Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:125

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
17/227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Gerede twijfel over de juistheid opgave inschrijving eensmanszaak. Artikel 5, tweede lid, onder e, van het Handelsregisterbesluit 2008. Kamer van Koophandel teruggekomen van eerdere beslissing op bezwaar op grond van overgelegd civiel vonnis in kort geding. Schending zorgvuldigheidsbeginsel. Artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: AWB 17/227

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[naam 1] te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. J.F.M. Verheij),

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 2] te [plaats 2]

(gemachtigde: mr. A.A. Aartse Tuijn).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2016 (primair besluit 1) heeft verweerster beslist tot inschrijving van de opgave van derde-partij tot diens uittreding als vennoot van vennootschap onder firma [naam 3] (de vof). Bij besluit van dezelfde datum (primair besluit 2) heeft verweerster beslist tot inschrijving van de opgave van derde partij tot de inschrijving van een eenmanszaak met de handelsnaam ‘ [naam 4] ’ (de eenmanszaak).

Bij besluit van 19 december 2016 heeft verweerster het bezwaar van derde-partij tegen deze primaire besluiten gegrond verklaard. Verweerster heeft daarbij deze besluiten herroepen en beslist dat de eenmanszaak wordt uitgeschreven met ingang van 7 juli 2016 en dat per 8 juli 2016 wordt ingeschreven de vof in liquidatie met als vennoten appellant en derde-partij.

Bij besluit van 13 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster de beslissing op bezwaar van 19 december 2016 op verzoek van derde-partij ingetrokken en het bezwaar tegen de primaire besluiten alsnog ongegrond verklaard. De inschrijving van de eenmanszaak is hersteld.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Derde-partij heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

De vof staat met ingang van 3 december 2013 ingeschreven in het handelsregister met als vennoten appellant en derde-partij. De vof exploiteert een onderneming (restaurant) onder de handelsnaam ‘ [naam 4] ’.

1.3

Op 7 juli 2016 heeft derde-partij opgave gedaan bij verweerster van zijn uittreding als vennoot van de vof. Tevens heeft derde-partij opgave gedaan van de inschrijving van een eenmanszaak met de handelsnaam ‘ [naam 4] ’.

1.4

Bij primair besluit 1 heeft verweerster beslist tot inschrijving van de opgave van derde partij tot uittreding als vennoot van de vof. Bij primair besluit 2 heeft verweerster beslist tot inschrijving van de opgave van derde partij tot de inschrijving van de eenmanszaak.

1.5

Op 18 juli 2016 heeft derde-partij opgave gedaan van zijn herintreding als vennoot van de vof per 7 juli 2016. Verweerster heeft deze opgave gekwalificeerd als een bezwaarschrift gericht tegen de primaire besluiten. Derde-partij heeft bij brief van 29 juli 2016 te kennen gegeven dat zijn opgave van 18 juli 2016 inderdaad als bezwaar moest worden opgevat. Derde-partij heeft daarbij aangegeven dat hij geen inschrijving van de eenmanszaak in het handelsregister onder een nieuw nummer wil, maar dat hij de inschrijving onder het bestaande nummer wil handhaven, maar dan als eenmanszaak.

1.6

Bij besluit van 19 december 2016 heeft verweerster het bezwaar van derde-partij gegrond verklaard. Verweerster heeft daarbij de primaire besluiten herroepen en beslist dat de eenmanszaak wordt uitgeschreven met ingang van 7 juli 2016 en dat per 8 juli 2016 wordt ingeschreven de vof in liquidatie met als vennoten appellant en derde-partij.

1.7

Op 6 januari 2017 heeft derde-partij verweerster verzocht de inschrijving als eenmanszaak te herstellen. Verweerster heeft het verzoek van appellant opgevat als een verzoek om de beslissing op bezwaar van 19 december 2016 te herzien. Als bijlage bij het verzoek is een vonnis in kort geding van de Rechtbank Noord-Holland van 3 januari 2017 in zaaknummer C/15/251477/KG ZA 16-912 (vonnis in kort geding) opgenomen. Bij dit vonnis in kort geding heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang en samengevat weergegeven, de vordering van appellant om hem de bevoegdheid te verlenen om met uitsluiting van derde-partij het restaurant [naam 4] voor eigen rekening te kunnen voortzetten totdat hieromtrent door de bodemrechter is beslist, afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant niet de meest gerede partij is om met uitsluiting van derde-partij de bedrijfsvoering van het restaurant voort te zetten.

