Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:143

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
16/1181
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ecologisch aandachtsgebied; kennelijke fout; gele mosterd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1181

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2018 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [woonplaats] , appellante

(gemachtigde: mr. B. Timmermans),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder(gemachtigde: mr. M. van der Zwaard).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellante ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2018.

Voor appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft op 9 juni 2015 bij de Gecombineerde opgave 2015 om uitbetaling van de betalingsrechten (basis- en vergroeningsbetaling) gevraagd. Een van de vergroeningseisen is dat 5% van het bouwland als ecologisch aandachtsgebied wordt ingezet. Om aan deze eis te voldoen kan worden gekozen voor de Algemene lijst, een Duurzaamheidscertificaat of een Collectieve invulling.

1.2

In de Gecombineerde opgave 2015 heeft appellante onder het kopje “Vergroening” subkopje “Ecologisch aandachtsgebied” geen keuze gemaakt voor een pakket waarmee zij invulling wil geven aan het ecologisch aandachtsgebied. Zij heeft wel aangekruist te zijn vrijgesteld van het hebben van 5% ecologisch aandachtsgebied. Onder het kopje “Samenvatting Grondgebonden Subsidies” onder “Verplichting Gewasdiversificatie en Ecologisch aandachtsgebied” heeft appellante bij “Hoofdteelt bouwland” 97,49 ha en 26 percelen ingevuld en onder “Opgegeven voor EA” bij “Volgteelt” is vermeld: “n.v.t.”.

1.3

In het “Overzicht ingevulde gegevens Gecombineerde opgave 2015: Regelingen grondgebonden” heeft appellante onder het kopje “Volgteelten” de percelen 9, 14, 16, 20, 22 en 24 ingevuld met als gewas gele mosterd. Bij deze percelen heeft appellante niet aangevinkt dat sprake is van ecologisch aandachtsgebied.

2.1

Bij besluit van 31 maart 2016 heeft verweerder aan appellante 98,64 betalingsrechten toegewezen. Verweerder is daarbij uitgegaan van 98,64 ha geconstateerde subsidiabele landbouwgrond.

2.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder van de voor uitbetaling opgegeven oppervlakte van 97,83 ha slechts 48,68 ha in aanmerking genomen bij het vaststellen van de vergroeningsbetaling. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante niet (volledig) voldoet aan de vergroeningseisen van het ecologisch aandachtsgebied.

2.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, waarbij zij heeft aangevoerd dat sprake is van een kennelijke fout, ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de ingediende aanvraag tot 10 juli 2015 kon worden aangepast. Gelet op het moment waarop appellante het verzoek tot aanpassing van de aanvraag heeft ingediend, namelijk in de bezwaarfase, kan verweerder dit verzoek alleen honoreren als sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 4 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014). Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een kennelijke fout hanteert verweerder als uitgangspunt het werkdocument van de Europese Commissie (nr. AGR 49533/2002) (werkdocument). Verweerder stelt voorop dat appellante verplicht is het type, de omvang en de ligging van de ecologische gebieden aan te geven (artikel 17, vijfde lid, van Verordening 809/2014). Volgens verweerder bevat de aanvraag weliswaar een onregelmatigheid, maar geen tegenstrijdigheden. De aanvraag is objectief gezien niet onlogisch of onbegrijpelijk ingevuld, omdat het telen van gele mosterd (gewascode 428) niet zonder meer met zich brengt dat sprake is van een ecologisch aandachtsgebied. Bovendien komen meerdere categorieën voor vrijstelling van het ecologisch aandachtsgebied in aanmerking. Verweerder had niet zonder meer hoeven begrijpen dat appellante in werkelijkheid de intentie had om (een deel van haar) percelen te willen inrichten voor ecologisch aandachtsgebied.

