Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:95

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
15/211
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag voor uitbreiding van gebruiksdoeleinden Permanent-Spuitbus

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/211

32200

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2017 in de zaak tussen

Denka Registrations B.V., te Barneveld, appellante

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ),

en

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A. Textor).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante tot uitbreiding van de gebruiksdoeleinden van de toelating van het middel Permanent-Spuitbus afgewezen.

Bij besluit van 6 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2016. Voor appellante zijn haar gemachtigden verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is namens verweerder verschenen de heer [naam 3] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 22 augustus 2011 heeft appellante bij verweerder een aanvraag ingediend op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen (Wgb) voor uitbreiding van de gebruiksdoeleinden van de toelating van het middel Permanent-Spuitbus. Dit is een vliegenbestrijdingsmiddel voor professioneel gebruik in verblijfplaatsen voor vee op basis van de werkzame stoffen permethrin en pyrethrinen. Verzocht is om toelating voor niet-professioneel gebruik. Tijdens de aanvraagprocedure, en nadat verweerder aanvullende vragen heeft gesteld, heeft appellante voorgesteld de oorspronkelijk beoogde waarschuwingszin te wijzigen en, voor zover van belang, de volgende waarschuwingszin op te nemen:

“(…) Let op: Permanent-Spuitbus alleen gebruiken op plaatsen waar vliegen zich bij voorkeur ophouden, zoals ramen, raamkozijnen, plafonds, balken enzovoort. Uitsluitend binnen toepassen. Niet toepassen op oppervlaktes (zoals vloeren) die schoongemaakt worden met water dat (in)direct geloosd wordt op het oppervlaktewater (…) De werkingsduur bedraagt 4-6 weken mits men bij het schoonmaken de behandelde plaatsen overslaat. Om in het water levende organismen te beschermen dient voorkomen te worden dat (afvalwater met) middelresten rechtsreeks op het oppervlaktewater wordt geloosd.(…)”

1.2.

Bij brief van 30 januari 2012 heeft verweerder appellante verzocht om nadere informatie over te leggen over emissieroutes bij het reinigen van dierenverblijfplaatsen behandeld met Permanent-Spuitbus door niet-professionals. Hierbij heeft verweerder de volgende toelichting gegeven:

“Bij het niet-professioneel bestrijden van vliegen op oppervlakten in dierverblijfplaatsen (UB toepassing) wordt, in tegenstelling tot de professionele toepassing op een boerderij, verwacht dat afvalwater met resten van het middel dat bij het reinigen van de dierenverblijfplaatsen vrijkomt echter wel op een RWZI wordt geloosd en via deze route in het oppervlaktewater terechtkomt. Deze route is bij professioneel gebruik uitgesloten.”

Ook heeft verweerder verzocht om aanvullende informatie over de te hanteren dosis van het middel per hoeveelheid te behandelen oppervlakte. Verder heeft verweerder verzocht om in het Wettelijke gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzingen (WG/GA) aanvullende informatie op te nemen.

1.3.

