Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:118

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
17/1024
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, uitbetaling basisbetaling en vergroeningsbetaling, niet (volledig) voldaan aan de eisen van gewasdiversificatie, blijvend grasland is geen bouwland, verlaging vergroeningsbetaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1024

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , h.o.d.n. Melkveebedrijf [naam 2] , te [plaats] , appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 18 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2018. Appellant is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellant heeft op 17 april 2015 een Gecombineerde opgave 2015 bij verweerder ingediend en hierin verzocht om toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling. Appellant heeft hiervoor onder meer de percelen 2, 3, 5, 23, 26, 27 en 31 opgegeven als tijdelijk grasland.

1.2

Verweerder heeft bij besluit van 31 maart 2016 aan appellant 90,01 betalingsrechten toegewezen. Daarbij is verweerder uitgegaan van 90,01 ha geconstateerde subsidiabele landbouwgrond. Bij besluit van 28 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 maart 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard, dit besluit heroverwogen en aan appellant 91,53 betalingsrechten toegewezen, nadat hij de geconstateerde oppervlakte van de percelen van appellant gewijzigd heeft vastgesteld. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 28 september 2016.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het bedrag dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 vastgesteld op € 40.121,36. Dit bedrag bestaat uit
€ 36.507,16 (in aanmerking genomen oppervlakte 90,01 ha) aan basisbetaling en € 6.710,25 aan vergroeningsbetaling (in aanmerking genomen oppervlakte 38,20 ha), verminderd met enkele kortingen. Aan dit besluit heeft verweerder - voor zover hier van belang - ten grondslag gelegd dat appellant niet (volledig) aan de vergroeningseisen voldoet. Appellant is niet vrijgesteld van de eisen die aan gewasdiversificatie worden gesteld. Hij voldoet niet (volledig) aan de eisen die aan de gewasdiversificatie worden gesteld. Om die reden is de voor uitbetaling van de vergroeningsbetaling in aanmerking te nemen vergroeningsoppervlakte verlaagd met 25,91 ha. Daarbij heeft verweerder, voor zover hier van belang, vastgesteld dat de percelen 2, 3, 5, 23, 26, 27 en 31 niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening ter zake van de gewasdiversificatie, omdat deze percelen zijn geconstateerd als blijvend grasland en blijvend grasland niet kan worden aangemerkt als bouwland. Voor de berekening ter zake van de gewasdiversificatie moet worden uitgegaan van het aantal geconstateerde hectaren bouwland (51,81 ha).

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit gedeeltelijk herroepen. Verweerder heeft geconstateerd dat appellant in 2015 51,87 ha bouwland had. Verweerder heeft uiteengezet dat appellant op minstens 25% van zijn bouwland een ander gewas had moeten telen om te voldoen aan de voorwaarden van gewasdiversificatie, derhalve op minstens 12,9675 ha. Appellant heeft 45,45 ha snijmais geteeld en 6,42 ha poot- en plantuien. Dit betekent dat appellant op 6,55 ha van zijn bouwland teveel snijmais heeft geteeld, waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarden voor gewasdiversificatie. Dit leidt tot een kortingsoppervlakte van 25,94 ha. Verweerder heeft de uitbetaling van de betalingsrechten voor 2015 vastgesteld op € 46.964,82. Dit bedrag bestaat uit € 36.595,52 aan basisbetaling en € 11.358,56 aan vergroeningsbetaling, verminderd met enkele kortingen.
2.1 In artikel 43, eerste lid, van Verordening 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) is bepaald dat landbouwers die recht hebben op een betaling in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling op al hun subsidiabele hectaren in de zin van artikel 32, tweede tot en met vijfde lid, van Verordening 1307/2013, de in het tweede lid van artikel 43 bedoelde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken of de in het derde lid van dit artikel bedoelde gelijkwaardige praktijken in acht nemen. In het tweede lid van artikel 43 van Verordening 1307/2013 is bepaald dat de in het eerste lid van artikel 43 bedoelde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken het volgende inhouden:
a) gewasdiversificatie;

b) het in stand houden van bestaand blijvend grasland; en

c) de aanwezigheid van een ecologisch aandachtsgebied op hun landbouwareaal.

2.2

In de Uitvoeringsregeling is in artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder b, bepaald dat de minister rechtstreekse betalingen verstrekt inzake de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken.

2.3

In artikel 2.13 van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken geschiedt overeenkomstig artikel 43, negende lid, derde alinea, van Verordening 1307/2013.

2.4

Op grond van artikel 43, negende lid, eerste alinea, van Verordening 1307/2013 wordt de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken toegekend aan landbouwers die van de in het eerste lid van artikel 43 genoemde praktijken de voor hen relevante praktijken in acht nemen, en in de mate dat die landbouwers voldoen aan (onder meer) artikel 44 (Gewasdiversificatie) van Verordening 1307/2013. De bedoelde betaling wordt op grond van artikel 43, negende lid, derde alinea, van Verordening 1307/2013 toegekend als een percentage van de totale waarde van de betalingsrechten die de landbouwer overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van Verordening 1307/2013 voor elk betrokken jaar heeft geactiveerd.