2.4

Appellante stelt in beroep dat zij in aanmerking komt voor de volledige vergroeningsbetaling, omdat zij heeft voldaan aan de verplichting om in het formulier van de Gecombineerde opgave 2015 het type, de omvang en de ligging van de ecologische aandachtsgebieden aan te geven. Daartoe voert appellante aan dat zij in dit formulier 6 specifieke percelen voor volgteelt heeft opgegeven, waarbij voor (een deel van) deze percelen geldt dat daarop tijdig gele mosterd als groenbemester is gezaaid. Verweerder had uit het formulier van de Gecombineerde opgave 2015 als geheel, in onderlinge samenhang bezien, en de bekendheid met de algemene wijze van agrarische bedrijfsvoering, kunnen en moeten afleiden dat het vinkje “vrijgesteld van het hebben van 5% ecologisch aandachtsgebied” onjuist was geplaatst. Anders dan verweerder, is appellante van mening dat de enkele aanwezigheid van een volgteelt met een voor ecologisch aandachtsgebied voorgeschreven gewas (gele mosterd), leidt tot de conclusie dat sprake is dan wel moet zijn van een ecologisch aandachtsgebied. De kosten van een dergelijke volgteelt wegen immers niet op tegen de baten. Alleen met het verkrijgen van een vergroeningsvergoeding komt een landbouwer uit deze kosten. Gelet op het gebruik van (weer) een nieuw formulier bij de Gecombineerde opgave met mogelijke, voor verweerder nog onbekende, onduidelijkheden voor landbouwers, is de conclusie gerechtvaardigd dat sprake is van een kennelijke fout. Zo niet, dan had verweerder op zijn minst navraag moeten doen bij de aanvrager om zijn bedoelingen te achterhalen – en alsnog de volledige vergroeningsvergoeding moeten uitbetalen – of hem op grond van het aanvraagformulier actief (en tijdig) in de gelegenheid moeten stellen om de aanvraag aan te passen. Dit klemt te meer, nu het digitale systeem van verweerder in 2015 nog geen controlemogelijkheid kende en het daarom niet mogelijk was om bij het invullen van het formulier van de Gecombineerde opgave na te gaan of aan alle geldende voorwaarden was voldaan.

3 In vaste jurisprudentie heeft het College de benadering van verweerder aanvaard dat hij bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen het werkdocument hanteert. Het College heeft dat werkdocument zo uitgelegd en samengevat dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken als verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag kan vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave is van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juni 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BU3161). Het College ziet geen aanleiding hierover in het kader van Verordening 809/2014 anders te oordelen (zie de uitspraak van 8 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:231).

4.1

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een kennelijke fout. De door appellante ingediende Gecombineerde opgave 2015 bevat geen innerlijke strijdigheden die na summier onderzoek hadden moeten opvallen. In dit verband is van belang dat appellante heeft aangekruist te zijn vrijgesteld van het hebben van 5% ecologisch aandachtsgebied en dat zij blijkens de Samenvatting Grondgebonden Subsidies in de Gecombineerde opgave 2015 geen percelen heeft opgegeven voor ecologisch aandachtsgebied. Het feit dat in het “Overzicht ingevulde gegevens Gecombineerde opgave: Regelingen grondgebonden” bij de percelen 9, 14, 16, 20, 22 en 24 niet is aangevinkt dat sprake is van ecologisch aandachtsgebied, sluit hierbij aan.

Het betoog van appellante dat de kosten van het inzaaien van gele mosterd niet opwegen tegen de baten – en dat het daarom duidelijk had moeten zijn dat zij de percelen had willen inrichten voor het ecologisch aandachtsgebied –, leidt niet tot een ander oordeel. Het is niet de taak van verweerder zich te verdiepen in de motieven van een aanvrager (vergelijk de uitspraak van 7 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:260). Bovendien heeft verweerder ter zitting toegelicht dat gele mosterd, een gewas dat de grond snel bedekt, ook als groenbemester kan worden gebruikt om bijvoorbeeld onkruid te voorkomen. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder appellante in de gelegenheid had moeten stellen om de aanvraag overeenkomstig haar bedoelingen aan te passen.

4.2

Voor zover appellante met haar betoog dat de toegepaste korting op de vergroeningsoppervlakte in geen enkele verhouding staat tot de fout die zij bij het invullen van de Gecombineerde opgave 2015 heeft gedaan, een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. Zoals hiervoor is overwogen, is verweerder gehouden het verzoek om de aanvraag te wijzigen af te wijzen, omdat dat te laat was ingediend. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Lubberdink, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

w.g. H.G. Lubberdink w.g. C.E.C.M. van Roosmalen