Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2018:105

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
16/946
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

GLB; art. 21 Verordening 639/2014; alleen aanvraag verpachter, geen aanvraag pachter; art. 5 verordening 641/2014

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/946

5111

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2018 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante betalingsrechten toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 9 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. Namens appellante is verschenen [naam 3] , een van haar vennoten, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante is actieve landbouwer. In 2015 heeft zij twee percelen (totaal 7,09 ha) verhuurd aan [naam 4] ( [naam 4] ). Ook [naam 4] is een actieve landbouwer.

1.2

Appellante en [naam 4] hebben met gebruikmaking van een door verweerder ter beschikking gesteld format een private overeenkomst gesloten. Daaruit blijkt, voor zover hier van belang, dat appellante als vervreemder op 15 mei 2015 de referentiewaarde (inclusief betalingsrechten) door middel van verhuur overdraagt aan [naam 4] als verwerver. Voorts volgt uit deze overeenkomst dat appellante de percelen nr. 23 en nr. 24 aan [naam 4] heeft verhuurd.

1.3

In haar Gecombineerde opgave 2015 heeft appellante, voor zover hier van belang, het volgende opgegeven:

“Private overeenkomst

(…)

Ik heb de referentiewaarde 2014 (inclusief betalingsrechten) verkocht of verhuurd met een private overeenkomst. Geef per private overeenkomst de oppervlakte op die is overgedragen en de gegevens van de verwerver.

Ik wil dat de bij deze private overeenkomst(en) betrokken betalingsrechten op basis van mijn referentiewaarde 2014 worden vastgesteld, en aansluitend overgedragen.

Ha relatienummer Naam verwerver Soort

7,09 (…) WFJ [naam 4] verhuur

(…)”

1.4

[naam 4] heeft verzuimd de betreffende private overeenkomst in zijn Gecombineerde opgave 2015 op te geven.

1.5

Verweerder heeft aan appellante 38,91 betalingsrechten toegewezen. Verweerder heeft bij de toewijzing daarvan geen rekening gehouden met de private overeenkomst met [naam 4] .

2. In geschil is of verweerder bij de toewijzing van betalingsrechten slechts rekening kan houden met een private overeenkomst indien beide partijen deze private overeenkomst in hun Gecombineerde opgave 2015 hebben opgegeven of dat een opgave door de verhuurder volstaat.

3.1.

De lidstaten van de Europese Unie (EU) kunnen bepalen dat landbouwers bij de verpachting van een bedrijf of een deel daarvan middels een contract samen met het betrokken bedrijf of deel daarvan de overeenkomstige, toe te wijzen betalingsrechten kunnen verpachten. Dit volgt uit artikel 21, eerste lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (Verordening 639/2014). In dat geval worden de betalingsrechten aan de verpachter toegewezen en direct aan de pachter verpacht. Diens voordeel ontstaat doordat de betalingen die de verpachter voor 2014 heeft ontvangen dan wel de waarde van de rechten die hij in 2014 bezat, als referentie worden gebruikt voor de vaststelling van de initiële waarde per eenheid van deze betalingsrechten. In Nederland is toepassing gegeven aan deze mogelijkheid bij artikel 2.7, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling.

3.2

Bij verpachting als bedoeld in artikel 21 van Verordening 639/2014 wordt de aanvraag tot toewijzing van de betalingsrechten gedaan door de verpachter. Dit volgt uit artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 641/2014). Er is geen bepaling van Unierecht op basis waarvan voor de toewijzing en (tijdelijke) overdracht van de betalingsrechten op de voet van artikel 21 van Verordening 639/2014 ook een aanvraag van de pachter nodig is.

3.3.

In beroep voert appellante aan dat zij de toeslagrechten, c.q. betalingsrechten voor haar landbouwbedrijf wenst te behouden. Daartoe heeft zij met onder meer [naam 4] een private overeenkomst gesloten en daarvan op juiste wijze opgave gedaan in de Gecombineerde opgave 2015. Dat [naam 4] dit bij vergissing is vergeten te vermelden in zijn Gecombineerde opgave 2015, kan appellante niet worden tegengeworpen. Verweerder had de betalingsrechten inclusief referentiewaarde 2014 voor de percelen die [naam 4] in gebruik had aan appellante moeten toewijzen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat om bij de toewijzing van betalingsrechten rekening te kunnen houden met een private overeenkomst aan drie cumulatieve voorwaarden (beide partijen moeten actieve landbouwer zijn; de private overeenkomst moet vóór 15 juni 2015 door beide partijen zijn ondertekend; beide partijen moeten de private overeenkomst in hun Gecombineerde opgave 2015 opgeven) moet worden voldaan. Aan de derde voorwaarde is niet voldaan, aldus verweerder.

3.4

Het College oordeelt als volgt. Voor de toewijzing van betalingsrechten aan appellante en de direct daaropvolgende verhuur van deze betalingsrechten aan de huurder in het kader van de toepassing van artikel 21 van Verordening 639/2014 is een daartoe strekkende aanvraag van appellante als verhuurder voldoende. Verweerder mocht de door appellante gevraagde toepassing van artikel 21 van Verordening 639/2014 dan ook niet weigeren om de reden dat de huurder in zijn Gecombineerde opgave 2015 niet heeft bevestigd dat er een private overeenkomst met appellante is. Voor zover verweerder heeft betoogd dat een aanvraag van de pachter nodig is op grond van artikel 7, derde lid, van Verordening 641/2014, ziet verweerder er aan voorbij dat die bepaling niet ziet op een aanvraag tot toewijzing en (tijdelijke) overdracht van de betalingsrechten bij verpachting, maar op een aanvraag tot betaling bij verpachting.

3.5

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de betalingsrechten, conform artikel 21, eerste lid, van Verordening 639/2014, overeenkomend met de verhuurde percelen hadden moeten worden toegewezen aan appellante. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 5, eerste lid, van Verordening 641/2014.

4. Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van zes weken stellen.

5. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.002.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, mr. H.L. van der Beek en mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. M.B.L. van der Weele