Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:169

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
16/1011, 16/1241 en 17/1500
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Percelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/1011, 16/1241 en 17/1500

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2018 in de zaken tussen

Maatschap [appellante] , te [woonplaats] , appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F. Janmaat).

Procesverloop

16/1011 en 16/1241

Bij besluiten van 31 maart 2016 en 31 mei 2016 (de primaire besluiten I en II) heeft verweerder respectievelijk beslist op de aanvragen van appellante om toewijzing van betalingsrechten en om uitbetaling van de betalingsrechten voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluiten van 23 september 2016 en 11 november 2016 (de bestreden besluiten I en II) heeft verweerder de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de primaire besluiten I en II herroepen en onderscheidenlijk het aantal betalingsrechten en het bedrag van de uitbetaling opnieuw vastgesteld.

17/1500

Bij besluit van 4 mei 2017 (het primaire besluit III) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van betalingsrechten voor 2016.

Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit III herroepen en het bedrag van de uitbetaling van betalingsrechten voor 2016 opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend inzake de beroepen gericht tegen de bestreden besluiten I en II.

Bij brief van 6 februari 2018 heeft appellant nadere informatie verstrekt en stukken overgelegd.

Bij brief van 29 maart 2018 heeft verweerder nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018.

Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd voor het jaar 2015 (procedurenummers 16/1011 en 16/1241).

1.2

Appellante heeft tevens de uitbetaling van haar betalingsrechten en de vergroeningsbetaling aangevraagd voor het jaar 2016 (procedurenummer 17/1500).

1.3

Het geschil gaat over geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen van het landbouwbedrijf van appellante. Bij de behandeling van de aanvragen van het jaar 2015 heeft verweerder het door appellante opgegeven perceel 36 gesplitst in vier percelen, in aflopende grootte genummerd 36, 74, 75 en 76. Bij de behandeling van de aanvraag voor het jaar 2016 heeft verweerder hetzelfde perceel op dezelfde wijze gesplitst, maar nu genummerd 82, 36, 84 en 80.

2. Ten aanzien van de percelen 38, 53, 56, 57 en 58 heeft verweerder bij brief van 29 maart 2018 meegedeeld dat hij voornemens is de bestreden besluiten met betrekking tot deze percelen te herzien. Het College stelt vast dat verweerder daarmee in zoverre de onrechtmatigheid van de bestreden besluiten heeft erkend.

3.1

Ten aanzien van perceel 54 voert appellante aan dat de constatering van verweerder in de bestreden besluiten dat op dit perceel sprake is van een verhard pad, onjuist is.

3.2

Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar artikel 5, derde lid, van Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden, waarin is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat het subsidiabele maximumareaal per referentieperceel als bedoeld in het tweede lid, onder a, correct wordt gekwantificeerd binnen een marge van maximaal 2%, rekening houdend met de omtrek en conditie van het referentieperceel. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van het College van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197). Nu het verschil tussen de door appellante opgegeven oppervlakte en de door verweerder geconstateerde oppervlakte in dit geval binnen de marge van 2% ligt, ziet verweerder in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om te concluderen dat de oppervlakte van dit perceel niet goed is vastgesteld.

3.3.

Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat sprake is van een verandering in het veld op grond waarvan verweerder gehouden was het referentieperceel aan te passen. Onder verwijzing naar een luchtfoto van perceel 54 heeft appellante gesteld dat op het door verweerder afgekeurde gedeelte van dit perceel geen sprake is van een verhard pad.

3.4

Voorafgaand aan het toepassen van de 2% marge, beoordeeld verweerder of sprake is van duidelijke veranderingen van de subsidiabele oppervlakte in het veld. Indien sprake is van een duidelijke verandering in het veld, bijvoorbeeld door aanleg van een weg of het dempen van een sloot, dan dient dit te leiden tot aanpassing van het referentieperceel (zie de uitspraken van het College van 2 november 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:416) en
8 februari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:52)). Verweerder heeft ter zitting niet duidelijk gemaakt waarom de afwezigheid van een verhard pad, indien daarvan sprake zou zijn, niet zou moeten worden aangemerkt als een duidelijke verandering in het veld op grond waarvan hij desondanks gehouden zou zijn het referentieperceel aan te passen. Voorts heeft het College aan de hand van de in het dossier aanwezige luchtfoto’s niet kunnen vaststellen of op het in geding zijnde gedeelte van het perceel al dan niet sprake is van een verhard pad. De luchtfoto van perceel 54 bij het bestreden besluit II is daartoe onvoldoende duidelijk. De stelling van appellante dat geen sprake is van een verhard pad, heeft verweerder niet gemotiveerd weersproken. Bij deze stand van zaken heeft verweerder wat betreft perceel 54 in zoverre niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de 2% marge, terwijl verweerder ook in de bestreden besluiten niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij dit gedeelte van het perceel niet subsidiabel heeft geacht.

4.1

Ten aanzien van de percelen 36 (voor de jaren 2015 en 2016) en 37 (voor het jaar 2016) heeft verweerder een gedeelte van deze percelen afgekeurd omdat – kort gezegd – sprake is bermen en die niet subsidiabel zijn.

4.2

Bij uitspraak van 12 maart 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:65) heeft het College geoordeeld dat de nationale regelgever in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat bermen tot een breedte van drie meter van de weg overwegend voor niet landbouwactiviteiten worden gebruikt en deze aldus op grond van artikel 2.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling categoraal mocht uitsluiten. Het College is van oordeel dat ten aanzien van de percelen 36 en 37 niet is gebleken dat verweerder bij het uittekenen van de bermstroken buiten deze grens van 3 meter zou zijn gegaan en ziet daarom, anders dan appellante, geen aanleiding om verweerder op te dragen bij de nieuw te nemen besluiten dit onderdeel eveneens te heroverwegen.

4.3.

Wat betreft het jaar 2015 heeft appellante over perceel 36 nog aangevoerd dat verweerder de perceelgrens aan de zuidzijde van dit perceel strakker langs de sloot had moeten leggen. Zij heeft erop gewezen dat verweerder in 2016 ten aanzien van dit perceel de perceelsgrens wel dichter op de grens van water en land heeft gelegd. Gezien de luchtfoto’s van perceel 36 van de jaren 2015 en 2016, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom verweerder de perceelsgrens ook voor 2015 niet strakker langs de sloot heeft gelegd.

5. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat in het bestreden besluit III ten onrechte is bepaald dat sprake is van een terugvordering van € 29,22, die niet zal worden verrekend, nu het juist gaat om een nabetaling. Verweerder heeft ter zitting erkend dat op dit onderdeel sprake is van een verschrijving, die bij het nieuw te nemen zal worden hersteld.

6. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen gegrond zijn. Het College zal de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel) en 7:12 (het motiveringsbeginsel) van de Algemene wet bestuursrecht en verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6.2

Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). De beroepen in de zaken 16/1011 en 16/1241 zijn daarbij beschouwd als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

6.3

Ten slotte heeft appellante verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de GPS-kosten die zij in beroep stelt te hebben gemaakt. Nu appellante dit verzoek niet nader heeft onderbouwd, wijst het College dit verzoek af.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht in de drie zaken van in totaal
    € 1.001,- (€ 334,- in de zaak 16/1011, € 334,- in de zaak 16/1241 en € 333,- in de zaak 17/500) aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.503,-;

- wijst af hetgeen appellante meer of anders heeft verzocht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.

w.g. A. Venekamp w.g. J.B.C. van der Veer