Appellante heeft op 28 februari 2012 een rapport van ENVIRON Netherlands B.V. (ENVIRON) van 23 februari 2012 overgelegd. Het rapport bevat een blootstellingschatting voor het oppervlaktewater. ENVIRON heeft een drietal emissiescenario’s gepresenteerd op basis van ‘worst case’ aannames. Hierbij spuit een hobbyveehouder Permanent-Spuitbus volgens het WG/GA rondom de raamkozijnen, plafonds en balken (verzamelplaatsen van vliegen) van zijn dierenverblijf. Nog diezelfde dag maakt hij het verblijf schoon met water. Conform de aanwijzingen worden met name de vloer en de overige delen van het dierenverblijf die rechtstreeks met mest en strooisel in aanraking komen gereinigd; ramen, balken en plafond worden daarbij ontzien of zelfs bewust overgeslagen en behandelde plekken worden niet geschrobd. Bij het eerste scenario beschikt de hobbyveehouder over een aansluiting op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) die geschikt is voor het lozen van afvalwater. Het water komt dan via de RWZI in het oppervlaktewater. Bij het tweede scenario beschikt de hobbyveehouder niet over een aansluiting op de RWZI. Het spoelwater wordt met of zonder mest op het naastgelegen erf uitgespreid, waarna het uiteindelijk in het grondwater en mogelijk in het oppervlaktewater terecht komt. Bij het derde scenario beschikt de hobbyveehouder ook niet over een aansluiting op de RWZI. Het spoelwater wordt door de hobbyveehouder mee naar elders genomen en aldaar op het riool geloosd, hoewel dit volgens het WG/GA niet is toegestaan. Verder heeft ENVIRON een hobbystal van 10 meter bij 3 meter bij 3 meter (l x b x h) als uitgangspunt genomen waarbij alle wanden vanaf 1,5 meter hoogte tot aan de plafondrand worden bespoten met het middel Permanent-Spuitbus. Hiervoor is de inhoud van twee spuitbussen nodig, waardoor zich na de behandeling 7,14 g permethrin (179 mg/m²) op de behandelde wanden bevindt. Verwacht wordt dat bij reiniging (niet mechanisch en niet geschrobd) met 1000 liter water op grond van de oplosbaarheid van permethrin in totaal 5,5 mg permethrin in het waswater terecht komt. De conclusie van ENVIRON is dat bij alle scenario’s de verwachte concentratie duidelijk lager is dan de toegestane norm van 3,9 ng/l. Niet-professioneel gebruik van Permanent-Spuitbus volgens het voorgestelde WG/GA zal op basis van deze geschatte scenario’s niet leiden tot onaanvaardbare risico’s voor waterorganismen.

1.4.

Bij brief van 16 mei 2012 heeft verweerder appellante verzocht om nadere informatie. Het verzoek luidt als volgt:

“The applicant is requested to provide evidence that this type of use by non-professionals will result in an acceptable risk for aquatic organisms and secondary poisoning of mammals”. Appellante is verzocht deze informatie vóór 1 januari 2013 te verstrekken. Naar aanleiding van dit informatieverzoek heeft er tussen partijen een gesprek plaatsgevonden op 20 augustus 2012.

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van appellante afgewezen op grond van artikel 49 van de Wgb, omdat niet is vastgesteld dat bij de aangevraagde toepassingen de Permanent-Spuitbus geen schadelijke uitwerking op het milieu heeft. Uit de door verweerder gemaakte modelberekening volgt dat de werkzame stof permethrin de norm voor sedimentorganismen overschrijdt. Bij deze berekening is verweerder uitgegaan van de aanname dat een dierenverblijf wordt schoongemaakt en dat de niet-professionele gebruiker, anders dan de professionele gebruiker, het afvalwater zal lozen op de riolering of rechtstreeks op het oppervlaktewater. Volgens verweerder heeft de niet-professionele gebruiker geen andere mogelijkheden van lozing. Verder is verweerder bij gebrek aan adequate gegevens over de hoeveelheid permethrin die bij een schoonmaakbeurt daadwerkelijk in het afvalwater terechtkomt, uitgegaan van de volgende aannames:

- het behandelde oppervlak is 1 m²;

- permethrin is uiterst persistent en bij een schoonmaakbeurt dus nog volledig op het behandelde oppervlak aanwezig;

- zowel de wateroplosbare als de (b.v. aan stof) geabsorbeerde fractie permethrin komt in het waswater terecht;

- de matige oplosbaarheid van permethrin in water leidt er toe dat de actieve stof zich beter aan zuiveringsslib en sediment bindt.

