Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:122

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
16/1226
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB; jonge landbouwer; blokkerende zeggenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 16/1226

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. H.J.M. Jansen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Janmaat).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om extra betaling jonge landbouwers voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 7 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2018. Appellant en zijn gemachtigde zijn, zoals van te voren aangekondigd, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De maatschap [naam 2] exploiteert een landbouwbedrijf en bestaat uit twee maten, namelijk appellant en zijn vader. Het geschil draait om de vraag of de maatschap – als gevolg van de toetreding van appellant – in aanmerking komt voor extra betaling jonge landbouwers omdat hij kan worden aangemerkt als jonge landbouwer. Volgens verweerder heeft de als jonge landbouwer opgegeven persoon in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 mei 2015 niet beschikt over de vereiste blokkerende zeggenschap.

2 Appellant betoogt dat hij voldoet aan het criterium ‘daadwerkelijke langdurige zeggenschap over de rechtspersoon wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico’s worden genomen’, als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder b, van de Verordening 639/2014. Hij voert daartoe aan dat hij onbeperkt bevoegd is om volledig zelfstandig namens de maatschap te handelen en ondernemings- en investeringsbeslissingen te nemen. Het criterium in artikel 5, eerste lid, onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel) dat van een dergelijke daadwerkelijke langdurige zeggenschap van een jonge landbouwer sprake is als deze tenminste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemersbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,- is volgens appellant niet limitatief bedoeld. Hij wijst daartoe onder meer op de toelichting op dit artikel. De limitatieve uitleg van verweerder van artikel 5, eerste lid, onder a, van de Beleidsregel is volgens appellant onredelijk en strijdig met de Verordeningen waaraan die Beleidsregel uitvoering geeft. Subsidiair voert appellant aan dat de gevolgen van die uitleg zodanig zijn dat verweerder gehouden was om van de Beleidsregel af te wijken.

3 Onder jonge landbouwers wordt in artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013, voor zover hier van belang, verstaan natuurlijke personen die, ten tijde hier van belang, voor het eerst als bedrijfshoofd een landbouwbedrijf oprichten of die al zo'n bedrijf opgericht hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling. De toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers is geregeld in de artikelen 50 en 49 van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014). Een van de eisen om als jonge landbouwer te kunnen worden aangemerkt, is – kort gezegd – dat deze daadwerkelijk, langdurige zeggenschap over het bedrijf moet kunnen uitoefenen tijdens elk jaar van de door het bedrijf ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers (artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014).

4 De Uitvoeringsregeling strekt tot uitvoering van Verordening 1307/2013 en de daarop gebaseerde Verordening 639/2014 (zie artikel 1.2 van de Uitvoeringsregeling). Onder jonge landbouwers moet in de Uitvoeringsregeling hetzelfde worden verstaan als aangegeven in de hiervoor weergegeven bepalingen van Verordening 1307/2013 en Verordening 639/2014. In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel, voor zover hier van belang, is bepaald dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 sprake is indien de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-.

5 Zoals het College in de uitspraak van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:340) heeft overwogen, vormt artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel een precisering van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 en treedt deze niet buiten de grenzen van laatstgenoemde bepaling. Meer in het bijzonder heeft het College in die uitspraak overwogen dat het geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de uitleg van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014, inhoudende dat voor het uitoefenen van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap onvoldoende is dat de jonge landbouwer een niet-blokkerende stem heeft in de besluitvorming, maar dat niet kan worden vereist dat deze moet kunnen bewerkstellingen dat een bepaald besluit genomen wordt. Het College heeft in die uitspraak vervolgens overwogen dat met die uitleg in lijn is het in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel neergelegde vereiste dat de jonge landbouwer ten minste een blokkerende zeggenschap heeft, omdat daarmee wordt bedoeld dat de jonge landbouwer een besluit op enig moment moet kunnen tegenhouden.
Gelet hierop ziet het College geen grond voor het oordeel dat artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel strijdt met Verordening 639/2014.

6 Appellant is op 1 januari 2012 toegetreden tot de maatschap. In de bezwaarfase heeft appellant een aanvulling van de maatschapsakte van 15 mei 2015 overgelegd, die volgens de aanvulling is gaan gelden per 1 januari 2015. Verweerder gaat bij zijn beoordeling uit van deze laatste aanvulling van de maatschapsakte.
In artikel 1, tweede lid, van de aldus aangevulde akte zijn beide maten onbeperkt bevoegd om voor de maatschap te handelen en deze te verbinden.

Dit betekent, voor zover hier van belang, dat de vader ondernemingsbeslissingen kan nemen, zonder dat de zoon dit kan tegenhouden. Uit de maatschapsakte blijkt dus niet dat de zoon blokkerende zeggenschap heeft.

7 Het betoog van appellant dat van daadwerkelijke langdurige zeggenschap als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014 eveneens sprake is als de jonge landbouwer onbeperkt bevoegd is om namens de maatschap te handelen en deze te binden, maar geen vetorecht toekomt ten aanzien van beslissingen van andere maten, kan gelet op hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen, niet slagen.
Het beroep van appellant in dit verband op de toelichting op artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel, waar staat dat aan het criterium daadwerkelijke langdurige zeggenschap ook wordt voldaan in het geval waarin “de jonge landbouwer bij uitsluiting van de andere – niet jonge landbouwers – bevoegd is alle beslissingen te nemen”, leidt niet tot een ander oordeel. Met de bedoelde passage wordt kennelijk gedoeld op de situatie waarin de jonge landbouwer als enige bevoegd is om bedrijfsbeslissingen te nemen. In gevallen waarin de andere landbouwers niet bevoegd zijn tot het nemen van dergelijke beslissingen, is de eis dat de jonge landbouwer besluiten moet kunnen tegenhouden immers niet aan de orde. Het betoog slaagt dan ook niet.

8 Voor zover appellant een beroep doet op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), door te stellen dat verweerder in het geval van appellant af had moeten wijken van zijn beleid, overweegt het College als volgt.

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan in beginsel overeenkomstig de beleidsregels. Dat is slechts anders indien dit voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het College stelt voorop dat het inherent aan beleidsregels is dat in enige mate geabstraheerd wordt van individuele omstandigheden. Niet onderbouwd is dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Er wordt alleen verwezen naar de omstandigheid dat het gevolg van de toepassing van het beleid is dat appellant geen extra betaling jonge landbouwers ontvangt. Dat is op zich geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Het beroep op dit artikel slaagt daarom niet.

9 Gelet op het voorgaande is het College met verweerder van oordeel dat niet is aangetoond dat de zoon in de periode voorafgaand aan de indiening van de aanvraag blokkerende zeggenschap had. Verweerder heeft dan ook terecht de aanvraag om de extra betaling voor jonge landbouwers voor 2015 afgewezen.

10 Het beroep is ongegrond.

11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.

w.g. R.W.L. Koopmans w.g. N.T. Zijlstra