Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:117

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
05-04-2018
Zaaknummer
17/234
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB, vergroeningsbetaling, vrijstelling van de eis van gewasdiversificatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/234

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 16 februari 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 juni 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bedrag dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling gewijzigd vastgesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2018. Appellant is verschenen. Als getuige aan de zijde van appellant is verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op 27 mei 2015 heeft appellant door middel van zijn Gecombineerde Opgave 2015 verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling verzocht om toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling.

1.2

Bij besluit van 14 april 2016 heeft verweerder aan appellant 19,98 betalingsrechten toegewezen. Bij de berekening hiervan is verweerder uitgegaan van 35,68 ha geconstateerde subsidiabele landbouwgrond, waarvan gehuurd met een private overeenkomst 25,63 ha en verhuurd met een private overeenkomst 9,93 ha.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het bedrag dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 vastgesteld op € 7.871,72. Dit bedrag bestaat uit
€ 6.587,35 aan basisbetaling (in aanmerking genomen oppervlakte 35,68 ha) en € 1.426,49 aan vergroeningsbetaling (in aanmerking genomen oppervlakte 17,84 ha), verminderd met enkele kortingen. Aan dit besluit heeft verweerder - voor zover hier van belang - ten grondslag gelegd dat appellant niet (volledig) voldoet aan de vergroeningseisen. Appellant is niet vrijgesteld van de eisen die aan gewasdiversificatie worden gesteld. Hij voldoet niet (volledig) aan de eisen die aan de gewasdiversificatie worden gesteld. Om die reden is zijn voor uitbetaling van betalingsrechten in aanmerking te nemen vergroeningsoppervlakte gekort met 17,84 ha. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

1.4

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bedrag dat appellant ontvangt aan basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling gewijzigd vastgesteld op € 13.402,20. Dit bedrag bestaat uit € 11.231,89 aan basisbetaling (in aanmerking genomen oppervlakte 35,68 ha) en € 2.432,27 aan vergroeningsbetaling (in aanmerking genomen oppervlakte 17,84 ha), verminderd met enkele kortingen. Verweerder heeft in het bestreden besluit II de onder 1.3 vermelde verlaging van de voor uitbetaling van betalingsrechten in aanmerking te nemen vergroeningsoppervlakte gehandhaafd.

2. Het College stelt vast dat appellant tegen het gewijzigde deel van het bestreden besluit II geen beroepsgronden heeft gericht. Omdat met dit besluit echter niet alsnog is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant met betrekking tot de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling, wordt het beroep ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. In zoverre heeft appellant dan ook geen belang meer bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het bestreden besluit I, zodat zijn beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte niet de volledige vergroeningsbetaling heeft toegekend op de grond dat hij niet voldoet aan de eisen voor gewasdiversificatie. De vaststelling van verweerder dat hij zowel in 2014 als 2015, derhalve twee jaar achtereen, hetzelfde gewas (pootaardappelen) heeft geteeld op hetzelfde perceel, berust op het foutief invullen van de Gecombineerde opgave in 2014. Volgens appellant komt hij in aanmerking voor vrijstelling van de eis van gewasdiversificatie. Appellant heeft zijn stelling onderbouwd met aangiftegegevens NAK (Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen) over de oogstjaren 2014 en 2015, gegevens van de Suikerunie over het afnemen van bieten in het jaar 2014 en een factuur van bietenzaad uit het jaar 2014.

4. Op basis van de onder 3. genoemde gegevens heeft verweerder ter zitting verklaard dat appellant alsnog in aanmerking komt voor vrijstelling van de eis van gewasdiversificatie, alsmede dat hij de grondslag van het bestreden besluit II niet handhaaft en het besluit zal herzien. Voorts heeft hij het College verzocht het beroep dientengevolge gegrond te verklaren.

5. Het College stelt vast dat verweerder de onrechtmatigheid van het bestreden besluit II heeft erkend. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit II moet worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding, nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II ;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- bepaalt dat verweerder aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van
€ 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. J.A.M. van den Berk en mr. C.M. Wissels, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

w.g. H.L. van der Beek w.g. L.N. Nijhuis