Verweerder acht de uitgangspunten die door ENVIRON in het rapport voor de milieubeoordeling zijn gebruikt niet afdoende, onjuist of niet te verifiëren, zodat daaraan voorbij is gegaan.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Volgens verweerder ligt het in de rede dat, gezien de relatief geringe grootte van niet-professionele dierenverblijven, een niet-professionele gebruiker de ramen en raamkozijnen van zijn dierenverblijf regelmatig en de balken en plafonds van dit verblijf zo nu en dan nat zal reinigen, al dan niet met behulp van een hogedrukspuit. Daarbij zal, al dan niet rechtstreeks, emissie naar het oppervlaktewater plaatsvinden. Het standpunt van appellante dat een niet-professionele gebruiker geen raamkozijnen, ramen, balken en plafonds nat zal reinigen wordt niet als afdoende geaccepteerd. Gezien het persistente karakter van permethrin wordt, nu andersluidende, informatie ontbreekt, door verweerder verder uitgegaan van 100% beschikbaarheid van de dosering van de actieve stoffen per m² na 4 tot 6 weken. Appellante heeft geen informatie verstrekt die het mogelijk maakt om met andere aannames te rekenen. De gegevens uit het rapport van ENVIRON zijn niet verifieerbaar. Aan de door appellante in bezwaar overgelegde resultaten van een door haar uitgevoerde wipe test wordt eveneens voorbij gegaan. Volgens die test moet worden uitgegaan van een lagere beschikbaarheid van de dosering van de actieve stoffen. Echter, de reproduceerbaarheid van de testresultaten is onduidelijk en de werkelijke omstandigheden bij reiniging van een niet professioneel dierenverblijf zijn in deze test niet nagebootst. Indien verweerder uitgaat van de door ENVIRON gehanteerde waarden, zijn de vrachten bovendien nagenoeg even hoog als de door verweerder berekende vrachten. De door appellante voor het WG/GA voorgestelde waarschuwingsvoorschriften kunnen de emissie naar het oppervlaktewater onvoldoende tegenhouden, omdat deze voor de niet-professionele gebruiker niet naleefbaar zijn. Niet-professionele gebruikers kennen in het algemeen geen reële mogelijkheid van afvoer van mest en afvalwater anders dan afvoer al dan niet via het riool naar het oppervlaktewater. Wettelijke verplichtingen die voorzieningen eisen om afvoer van afvalwater naar de bodem en het oppervlaktewater te voorkomen, zijn er voorts niet. Ten aanzien van de bezwaargrond van appellante dat dergelijke waarschuwingsvoorschriften bij de middelen Tectonik Pour-on en Ecobuster wel zijn toegelaten, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Bij het middel Tectonik Pour-on is sprake geweest van een ambtelijke vergissing waarbij bij de beoordeling ten onrechte niet is meegewogen dat het middel bij gebruik door niet-professionele gebruikers zonder mestput in het riool terecht kan komen. Het middel Ecobuster dient met een automatische sproei-installatie te worden toegepast. Niet-professionele gebruikers met een dergelijke sproei-installatie beschikken in het algemeen ook over een mestput voor mestafvoer.

3. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat verweerder bij zijn modelberekening, waarop de bestreden afwijzing is gebaseerd, is uitgegaan van een aantal aannames die volgens appellante niet overeenkomen met de praktijk. Allereerst is het volgens appellante hoogst onwaarschijnlijk dat een niet-professionele gebruiker van de Permanent-Spuitbus de plaatsen waar hij het middel heeft toegepast, namelijk op ramen, raamkozijnen en plafonddelen, de plaatsen waar vliegen zich ophouden, met een hoge drukspuit schoonmaakt, omdat het de uitgevoerde behandeling teniet doet en sprake is van kapitaalvernietiging. De aanname van verweerder hieromtrent is derhalve onjuist. Appellante kan zich voorstellen dat in verblijven van hobbydieren de vloeren en muren tot een halve meter hoogte met regelmaat worden schoongespoten, maar niet dat dit ook daarboven gebeurt.Andere scenario’s zijn volgens appellante geen ‘reasonably foreseeable use’ van de Permanent-Spuitbus. Ook de aanname van verweerder dat het afvalwater op de riolering of, al dan niet rechtstreeks, op het oppervlaktewater zal worden geloosd, is niet juist. In dat verband wijst appellante erop dat uit artikel 3.127 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) volgt dat elke vorm van het lozen van reinigingswater uit dierenverblijven op het vuilwaterriool niet is toegestaan, met uitzondering van lozingen waarbij het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter bedraagt. Het standpunt van verweerder dat er voor niet-professionele gebruikers geen wettelijke verplichtingen gelden om afvoer van afvalwater naar de bodem en het oppervlaktewater te voorkomen, is daarom niet juist. Uit artikel 3.129, derde lid, van het Activiteitenbesluit volgt voorts dat het lozen van afvalwater op of in de bodem wel is toegestaan. Om te voldoen aan de norm van 300 milligram per liter aan onopgeloste bestanddelen is in vrijwel alle gevallen een slibvangput noodzakelijk. Vanwege de matige oplosbaarheid van permethrin in water en de sterke binding aan bijvoorbeeld zand en mestresten blijven afgespoelde middelresten achter in de slibvangput van het dierenverblijf. Deze resten komen dan niet in het riool terecht. Naar aanleiding van door verweerder geuite zorgen heeft appellante het WG/GA bovendien aangevuld met waarschuwingszinnen ter voorkoming van onjuist gebruik van de Permanent-Spuitbus. Hiermee wordt volgens appellante afdoende gegarandeerd dat permethrin niet in het oppervlaktewater terecht zal komen. Verweerder heeft dit miskend en weigert deze waarschuwingszinnen te betrekken in zijn risicobeoordeling, terwijl verweerder dergelijke waarschuwingszinnen wel heeft betrokken bij de beoordeling van de producten Tectonik Pour-on en Ecobuster.

5. Het College komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Partijen zijn hierop in de uitnodiging voor de zitting gewezen. De gemachtigden van appellante hebben ter zitting van het College een document overgelegd waarin een nadere berekening wordt gemaakt van het eerste emissiescenario van het rapport van ENVIRON. Verweerder heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het College zal dit document uit een oogpunt van goede procesorde niet bij de beoordeling betrekken. Daarbij is van belang dat het gaat om een nieuwe berekening die niet ter zitting door verweerder kon worden gecontroleerd. Ook heeft het College daarbij in acht genomen dat appellante geen reden heeft kunnen noemen waarom zij niet in staat was deze berekening eerder in te dienen.

5.2.

Het College stelt voorop dat artikel 121a, eerste lid, van de Wgb bepaalt dat verweerder bij de beoordeling van een aanvraag als de onderhavige naar behoren rekening dient te houden met de effecten die een biocide kan hebben op het milieu en dat verweerder dient te beoordelen of deze effecten niet onaanvaardbaar zijn. Uit artikel 121a, tweede en derde lid, van de Wgb volgt verder dat een dergelijke aanvraag door verweerder wordt beoordeeld aan de hand van enerzijds een door de aanvrager verstrekt dossier dat de nodige informatie bevat om de milieueffecten daadwerkelijk te kunnen onderzoeken en anderzijds aan de hand van gegevens die bij verweerder over de biocide bekend zijn. Gelet hierop komt verweerder naar het oordeel van het College een zekere ruimte toe bij de beoordeling als bedoeld in artikel 121a, eerste lid, van de Wgb.

5.3.

