Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:128

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
17/1506
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 17/1506

11350

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2018 in de zaak tussen

  1. Stichting Bont voor Dieren, te Amsterdam en

  2. Stichting Animal Rights te Arnhem, tezamen appellanten

(gemachtigde: mr. M. van Duijn),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te [plaats] ( [naam] ).

Procesverloop

Bij brief van 2 december 2016 hebben appellanten verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen [naam] wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd).

Bij brief van 15 december 2016 hebben appellanten beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek.

Bij besluit van 26 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om het verzoek om handhaving van appellanten af te wijzen.

Bij uitspraak van 21 juni 2017 (zaaknummer 16/1227, niet gepubliceerd) heeft het College het beroep van appellanten, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om handhaving, niet-ontvankelijk verklaard. Het College heeft het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2017, ter behandeling als bezwaar naar verweerder verwezen.

Bij besluit van 6 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018.

Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voor appellanten zijn tevens verschenen R.A. Molenaar en N.M. van Gemert. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn tevens verschenen

E.M. van Nes, T.F.A. Geurtsen en J. de Rouw. [naam] heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Bij brief van 2 december 2016 hebben appellanten verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen [naam] wegens overtreding van de Wet dieren en het Bhd. In de visie van appellanten is er sprake van misstanden bij het fokken van nertsen bij het bedrijf van [naam] . Volgens appellanten worden de verblijfsruimten van de nertsen bij [naam] niet of nauwelijks schoongemaakt en worden gewonde dieren in hun hokken aan hun lot overgelaten. Bij het verzoek om handhaving hebben appellanten enkele afbeeldingen gevoegd van digitale video-opnames die volgens appellanten zijn gemaakt bij het bedrijf van [naam] . Appellanten hebben op een later moment de opnames toegezonden aan verweerder.

1.3

Op 9 december 2016 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd bij [naam] . De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouders neergelegd in een inspectierapport van

23 december 2016 (inspectierapport 1). Uit inspectierapport 1 blijkt, voor zover hier van belang en samengevat weergegeven, dat de toezichthouders één overtreding van het Bhd hebben vastgesteld. Ten tijde van de controle waren in het bedrijf van [naam] tien compartimenten aanwezig met plateau’s als verrijkingsobjecten, waarvan de bevestiging was gebroken. Hierdoor staken er ijzerdraadjes in het hok uit waaraan de dieren zich kunnen verwonden. De in het verzoek om handhaving gestelde overtredingen van de Wet dieren of het Bhd zijn door de toezichthouders op 9 december 2016 niet geconstateerd.

1.4

Op 22 december 2016 hebben twee toezichthouders van de NVWA nogmaals een controle uitgevoerd bij [naam] . Bij deze controle was ook een toezichthoudend dierenarts aanwezig. De bevindingen van deze controle zijn door de toezichthouders neergelegd in een tweede inspectierapport van 23 december 2016 (inspectierapport 2). Uit inspectierapport 2 blijkt dat bij de controle op 22 december 2016 geen overtredingen van de Wet dieren of het Bhd zijn geconstateerd.

1.5

Bij brief van 17 januari 2017 heeft verweerder appellanten bericht dat tijdens de controle op 9 december 2016 een overtreding van het bepaalde in artikel 1.8, tweede lid, van het Bhd is geconstateerd. Verweerder heeft gelet op het Interventiebeleid van de NVWA volstaan met een zogeheten herstelbrief aan [naam] . Bij besluit van 26 januari 2017 heeft verweerder het door appellanten ingediende verzoek om handhaving afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat bij de inspecties op

9 december 2016 en 22 december 2016 geen van de door appellanten gestelde overtredingen is vastgesteld. Ten aanzien van het door appellanten aangeleverde beeldmateriaal heeft verweerder gesteld dat het beeldmateriaal op zichzelf geen grond kan zijn voor handhavend optreden.

3.1

Appellanten voeren – samengevat weergegeven - aan dat verweerder ten onrechte het door appellanten aangeleverde beeldmateriaal niet heeft betrokken bij het bestreden besluit. Op basis van dat beeldmateriaal had verweerder handhavend moeten optreden tegen [naam] wegens overtreding van de Wet dieren en het Bhd, aldus appellanten.

3.2

Verweerder voert aan dat naar aanleiding van het verzoek om handhaving meerdere controles hebben plaatsgevonden en dat deze controles geen aanleiding hebben gegeven tot handhavend optreden. Het beeldmateriaal op zichzelf kan volgens verweerder geen grond zijn voor handhavend optreden, omdat het beeldmateriaal niet is vastgelegd door een deskundige medewerker van het bevoegd gezag, noch door een ter zake deskundig persoon in opdracht van het bevoegd gezag, noch door een ter zake deskundig persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen.

