van 14 april 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder afwijzend beslist op appellantes verzoek om uitstel van de vaststelling van de haar op grond van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Fijnstofmaatregelen 2013, (de Regeling) verleende subsidie.

Bij besluit van 21 juni 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 16/687.

16/686

Bij besluit van 20 april 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de hiervoor genoemde subsidie van appellante ambtshalve vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 16 juni 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 16/686.

Verweerder heeft voor beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2017. Partijen zijn hierbij vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Voor appellante was tevens aanwezig [naam 2] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Op 2 mei 2013 heeft appellante een aanvraag ingediend om subsidieverlening op grond van de Regeling ten behoeve van fijnstofmaatregelen op vijf stallen, waaronder twee nieuw te bouwen stallen, voor haar veehouderij. Bij besluit van 12 september 2013 heeft verweerder appellante maximaal € 138.138,00,- subsidie verleend. In dat besluit staat vermeld dat appellante tot en met 31 maart 2016 de tijd heeft voor het vaststellen van de subsidie.

1.2

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de voor het project verleende omgevingsvergunning voor de twee stallen bij uitspraak van 22 januari 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:400 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2015:400)) vernietigd. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 9 december 2015 (ECLI:RVS:2015:3748) bevestigd.

1.3

Bij brief van 17 maart 2016 heeft verweerder appellante erop gewezen dat hij nog geen aanvraag om vaststelling van haar subsidie heeft ontvangen, dat de uiterste termijn hiervoor 31 maart 2016 is en dat op die datum ook de investering geïnstalleerd en werkbaar dient te zijn.

1.4

Bij brief van 29 maart 2016 heeft appellante verzocht om uitstel van de indiening van haar aanvraag om vaststelling van haar subsidie tot en met 31 maart 2017. Appellante doet hierbij een beroep op overmacht. Zij meldt dat de werkzaamheden niet geheel gereed zijn voor 31 maart 2016, omdat haar in eerste instantie verleende omgevingsvergunning voor het project door de rechtbank Zeeland-West-Brabant is vernietigd en zij een nieuwe vergunning heeft moeten aanvragen. Hierdoor heeft de nieuwbouw voor het project nog niet kunnen plaatsvinden.

1.5

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitstel van de vaststelling van haar subsidie afgewezen, omdat de termijn voor indiening van de aanvraag om vaststelling van de subsidie niet kan worden verlengd. De door appellante genoemde omstandigheden vormen volgens verweerder geen geval van overmacht.

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de subsidie ambtshalve vastgesteld op nihil, omdat appellante geen aanvraag om vaststelling heeft ingediend binnen de hiervoor geldende termijn.

2.1

De bestreden besluiten dateren van na 1 januari 2016. Met ingang van 1 juli 2015 is de Regeling Europese EZ-subsidies in werking getreden (artikel 6.4 van diezelfde regeling) en per 1 januari 2016 is de Regeling LNV-subsidies ingetrokken. Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, onder b van de Regeling Europese EZ-subsidies blijft de Regeling van toepassing op subsidies die voor die datum zijn verleend op grond van de Regeling, zoals hier het geval is.

Artikel 1:14, eerste lid, van de Regeling (http://wetten.overheid.nl/BWBR0021281/2012-10-31/) bepaalde ten tijde en voor zover van belang dat, tenzij de beschikking tot subsidieverlening tevens de subsidievaststelling inhoudt, de subsidie-ontvanger zijn aanvraag om subsidievaststelling indient, binnen dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid, tenzij de Minister bij subsidieverlening een andere periode voor het indienen van de aanvraag heeft vastgesteld.

Artikel 23d van het Openstellingsbesluit Regeling LNV-subsidies 2013 (Openstellingsbesluit) bepaalde ten tijde en voor zover van belang dat in afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de Regeling (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021281&artikel=1:14&g=2013-05-02&z=2017-12-08) aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 1 april 2016.

2.2

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidde ten tijde en voor zover van belang:

“Artikel 4:44

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, dient de subsidie-ontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, (…).
(…)

3. Indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend kan het bestuursorgaan de subsidie-ontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend.

4. Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.

(…)

Artikel 4:47
Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen indien:

a. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;

b. toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44, vierde lid, of
(…).”

16/687

3. Ambtshalve overweegt het College als volgt.

3.1

Het College stelt vast dat de datum waarop de aanvraag tot verlenging van de uitvoeringstermijn van het project ziet in het verleden ligt, namelijk 31 maart 2017. Voorts stelt het College vast dat de Regeling voorziet in een verlenging van de uitvoeringstermijn tot uiterlijk 1 april 2016. In het geval van appellante zou dit, mits zij aan de gestelde voorwaarden voldoet, leiden tot een maximale verlenging van de uitvoeringstermijn tot 1 april 2016. Deze datum is inmiddels gepasseerd zonder dat het project volledig is uitgevoerd. Aan de orde is daarom of appellante nog procesbelang heeft.

3.2

Appellante heeft aangevoerd dat haar procesbelang wellicht kan zijn gelegen in een nog in te dienen verzoek om een nadere verlenging van de uitvoeringstermijn. Het College overweegt dat een tweede verzoek niet voorligt en dit standpunt van appellante bovendien eraan voorbij gaat dat de Regeling niet voorziet in een dergelijke nadere verlenging. Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het beroep.

