Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:107

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
16/1223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

GLB 2015 - extra betaling voor jonge landbouwers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] te [plaats] , appellante

(gemachtigde: A. van Herwijnen R.A.)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: L. Anvelink en mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2016 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling), afgewezen.

Bij besluit van 8 november 2016 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Kort voorafgaand aan de zitting heeft verweerder zijn pleitnota naar appellante en het College toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Per 1 januari 2008 exploiteren [naam 2] en [naam 3] een melkveebedrijf in de vorm van een maatschap onder de naam [naam 1] , te [plaats] . Zij hebben daartoe met elkaar de volgende overeenkomsten gesloten: een ‘intentieverklaring maatschap [naam 1] ’ van 31 augustus 2008, een ‘aanvulling maatschapovereenkomst [naam 1] ’ van 31 december 2011 en een ‘bevestiging afspraken voortzetting maatschap [naam 1] ’ van 25 september 2015 (hierna ook: overeenkomsten).

2.1.

In geschil is de weigering door verweerder van de door appellante in de zogenoemde Gecombineerde opgaaf 2015 aangevraagde betaling voor jonge landbouwers, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van Verordening (EU) ) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Appellante meent dat zij voor die betaling in aanmerking komt omdat [naam 3] een jonge landbouwer is. Verweerder heeft de aanvraag voor deze betaling bij het primaire besluit afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de gestelde jonge landbouwer geen daadwerkelijke, langdurige zeggenschap heeft als vereist op grond van artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014), omdat hij de daarvoor vereiste blokkerende zeggenschap ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000 (blokkerende zeggenschap), als vermeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Beleidsregel), niet heeft verkregen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 mei 2015.

2.2.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd op de grond dat de jonge landbouwer, ondanks dat daarbij is teruggekomen van het standpunt in het primaire besluit dat niet is voldaan aan het vereiste van blokkerende zeggenschap, geen daadwerkelijke, langdurige zeggenschap heeft als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014. Hij heeft op grond van de overeenkomsten niet het (eerste) recht om bij beëindiging van de maatschap deze voort te zetten. Naar aanleiding van de uitspraken van het College van 25 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:341 en ECLI:NL:CBB:2017:342, heeft verweerder dit standpunt kort voor de zitting gewijzigd en nieuwe afwijzingsgronden aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd als hierna onder 2.3 vermeld. In verband daarmee heeft hij voorafgaand aan de zitting de pleitnota naar appellante en het College toegezonden.

2.3.

Verweerder stelt zich in beroep op het standpunt dat hij de aanvraag om de extra betaling jonge landbouwers voor het jaar 2015 terecht heeft afgewezen (primair) omdat niet is voldaan aan artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 639/2014, omdat geen sprake is van blokkerende zeggenschap en (subsidiair) omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 50, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013.

3. Het College stelt hiermee vast dat verweerder in beroep de in het bestreden besluit vermelde afwijzingsgrond niet langer heeft gehandhaafd. Het College volgt verweerder niet in zijn andersluidende standpunt, te weten dat in beroep evenals in het bestreden besluit er nog steeds van wordt uitgegaan dat van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap geen sprake is. Verweerder stelt zich immers in beroep, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt dat niet is voldaan aan het vereiste van blokkerende zeggenschap. Het College is van oordeel dat aan een dergelijke wijziging van de motivering van het bestreden besluit kort voor de zitting, als in dit geding aan de orde, niet kan worden voorbijgegaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat appellante daardoor in haar verdediging zou worden geschaad. Het College zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb .

4. Het College ziet geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand blijven en overweegt daartoe als volgt.

4.1.

Verweerder heeft kort voor de zitting de onder 2.3 vermelde afwijzingsgronden aan de afwijzing van de aanvraag extra betaling jonge landbouwers ten grondslag gelegd. Deze afwijzingsgronden zijn door appellante ter zitting van het College gemotiveerd betwist. Het College ziet daarin aanleiding om niet zelf in de zaak te voorzien, maar te bepalen dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit zal moeten beslissen. Het College zal hiervoor een termijn van zes weken stellen.

4.2.

Verweerder zal bij zijn nadere besluitvorming aandacht moeten besteden aan wat appellante ter zitting van het College heeft aangevoerd, als hierna kort weergegeven.

4.2.1.

Appellante stelt dat wel degelijk is voldaan aan het vereiste van blokkerende zeggenschap. Dit blijkt volgens haar onder andere uit de op 25 september 2015 ondertekende ‘bevestiging afspraken voortzetting maatschap [naam 1] ’. De daarin vermelde afspraken zijn blijkens de tekst daarvan in december 2014 overeengekomen en golden dus in heel 2015. In die overeenkomst is vermeld: “- bij alle bedrijfsbeslissingen heeft [naam 3] doorslaggevende zeggenschap”. Doorslaggevende zeggenschap in deze overeenkomst is volgens appellante hetzelfde als het begrip blokkerende zeggenschap in de van toepassing zijnde regelgeving. De blokkerende zeggenschap blijkt volgens appellante ook uit de zich in het dossier bevindende e-mails van december 2014 waarin beide maten met elkaar afspraken maken die erop zijn gericht dat [naam 3] de maatschap over zal nemen. Hoewel appellante erkent dat in die e-mails niets is vermeld over blokkerende zeggenschap, blijkt daaruit volgens haar wel dat de intentie daartoe aanwezig was. De blokkerende zeggenschap is volgens appellante inmiddels ook geregistreerd in het Handelsregister.

4.2.2.

Appellante stelt dat in 1 januari 2008 nog geen sprake was van blokkerende zeggenschap. De blokkerende zeggenschap is voor het eerst in december 2014 overeengekomen als hiervoor vermeld. Zij betwist daarmee het (subsidiaire) standpunt van verweerder dat indien wordt geoordeeld dat doorslaggevende zeggenschap hetzelfde is als blokkerende zeggenschap, deze reeds door [naam 3] in 2008 zou zijn verkregen.

5. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Voor veroordeling van verweerder in de door appellante in bezwaar gemaakte proceskosten ziet het College geen aanleiding omdat het bestreden besluit niet wordt herroepen als genoemd in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018.

w.g. T. Pavićević w.g. J.W.E. Pinckaers