Niet in geschil is dat appellante bij de in geding zijnde aanvraag informatie diende te verstrekken over de effecten van de werkzame stof permethrin op het milieu met het oog op de in artikel 121a, eerste lid, van de Wgb genoemde beoordeling door verweerder. Eén van de door verweerder in dit geval in deze beoordeling betrokken aspecten betreft de gevolgen voor sedimentorganismen bij eventuele emissie van afvalwater met resten van permethrin in het oppervlaktewater bij niet-professioneel gebruik van Permanent-Spuitbus. In verband met dit aspect heeft verweerder appellante bij brief van 30 januari 2012 verzocht om nadere informatie te verstrekken, omdat bij de aanvraag gegevens ontbraken over de emissieroutes bij het reinigen van dierenverblijfplaatsen die zijn behandeld met Permanent-Spuitbus door niet-professionele gebruikers (zie rechtsoverweging 1.2). Naar aanleiding hiervan heeft appellante het hiervoor in rechtsoverweging 1.3 weergegeven rapport van ENVIRON van

23 februari 2012 aan verweerder overgelegd. Bij het primaire besluit tot afwijzing van de aanvraag is verweerder aan dit rapport voorbij gegaan, omdat het volgens verweerder is gebaseerd op ontoereikende, onjuiste of niet te verifiëren uitgangspunten. In de visie van verweerder heeft appellante met dit rapport dan ook niet aannemelijk gemaakt dat permethrin bij het aangevraagde niet-professionele gebruik van de Permanent-Spuitbus wat genoemd aspect betreft geen onaanvaardbare effecten heeft op het milieu. Bij de beoordeling van die effecten heeft verweerder bij het primaire besluit, bij gebrek aan het bestaan van een model voor het niet-professioneel gebruik van de stof permethrin, gebruik gemaakt van een vereenvoudigd (reken)model op basis van een aantal eigen aannames. Op grond van de met dit model gemaakte berekeningen heeft verweerder geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat de Permanent-Spuitbus bij het aangevraagde niet-professionele gebruik geen schadelijke uitwerking op het milieu heeft. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze conclusie gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder in hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot de door haar overgelegde wipe test geen aanleiding gevonden om die conclusie ter zijde te schuiven.

5.4

Het College stelt vast dat aan het rekenmodel van verweerder twee fundamentele aannames ten grondslag liggen. De eerste aanname is dat een niet-professioneel gebruiker, gezien de relatief geringe grootte van particuliere dierenverblijven, de ramen en raamkozijnen van zijn dierenverblijf regelmatig en de balken en plafonds van zijn dierenverblijf zo nu en dan nat zal reinigen, al dan niet met behulp van een hogedrukspuit. De tweede aanname is dat een niet-professionele gebruiker het afvalwater zal lozen op de riolering of het afvalwater rechtstreeks op het oppervlaktewater zal lozen, omdat een niet-professionele gebruiker geen andere mogelijkheden van lozing heeft. Het College acht deze aannames niet onjuist of zonder redelijke grond. Het College wijst er hierbij op dat verweerder volgens de in artikel 121a, eerste lid, van de Wgb genoemde beoordeling rekening moet houden met de effecten die een biocide kan hebben op het milieu en verweerder ook ter zake hiervan een beoordelingsmarge toekomt. Tegenover deze aannames heeft appellante in het rapport van ENVIRON andere aannames gesteld, te weten dat wanden, vensters en plafonds in de regel slechts met grote tussenpozen worden gereinigd en dat afvalwater van de reiniging in het algemeen óf op het erf wordt geloosd of wordt afgevoerd met de mest. Naar het oordeel van het College zijn deze aannames in het rapport met onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat verweerder daaraan terecht voorbij is gegaan. Gezien het algemene karakter van deze aannames van appellante acht het College de enkele verwijzing in het rapport van ENVIRON naar onderdelen van de site www.levendehave.nl als onderbouwing ontoereikend. Voorts is het College niet gebleken van een wettelijke verplichting waaruit volgt dat het lozen van afvalwater uit dierenverblijven op het riool niet is toegestaan, of op grond waarvan verplichtingen worden gesteld die afvoer van afvalwater naar de bodem en het oppervlakte moeten voorkomen, zoals appellante in beroep heeft gesteld. De wettelijke bepalingen waarnaar appellante heeft verwezen zijn van toepassing op inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer en, gelet op de definitie van het begrip inrichting in die wet, niet op alle niet-professionele gebruikers. Bedoelde stellingen van appellante doen derhalve geen afbreuk aan vorengenoemde tweede aanname van verweerder, zodat de betreffende beroepsgrond niet slaagt.