4. Het voorgaande betekent dat het beroep in de zaak 16/687 niet-ontvankelijk is. Aan de behandeling van de beroepsgronden van appellante komt het College daarom niet toe. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

16/686

5. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit 2 op het standpunt dat appellante niet binnen de daarvoor gestelde termijn een aanvraag tot subsidievaststelling heeft ingediend en hij daarom de subsidie op grond van artikel 4:47, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 23d van het Openstellingsbesluit terecht ambtshalve op nihil heeft vastgesteld. De Regeling biedt, onder meer door het ontbreken van een hardheidsclausule, geen mogelijkheid om de projectduur op te rekken tot een periode van meer dan drie jaar. Van overmacht is in dit geval geen sprake. Verweerder stelt verder dat door het ontbreken van een aanvraag tot subsidievaststelling niet op objectieve wijze kan worden vastgesteld of de kosten zijn gemaakt en of het projectplan overeenkomstig de Regeling is uitgevoerd. Evenmin kan worden getoetst of aan de doelstelling van de Regeling is voldaan. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan appellante daarom niet baten volgens verweerder. Verweerder verwijst wat betreft zijn standpunt naar de uitspraak van het College van 21 april 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:132).

6. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder de subsidie ten onrechte op nihil heeft vastgesteld. Het project is wat betreft de fijnstofmaatregelen op de drie bestaande stallen tijdig gerealiseerd. Ten aanzien van de nieuwbouw van de twee overige in het project betrokken stallen heeft appellante als gevolg van overmacht het project niet tijdig kunnen uitvoeren. De bouw van die stallen moest worden uitgesteld door de vernietiging van de hiervoor verleende vergunning, waardoor de fijnstofmaatregelen op die stallen eveneens moesten worden uitgesteld. Appellante wijst op de mogelijkheid om de subsidie lager vast te stellen in artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a en b van de Awb. Dat verweerder heeft beslist tot een nihilstelling van de subsidie acht appellante onevenredig.

7. Het College overweegt als volgt.

7.1

Artikel 23d van het Openstellingsbesluit bepaalt dat de aanvraag tot subsidievaststelling tot 1 april 2016 wordt ingediend. Anders dan waarvan verweerder in het bestreden besluit lijkt uit te gaan, geeft deze bepaling hem als zodanig geen bevoegdheid de subsidie – ambtshalve – op nihil vast te stellen. Verweerders standpunt ter zitting dat artikel 4:44, derde en vierde lid, van de Awb hier niet van toepassing is, omdat er nog geen zicht was op de afronding van het project en een aanmaning geen zin zou hebben gehad, volgt het College niet, reeds omdat, zoals appellante onweersproken heeft verklaard het project binnen de realisatietermijn gedeeltelijk was uitgevoerd doordat de fijnstofmaatregelen wel waren aangebracht op de drie bestaande stallen.

7.2

Verweerder kan ingevolge artikel 4:44, derde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 23d van het Openstellingsbesluit, indien een aanvraag tot vaststelling van een op grond van de Regeling verleende subsidie niet op het in het verleningsbesluit vermeld tijdstip is ingediend, de subsidieontvanger een termijn stellen waarbinnen die aanvraag alsnog moet worden ingediend. Ingevolge artikel 4:44, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 4:47, aanhef en onder b, van de Awb kan verweerder de subsidie ambtshalve vaststellen, indien na afloop van de in het derde lid van genoemd artikel 4:44 bedoelde termijn geen aanvraag tot vaststelling is ingediend (zie de uitspraak van het College van 5 juli 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:203). Uit het systeem van artikel 4:44, derde en vierde lid van de Awb volgt evenwel dat verweerder eerst dan ambtshalve kan vaststellen indien hij appellante heeft aangemaand de aanvraag alsnog, binnen een door verweerder te bepalen nadere termijn, in te dienen en de aanvraag ook na de bij de aanmaning gestelde nieuwe termijn niet is ingediend (zie de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 700, nr. 3, p 71 en vergelijk de uitspraak van het College van 27 maart 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF7108 en de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3947).

7.3

Vaststaat dat appellante niet heeft voldaan aan haar verplichting uiterlijk 1 april 2016 een aanvraag in te dienen tot vaststelling van de subsidie. Verweerder heeft appellante echter niet onder het stellen van een nadere termijn aangemaand alsnog een aanvraag in te dienen. Daarom was verweerder niet bevoegd op grond van artikel 4:44, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 4:47, aanhef en onder b, van de Awb, de subsidie ambtshalve vast te stellen (op nihil) (zie de uitspraak van het College van 5 juli 2016, hiervoor aangehaald). Verweerders verwijzing naar de uitspraak van het College van 21 april 2015 (hiervoor aangehaald) doet hieraan niet af, omdat verweerder in de zaak die tot die uitspraak heeft geleid, anders dan in onderhavige zaak, de betrokkene wel onder het stellen van een nadere termijn heeft aangemaand alsnog een aanvraag in te dienen.

8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit 2 moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 4:44, derde en vierde lid, en 4:47, aanhef en onder b, van de Awb. Het College ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien en zal het primaire besluit 2 waarbij verweerder de subsidie van appellante ambtshalve op nihil heeft vastgesteld herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2. Verweerder dient appellante onder het stellen van een nadere termijn aan te manen alsnog een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in te dienen. Indien appellante een aanvraag indient, dan dient verweerder op die aanvraag te beslissen. Indien appellante ondanks de aanmaning nog geen aanvraag indient, dan kan verweerder de subsidie ambtshalve vaststellen.

9. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1503,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en een punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 501,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep in de zaak 16/687 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep in de zaak 16/686 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2;

- herroept het primaire besluit 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,-- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1503,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. E.R Eggeraat en mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. C.M. Leliveld