Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:167

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
16/1246
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Percelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1246

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2018 in de zaak tussen

[appellant] , te [woonplaats] , appellant

(gemachtigde: mr. D. Pool),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F. Janmaat).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 4 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en appellant minder betalingsrechten toegewezen dan bij het primaire besluit.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de oppervlakte van vijftien percelen van het landbouwbedrijf van appellant. Appellant heeft toewijzing van betalingsrechten aangevraagd bij de Gecombineerde opgave 2015. In die Gecombineerde opgave zijn de vijftien percelen die nu in geding zijn, aangeduid als percelen 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 12, 13, 14, 15, 16, 18 en 35.

2.1

Allereerst stelt appellant zich op het standpunt dat sprake is van reformatio in peius, omdat verweerder zonder de door hem aangeleverde informatie in het bestreden besluit niet zou zijn gekomen tot een lagere vaststelling van de oppervlakte van perceel 8.

2.2

Het College overweegt dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat verweerder in de bezwaarschriftprocedure wijzigingen ten nadele van de indiener aanbrengt indien de bevoegdheid daartoe ook buiten het kader van de bezwaarschriftprocedure bestaat. Wel dient daarbij te worden gewaarborgd dat de belanghebbende daarbij niet in zijn verweermogelijkheden wordt geschaad. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij appellant ten onrechte niet in gelegenheid heeft gesteld om op de voorgenomen verlaging te reageren en dat dit een vormverzuim oplevert. Nu appellant in de beroepsfase alsnog in de gelegenheid is geweest om zijn standpunt hierover kenbaar te maken, kan dit gebrek naar het oordeel van het College worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1.

Daarnaast meent appellant dat verweerder de oppervlakte van de overige percelen te klein heeft vastgesteld. Hij heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op een in zijn opdracht verrichte GPS-meting. Door de oppervlakten van deze percelen te klein vast te stellen, is het aantal betalingsrechten voor 2015 te laag vastgesteld, aldus appellant. Ter zitting van het College heeft appellant verklaard dat hij de door verweerder bij het bestreden besluit vastgestelde oppervlakte van perceel 8 niet meer betwist.

3.2

Wat betreft de percelen 1, 2, 3, 5, 7, 9, 12, 14, 15, 16 en 18 stelt het College vast dat verweerder in het verweerschrift erop heeft gewezen dat voor elk van deze percelen het verschil in de door appellant aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte van de referentiepercelen minder dan 2% bedraagt. Appellant heeft dit niet betwist. Zoals het College in de uitspraak van 29 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:197) heeft geoordeeld, mag verweerder bij een verschil van minder dan 2% uitgaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel en afzien van een nadere beoordeling van dat verschil. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor de conclusie om daarover thans anders te oordelen. Gelet hierop mocht verweerder uitgaan van de juistheid van de door hem vastgestelde oppervlakte van de hiervoor genoemde percelen.

3.3.

De subsidiabele oppervlakten van perceel 6 en 13 zijn volgens verweerder 1,89 ha en 3,48 ha, terwijl appellante in de Gecombineerde opgave 2015 1,94 ha en 3,51 ha heeft opgegeven. De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer, en worden gebruikt voor een landbouwactiviteit of, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend worden gebruikt voor landbouwactiviteiten, zo volgt uit artikel 24, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 32, tweede lid, onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Op basis van de door verweerder overgelegde (lucht)foto’s van beide percelen stelt het College vast dat verweerder de grens van de subsidiabele oppervlakte heeft gelegd op de insteek van de sloottaluds en de verruigde grond langs de noordwestzijde van perceel 13. Dat de luchtfoto’s slechts een momentopname zijn, doet daaraan niet af, reeds omdat appellant het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen reden om te oordelen dat verweerder deze sloottaluds en verruigde grond terecht niet heeft aangemerkt als landbouwareaal. Dat appellant de afgekeurde delen van de percelen wel landbouwkundig gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel. Er bestaat dus geen grond voor de conclusie dat verweerder de oppervlakte van de percelen 6 en 13 onjuist heeft vastgesteld.

3.4

Met betrekking tot het van perceel 11 afgesplitste perceel 35 overweegt het College het volgende. Op de luchtfoto’s van 2015 is duidelijk te zien dat op het perceel gras groeit, maar dat ook op delen van het perceel sporen aanwezig zijn en dat op een gedeelte van het perceel sprake is van verrommeling. Ter zitting heeft appellant onweersproken gesteld dat dit perceel door verweerder voor het premiejaar 2016 wel deels is goedgekeurd. Ook op de door appellant getoonde luchtfoto van 2016 van dit perceel is gras te zien, maar zijn ook duidelijk sporen op delen van het perceel aanwezig. Hoewel in 2016 geen sprake meer is van verrommeling en in zoverre sprake is van een verschil tussen beide jaren, is het College van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom dit verschil of mogelijk andere – voor het College thans niet kenbare – verschillen, mede in het licht van de gedeeltelijke goedkeuring in 2016, moeten leiden tot de conclusie dat het perceel in 2015 geheel moet worden afgekeurd. Ook ter zitting heeft verweerder dit niet nader kunnen toelichten. In zoverre is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.

4. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2018.

A. Venekamp J.B.C. van der Veer