2.1

Bij het bestreden besluit van 13 januari 2017 heeft verweerster de beslissing op bezwaar van 19 december 2016 ingetrokken en de bezwaren alsnog ongegrond verklaard en de inschrijving van de eenmanszaak is daarbij hersteld. Verweerster heeft hieraan ten grondslag gelegd dat door het vonnis in kort geding duidelijk is geworden dat de onderneming door derde-partij wordt gedreven vanuit de eenmanszaak. Verweerster heeft daarbij, maar bij afzonderlijke beslissing, ambtshalve besloten tot uitschrijving van de vof onder vermelding dat de onderneming wordt gedreven vanuit de eenmanszaak. Appellant heeft tegen het ambtshalve besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 april 2017 heeft verweerster dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar is door appellant eveneens beroep ingesteld bij het College (zaaknummer AWB 17/857).

3.1

Appellant voert in beroep aan dat hij door verweerster ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van het verzoek van derde-partij van 6 januari 2017 en het daarbij gevoegde vonnis in kort geding.

3.2

Verweerster stelt zich op het standpunt dat appellant weliswaar ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken ten aanzien van het verzoek van 6 januari 2017 en het daarbij gevoegde vonnis in kort geding, maar dat dit geen afbreuk doet aan de juistheid van de conclusie dat de onderneming door derde-partij wordt gedreven vanuit de eenmanszaak en dat de inschrijving van de eenmanszaak in het handelsregister terecht is hersteld.

4.1

Naar het oordeel van het College brengt de verplichting tot zorgvuldige voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met zich dat verweerster appellant in kennis had moeten stellen van het verzoek van 6 januari 2017 van derde-partij en dat verweerster appellant in de gelegenheid had moeten stellen om een zienswijze in te dienen alvorens op het verzoek te beslissen. Appellant was immers belanghebbende bij het te nemen besluit en was op 27 oktober 2016 gehoord naar aanleiding van de bezwaren van derde-partij tegen de primaire besluiten, welke bezwaren bij besluit van 19 december 2016 gegrond zijn verklaard. Het verzoek van derde-partij om terug te komen van dit besluit, waarbij was verwezen naar het vonnis in kort geding, had voor verweerster aanleiding moeten zijn appellant in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze te geven. Het bestreden besluit is op deze grond in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. Dat appellant in de bezwaarprocedure die heeft geleid tot de beslissing op bezwaar van 19 december 2016 wel is gehoord, leidt het College niet tot een ander oordeel. Het vonnis in kort geding was immers voor derde-partij de reden om zijn verzoek te doen en voor verweerster van doorslaggevende betekenis om terug te komen van de beslissing op bezwaar van 19 december 2016. Verweerster heeft appellant derhalve de kans ontnomen om zich over de inhoud van het vonnis in kort geding in relatie tot de opgave tot wijziging van de inschrijving in het handelsregister uit te laten.

4.2

Het beroep is in zoverre gegrond. Nu appellant in beroep de gelegenheid heeft gehad om te reageren op alle stukken en hij voorts de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt nader toe te lichten en appellant hier ook gebruik van heeft gemaakt, zal het College onderzoeken of er aanleiding is met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

5. De Handelsregisterwet 2007 bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Artikel 5

In het handelsregister worden de volgende ondernemingen ingeschreven:

a. een onderneming die in Nederland is gevestigd en die toebehoort aan een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een maatschap, een rederij, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij, een vereniging, een stichting, een kerkgenootschap of een publiekrechtelijke rechtspersoon;

(…)”

Het Handelsregisterbesluit 2008 bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

Artikel 5

  1. De Kamer weigert om tot inschrijving over te gaan indien zij er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van een tot opgave bevoegd persoon.

  2. De Kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien:

a. de opgave strijdig is met een wettelijk voorschrift, het recht, de openbare orde of de goede zeden;

b. de opgave innerlijk strijdig of onvolledig is;

c. de opgave strijdig is met de reeds over de onderneming of rechtspersoon opgenomen gegevens;

d. de opgave strijdig is met gegevens uit een ander basisregister;

e. de Kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.”

6.1

Appellant voert aan dat de vof in liquidatie verkeert en dat de ontbonden gemeenschap van de vof moet worden verdeeld. Dat in afwachting daarvan derde-partij de bedrijfsvoering van het restaurant voortzet, maakt niet dat de onderneming niet langer toebehoort aan de vof en in de in de eenmanszaak van derde-partij mag worden voortgezet, aldus appellant.

