Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:96

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
16/520
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2536, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete wegens overschrijding gebruiksnormen Meststoffenwet. De boete is opgelegd aan één van de vennoten van een vof. Deze vennoot heeft bezwaar gemaakt, maar geen beroep ingesteld. De vof heeft beroep ingesteld, maar geen bezwaar gemaakt. Bevestiging van de uitspraak van de rechtbank dat artikel 6:13 Awb aan de ontvankelijkheid van het beroep van de vof in de weg staat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/76 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/520

16000

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2017 op het hoger beroep van:

V.O.F. Camping en Stoeterij De Laarse Heide, te Zundert, appellante

(gemachtigde: R. Scholten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 april 2016 in het geding tussen

appellante

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (de staatssecretaris),

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (rechtbank) van 14 april 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:2536).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Appellante heeft nadere aanvullende gronden ingediend.

De staatssecretaris heeft een reactie op de nadere aanvullende gronden toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Bij besluit van 6 maart 2015 (primair besluit) heeft de staatssecretaris aan [naam] , één van de vennoten van appellante, een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.603,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet in 2013.

1.3

Bij zijn besluit van 2 oktober 2015, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de staatssecretaris het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Noch in het pro-forma bezwaarschrift noch in de aanvulling van de gronden die [naam] heeft ingediend, wordt vermeld dat dit mede namens appellante - de vof - is gedaan. Ook blijkt nergens uit het bestreden besluit dat de staatssecretaris heeft aangenomen dat (mede) namens appellante bezwaar is gemaakt. Dat appellante in de ingebrekestelling wel genoemd is, maakt dit niet anders. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft ingesteld, is niet gebleken. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon appellante dus geen beroep instellen. Ook het betoog van appellante dat zij mede namens haar vennoot [naam] beroep heeft ingesteld, kan niet slagen. Hoewel een vof geen rechtspersoon is, mag zij wel op eigen naam een procedure starten. Uit het bij de rechtbank ingediende beroepschrift blijkt dat het beroep alleen namens de vof is ingesteld.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Appellante voert aan dat de rechtbank haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stelt dat het primaire besluit weliswaar is gericht aan één van haar vennoten, [naam] , maar dat vanaf het begin al vaststaat dat dit besluit feitelijk betrekking heeft op de vof (appellante). De eenmanszaak [naam] , zoals omschreven in het toelichtend rapport bij de boeteberekening, bestaat niet en heeft ook nooit bestaan. De vermeende beboetbare feiten zijn uit naam van de vof begaan en de procedures tegen de opgelegde boete zijn uit naam van de vof gevoerd. Appellante verwijst naar een uitspraak van het College van 28 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA3048), waarin is geoordeeld over de ontvankelijkheid van een vof, waarbij een medevennoot namens de vof optrad.

4. Naar aanleiding van de verwijzing van appellante naar de onder 3 genoemde uitspraak van het College, heeft de staatssecretaris zich bij het standpunt van appellante aangesloten, dat de rechtbank haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De staatssecretaris verwijst verder naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 augustus 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AQ6638).

5. Het College ziet zich, kort gezegd, gesteld voor de vraag of de rechtbank het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat appellante als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Het College stelt vast dat het primaire en het bestreden besluit beide op naam zijn gesteld van [naam] en niet op naam van appellante. Daarmee is [naam] aangemerkt als de overtreder en als de beboetbare persoon. Het is ook [naam] die tegen het primaire besluit bezwaar heeft gemaakt. Appellante is niet aanstonds in bezwaar, maar eerst in beroep tegen de opgelegde boete, die in het bestreden besluit is gehandhaafd, opgekomen. Het College is met de rechtbank van oordeel dat artikel 6:13 van de Awb hieraan in de weg staat. Het betoog van appellante dat zij naast [naam] staat vermeld in de ingebrekestelling die in de bezwaarfase is ingediend, kan haar niet baten. Deze indiening heeft immers plaatsgevonden na het verstrijken van de bezwaartermijn. De verwijzingen van appellante en verweerder naar de uitspraken van het College van 28 mei 2013 en van de Afdeling van 11 augustus 2004 leiden het College niet tot een ander oordeel. In de gevallen waarover in die uitspraken is geoordeeld doet zich, zoals verweerder ter zitting ook heeft onderkend, niet dezelfde situatie voor als in de zaak die hier voorligt. Allereerst ging het in die zaken om rechtsmiddelen die de vennoten van een vof hebben aangewend tegen besluiten die - ook naar hun aard - tot die vof waren gericht en niet, zoals hier, om rechtsmiddelen die een vof heeft aangewend tegen een besluit tot oplegging van een boete die tot een natuurlijke persoon, [naam] , die tevens één van de vennoten van die vof is, is gericht. Een ander verschil is dat appellante in deze zaak niet reeds in bezwaar, maar voor het eerst in beroep tegen de besluitvorming is opgekomen. De gronden van appellante slagen daarom niet.

6. Het hoger beroep is ongegrond.

7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, mr. H. Bolt en mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. O.C. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.

w.g. H.B. van Gijn w.g. O.C. Bos