2.5

Ter uitvoering van artikel 43, negende lid, derde alinea, van Verordening 1307/2013 is in het Besluit tarieven rechtstreekse betalingen 2015 onder B geregeld dat het percentage, bedoeld in artikel 43, negende lid, derde alinea, van Verordening 1307/2013, het zogenoemde vergroeningspercentage, 43,310 bedraagt.

2.6

In artikel 44, eerste lid, van Verordening 1307/2013 - voor zover hier van belang - is bepaald dat indien het bouwland van de landbouwer meer dan 30 hectaren omvat en een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus niet volledig wordt beteeld met gewassen die onder water staan, op dat bouwland ten minste drie verschillende gewassen worden geteeld. Het hoofdgewas bestrijkt niet meer dan 75% van het bouwland en de twee hoofdgewassen bestrijken samen niet meer dan 95% van het bouwland.
In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat voor de toepassing van dit artikel onder een ‘gewas’ het volgende wordt verstaan:

a. a) teelt van een geslacht dat is opgenomen in de botanische gewassenclassificatie;

b) teelt waarvan de soort behoort tot de Brassicaceae, Solanaceae of Cucurbitaceae;

c) land dat braak ligt;

d) grassen of andere kruidachtige voedergewassen.

Winter- en zomergewassen worden als afzonderlijke gewassen beschouwd, ook al behoren zij tot hetzelfde geslacht.

2.7

Onder ‘bouwland’ wordt volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van Verordening 1307/2013 verstaan: grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt, inclusief grond die overeenkomstig de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening 1257/1999, artikel 39 van Verordening 1698/2005 en artikel 28 van Verordening 1305/2013 is braak gelegd, ongeacht of die grond zich al dan niet onder een kas of onder een vaste of verplaatsbare beschutting bevindt.

2.8

Onder ‘blijvend grasland en blijvend weiland’ (samen ‘blijvend grasland’) wordt volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 verstaan: grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen, alsmede, indien lidstaten daartoe besluiten, begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in weiland.

2.9

In artikel 40, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 (Verordening 639/2014) is bepaald dat voor de berekening van het aandeel van de verschillende gewassen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van Verordening 1307/2013, de in aanmerking te nemen periode het deel van de teeltperiode is dat gezien de nationale traditionele teeltpraktijken het meest relevant is. De lidstaten melden deze periode tijdig aan de landbouwers. Elke hectare van het totale bouwland van het bedrijf wordt slechts eens per aanvraagjaar in aanmerking genomen voor de berekening van het aandeel van de verschillende gewassen.

2.10

In artikel 2.14, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat de voor de gewasdiversificatie in aanmerking te nemen teeltperiode, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van Verordening 639/2014, 15 mei tot en met 15 juli is.

2.11

In artikel 24, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) is bepaald dat, wanneer op grond van artikel 44 van Verordening 1307/2013, waarin is bepaald dat het hoofdgewas niet meer dan 75% van het totale geconstateerde areaal bouwland mag bestrijken, het voor de hoofdgewasgroep geconstateerde areaal meer dan 75% bestrijkt, het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van Verordening 640/2014 wordt berekend, wordt verlaagd met 50% van het totale geconstateerde areaal bouwland vermenigvuldigd met de verschilfactor. De bedoelde verschilfactor is het aandeel van de hoofdgewasgroep dat hoger is dan 75% van het totale geconstateerde bouwland in het totale voor de andere gewasgroepen vereiste areaal.

3. In geschil is de vraag of verweerder terecht de percelen 2, 3, 5, 23, 26, 27 en 31 heeft aangemerkt als blijvend grasland en derhalve terecht heeft geconstateerd dat appellant niet (volledig) heeft voldaan aan de eisen van gewasdiversificatie, op grond waarvan verweerder de vergroeningsbetaling heeft verlaagd.

4. Appellant heeft ter zitting alsnog erkend dat perceel 2 in de jaren 2010 tot en met 2014 blijvend grasland is geweest. Het College zal de gronden van appellant aangaande perceel 2 daarom buiten bespreking laten.

5.
Het Collegestelt ambtshalve vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft besloten op de bezwaren van appellant met betrekking tot perceel 27. Uit het verweerschrift is echter gebleken dat verweerder perceel 27 wel bij zijn heroverweging in bezwaar heeft betrokken en dat hij het in het primaire besluit ingenomen standpunt handhaaft dat perceel 27 als blijvend grasland moet worden aangemerkt. Desgevraagd heeft verweerder dit ook ter zitting bevestigd. Het College zal de gronden van appellant met betrekking tot perceel 27 daarom bij zijn beoordeling betrekken.