6.2

Verweerster stelt zich op het standpunt dat uit het vonnis in kort geding blijkt dat de voorzieningenrechter in voorlopig oordeel heeft vastgesteld dat de onderneming feitelijk (sinds juli 2016) wordt gedreven door derde-partij en dat derde-partij hier in ieder geval toe gerechtigd is totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. De onderneming wordt dan ook gedreven vanuit de eenmanszaak en er is volgens verweerster geen sprake meer van gerede twijfel over de juistheid van de opgave tot inschrijving van de eenmanszaak.

7.1

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat naar aanleiding van het vonnis in kort geding in redelijkheid geen grond meer bestaat voor gerede twijfel over de juistheid van de opgave tot inschrijving van de eenmanszaak, omdat de onderneming niet langer toebehoort aan de vof maar aan de eenmanszaak.

7.2

Het vonnis in kort geding luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“4.2 Tussen partijen is in geschil wat de juridische status van de vennootschap is. Volgens Jarjara zijn beiden nog vennoot in de vennootschap. [naam 2] is van mening dat met zijn uittreding op 6 juli 2016, de vennootschap van rechtswege is ontbonden en in liquidatie verkeert.

4.3

Ongeacht de status van de vennootschap, kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden vastgesteld dat op enig moment de afwikkeling van het vermogen van de vennootschap dient plaats te vinden. Op dit moment is de verhouding tussen partijen immers dusdanig verstoord, dat verdere samenwerking niet mogelijk lijkt. In dat kader speelt wie van partijen de meest gerede partij is om de onderneming voort te zetten. Een en ander dient in een eventueel te voeren bodemprocedure aan de orde te komen. Hierop vooruitlopend ziet de voorzieningenrechter thans geen aanleiding de door [naam 1] gevorderde voorlopige ordemaatregel te nemen.

4.4.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is [naam 1] immers niet de meest gerede partij om met uitsluiting van [naam 2] voorlopig de bedrijfsvoering van het restaurant [naam 4] voort te zetten”

7.3

Het College stelt vast dat uit het vonnis in kort geding blijkt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de vraag wie de meest gerede partij is om de onderneming voort te zetten in een eventueel te voeren bodemprocedure aan de orde dient te komen. Anders dan door verweerster is gesteld, blijkt uit het vonnis in kort geding niet dat de onderneming toebehoort aan de eenmanszaak. Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat appellant niet de meest gerede partij is om met uitsluiting van derde-partij voorlopig – waaronder het College verstaat: in afwachting van de uitkomst van een eventueel te voeren bodemprocedure - de bedrijfsvoering van het restaurant voort te zetten, maakt niet dat de onderneming niet langer toebehoort aan de vof en dat de onderneming door derde-partij in de eenmanszaak wordt voortgezet. Het College stelt vast dat er thans nog geen bodemprocedure heeft plaatsgevonden en dat ook niet op andere wijze een verdeling van de gemeenschap van de vof heeft plaatsgevonden. Door wie de onderneming uiteindelijk zal worden voortgezet is dus nog niet duidelijk. Naar het oordeel van het College heeft verweerster zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat na het vonnis in kort geding geen sprake meer is van gerede twijfel over de juistheid van de opgave tot inschrijving van de eenmanszaak. Er bestond voor verweerster dan ook op dit punt geen aanleiding om terug te komen van de beslissing op bezwaar van 19 december 2016. Het door de gemachtigde van verweerster ter zitting ingenomen standpunt dat het inschrijven van de vof in liquidatie met als vennoten appellant en derde-partij geen recht doet aan de feitelijke situatie en dat (ook) gerede twijfel over de juistheid van deze inschrijving bestaat, maakt dit niet anders. De feitelijke situatie betreft immers alleen de omstandigheid dat derde-partij de facto de bedrijfsvoering van de onderneming voert. Zij brengt niet met zich dat de onderneming niet langer toebehoort aan de vof, maar aan derde-partij. In het vonnis in kort geding kan dit ook niet worden gelezen. Voor de toepassing van artikel 5, aanhef en onder a, van de Handelsregisterwet 2007 is bij de inschrijving van een onderneming juist van belang aan wie de onderneming toebehoort.

8. Het beroep is gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen. Gelet hierop herleeft de beslissing op bezwaar van 19 december 2016 waarin het bezwaar van derde-partij gegrond is verklaard.

9. Het College veroordeelt verweerster in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Het onderhavige beroep en het beroep in zaaknummer AWB 17/857 worden beschouwd als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit

  • -

    draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts in aanwezigheid van mr. E. van Kampen griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. E. van Kampen