4.1

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten om af te zien van handhavend optreden tegen [naam] naar aanleiding van de door appellanten gestelde overtredingen van de Wet dieren en het Bhd. In dat kader zijn partijen met name verdeeld over de vraag of verweerder gehouden was om het door appellanten toegezonden beeldmateriaal te betrekken bij het te nemen besluit op het verzoek om handhaving. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

4.2.1

Het College stelt voorop dat het aan het bevoegd gezag is toezicht te houden op de naleving van regelgeving en handhavend op te treden ingeval van overtreding. Door een belanghebbende kan aan het bevoegd gezag worden gevraagd om handhavend op te treden jegens een derde. Het ligt in dat geval op de weg van die belanghebbende om het bevoegd gezag enig aanknopingspunt te bieden voor onderzoek naar de vraag of de derde tegen wie handhavend optreden gevraagd wordt een overtreding begaat of heeft begaan. Het is dan aan het bevoegd gezag om te onderzoeken of sprake is van een overtreding.

4.2.2

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat aan een handhavingsbesluit, indien daartoe wordt besloten, een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat sprake is van een overtreding. Daarbij dient de waarneming van feiten en omstandigheden die moeten leiden tot een handhavingsbesluit te zijn gedaan door een ter zake kundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake kundig persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake kundig persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening neemt. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd.

4.3

In dit geval heeft appellante haar verzoek tot handhavend optreden onderbouwd met beeldmateriaal dat zij naar zij stelt met verborgen camera’s bij het bedrijf van [naam] heeft opgenomen. Verweerder kan worden gevolgd in zijn stelling dat in beginsel niet kan worden overgegaan tot handhavend optreden louter op grond van zulk beeldmateriaal, nu niet kan worden vastgesteld dat het voldoet aan de in 4.2.2 genoemde criteria. Dat neemt niet weg dat verweerder het beeldmateriaal wel dient te beoordelen om te bepalen of het voldoende aanknopingspunten biedt om onderzoek in te stellen naar een eventuele overtreding door [naam] . Verder kan het beeldmateriaal, naast de bevindingen uit dat onderzoek, worden betrokken bij de voorbereiding van een besluit op een verzoek om handhaving. Daaruit volgt dat verweerder op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding gehouden was om het door appellanten toegezonden beeldmateriaal te bekijken en te beoordelen. Voorts had verweerder zijn bevindingen ten aanzien van het beeldmateriaal op een duidelijke en kenbare wijze dienen vast te leggen om inzichtelijk te maken op welke wijze het beeldmateriaal is betrokken bij het besluit tot (in dit geval) afwijzing van het verzoek om handhaving. Uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding had het op de weg van verweerder gelegen om op enig moment het beeldmateriaal ook aan [naam] voor te houden zodat ook haar reactie kon worden betrokken bij het besluit.

4.4

Het College stelt vast dat uit het bestreden besluit, het primaire besluit en de overige stukken die in geding zijn gebracht niet blijkt dat het beeldmateriaal door verweerder is bekeken, door wie de beelden zijn bekeken, welke feiten en omstandigheden zijn waargenomen op de beelden, dat het beeldmateriaal aan [naam] is voorgehouden en op welke wijze het beeldmateriaal betrokken is bij het bestreden besluit. Het voorgaande leidt het College tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en niet berust op een deugdelijke motivering als vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dat verweerder ter zitting nog heeft verklaard dat het beeldmateriaal voorafgaand aan het bestreden besluit wel degelijk is bekeken en beoordeeld, maar dat dit wellicht niet duidelijk is opgeschreven, doet hier niet aan af. Appellanten is immers de gelegenheid ontnomen om kennis te nemen van de beoordeling door verweerder en om zich daarover uit te laten.

5. Voor zover appellanten nog hebben betoogd dat [naam] voor vergelijkbare feiten een boete heeft gekregen en deze boete betrokken had moeten worden bij het bestreden besluit, overweegt het College dat door partijen geen bewijsstukken ter zake zijn overgelegd. Daar komt bij dat appellanten ter zitting hebben toegelicht dat deze boete enkele maanden na het bestreden besluit is opgelegd. Het College kan dan ook niet beoordelen of en in welke zin verweerder de boete in dit geval had moeten betrekken bij het bestreden besluit.

Conclusie

6. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en dit besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het College ziet gelet op de aard van de gebreken aanleiding om verweerder opdracht te geven een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van 6 weken.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1503,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellanten te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van

€ 1503,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. W.E. Doolaard en mr. J.L. Verbeek in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. E. van Kampen