6.1

Vast staat dat appellant in zijn Gecombineerde opgave over de jaren 2010 tot en met 2014 de percelen 3, 5, 23 en 27 heeft opgegeven als tijdelijk grasland (gewascode 266). Deze percelen zijn in die jaren ook als zodanig geconstateerd door verweerder. Vervolgens heeft appellant in de Gecombineerde opgave 2015 deze percelen wederom opgegeven als tijdelijk grasland.

6.2

Perceel 26 is volgens verweerder in de jaren 2010, 2011 en 2013 in de Gecombineerde opgave van de rechtsvoorgangers van appellant opgegeven en door verweerder geconstateerd als blijvend grasland. In 2012 is dit perceel niet opgegeven, maar volgens verweerder is uit luchtfoto’s gebleken dat dit perceel ook in dat jaar grasland was. Niet is gebleken dat dit standpunt onjuist is. Appellant heeft in de Gecombineerde opgave 2014 perceel 26 opgegeven als tijdelijk grasland en het is ook als zodanig door verweerder geconstateerd. Vervolgens heeft appellant in de Gecombineerde opgave 2015 dit perceel wederom opgegeven als tijdelijk grasland.

6.3

Met betrekking tot perceel 31 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit perceel in de jaren 2010 tot en met 2014 in de Gecombineerde opgave van de rechtsvoorgangers van appellant is opgegeven en door verweerder is geconstateerd als blijvend grasland. Niet is gebleken dat dit standpunt onjuist is. In de Gecombineerde opgave 2015 heeft appellant perceel 31 opgegeven als tijdelijk grasland.

6.4

Gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 mag verweerder in beginsel ervan uitgaan dat bij een opgave voor het zesde achtereenvolgende jaar van de gewascode tijdelijk grasland, de grond ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen en er derhalve sprake is van blijvend grasland.

6.5

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de percelen 3, 5, 23, 26, 27 en 31 ten onrechte als blijvend grasland (gewascode 265) heeft geconstateerd. Hij heeft met betrekking tot de percelen 3, 5, 23 en 27 ieder jaar bij de Gecombineerde opgave gewascode 266, tijdelijk grasland, gebruikt omdat hij tot 15 mei het gras, dat door hem wordt ingezaaid als vanggewas, maait en oogst. Na 15 mei scheurt en ploegt hij de grond om snijmais te telen. Omdat er tussentijds een ander gewas op de percelen is geteeld, is er volgens appellant sprake van vruchtwisseling op die percelen en kan er daarom geen sprake meer zijn van blijvend grasland. Deze percelen moeten derhalve als bouwland worden aangemerkt en in aanmerking worden genomen bij de berekening van de gewasdiversificatie, aldus appellant. Appellant stelt de percelen 26 en 31 pas sinds ongeveer twee jaar in eigendom te hebben en niet te weten of zijn rechtsvoorgangers deze percelen als tijdelijk of blijvend grasland in gebruik hadden.

6.6

Het betoog van appellant slaagt niet. In het kader van de Gecombineerde opgave dient een landbouwer door middel van een gewascode op te geven welk gewas hij als hoofdteelt teelt of gaat telen op een perceel. Gelet op artikel 2.14, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling is de voor de gewasdiversificatie in aanmerking te nemen teeltperiode 15 mei tot en met 15 juli. Dit betekent dat appellant bij het invullen van de Gecombineerde opgaven de snijmais als hoofdteelt had moeten opgeven. Dit heeft appellant nagelaten. Appellant heeft niet weersproken dat hij, althans zijn rechtsvoorgangers, in de Gecombineerde opgaven over de jaren 2010 tot en met 2014 heeft nagelaten op enigerlei wijze op te geven dat hij op de hier in geding zijnde percelen in hetzelfde jaar zowel snijmais als gras teelde. Ook anderszins heeft appellant niet met concrete feiten zijn stelling onderbouwd dat op de hier in geding zijnde percelen in deze vijf jaren daadwerkelijk een ander gewas, in dit geval snijmais, is ingezaaid, althans daadwerkelijk in die periode activiteiten zijn ondernomen, waardoor het gras van het perceel is verwijderd en die aanwijsbaar gericht zijn geweest op de teelt van een ander gewas dan gras. Uit de door verweerder overgelegde en ter zitting besproken luchtfoto’s blijkt evenmin dat appellant, althans diens rechtsvoorgangers, in voornoemde jaren naast gras daadwerkelijk snijmais heeft, althans hebben geteeld op voornoemde percelen. Verweerder heeft derhalve terecht vastgesteld dat de percelen 2, 3, 5, 23, 26, 27 en 31 ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf zijn opgenomen en heeft deze percelen terecht geconstateerd als blijvend grasland.

6.7

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de percelen 2, 3, 5, 23, 26, 27 en 31 terecht niet zijn meegenomen bij de berekening ter zake van de gewasdiversificatie. Appellant voldoet om die reden niet (volledig) aan de eisen van gewasdiversificatie. Verweerder is daarom terecht overgegaan tot verlaging van de vergroeningsbetaling.


7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. J.A.M. van den Berk en mr. C.M. Wissels, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

w.g. H.L. van der Beek w.g. L.N. Nijhuis