5.5

Overigens is verweerder bij genoemd rekenmodel onder meer uitgegaan van de volgende aannames. Het met Permanent-Spuitbus behandelde oppervlakte bedraagt 1 m², permethrin is niet afbreekbaar op de muur, zodat sprake is van een 100% verwijdering bij reiniging, en vanwege de persistentie van permethrin is het middel na een periode van 4 tot 6 weken nog volledig op het behandelde oppervlak aanwezig. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat appellante met het rapport van ENVIRON, voor zover daarin ook is uitgegaan van lozing van het afvalwater met permethrin op het riool of rechtstreeks op het oppervlaktewater, aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder het rekenmodel aldus heeft gebaseerd op onjuiste of onredelijke aannames. Mede in het licht van de aan verweerder toekomende beoordelingsruimte genoemd in rechtsoverweging 5.2, heeft verweerder zich naar het oordeel van het College op het standpunt kunnen stellen dat de in het rapport van ENVIRON gebruikte aannames met betrekking tot onder meer de grootte van de gemiddelde hobbystal en de omvang van het te reinigen oppervlakte in een dergelijke stal onvoldoende onderbouwd en verifieerbaar zijn.

Ook de door appellante in bezwaar overgelegde Wipe Test leidt het College niet tot het oordeel dat het rekenmodel van verweerder overigens is gebaseerd op onjuiste of onredelijke aannames. Nu uit deze test niet blijkt dat deze is uitgevoerd onder met de werkelijkheid zoveel mogelijk overeenkomende omstandigheden waarin reiniging van een dierenverblijf plaatsvindt, kan op de uitkomsten van die test niet de conclusie worden gebaseerd dat het middel permethrin na een periode van 4 tot 6 weken in beperktere mate aanwezig is op de behandelde oppervlakten dan waarvan verweerder is uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

5.6.

De beroepsgrond van appellante dat met de door haar voorgestelde waarschuwingszinnen de voor het milieu nadelige effecten kunnen worden ondervangen, slaagt evenmin. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.4 al is geoordeeld acht het College de aanname van verweerder dat niet-professionele gebruikers in het algemeen geen reële mogelijkheid kennen van afvoer van mest en van afvalwater anders dan afvoer al dan niet via het riool naar het oppervlaktewater, niet onjuist of zonder redelijke grond.

5.7.

Voor zover appellante met haar verwijzing naar de toegelaten producten Tectonik Pour-on en Ecobuster heeft beoogd een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, overweegt het College als volgt. In het bestreden besluit heeft verweerder erop gewezen dat bij de beoordeling van het product Tectonik Pour-on ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat de toelating ook het gebruik betreft door particulieren die slechts een paar stuks vee en geen mestput hebben, waardoor de actieve stof na het afspoelen van behandelde runderen in het riool terecht kan komen en dat deze emissieroute, door toedoen van een ambtelijke vergissing, niet is onderzocht. Het gelijkheidsbeginsel strekt naar het oordeel van het College niet zover dat verweerder genoopt zou zijn tot herhaling van een dergelijke, bij nader inzien door verweerder onjuiste geachte beoordeling. Ten aanzien van het product Ecobuster heeft verweerder opgemerkt dat het hierbij gaat om de toepassing van een automatische sproei-installatie in paardenstallen. Niet-professionele gebruikers die een stal met sproei-installatie hebben, zijn goed geoutilleerde gebruikers die in het algemeen ook een mestput hebben voor de afvoer van mest, zodat de voorschriften voor hen naleefbaar zijn. Gelet op deze toelichting, die appellante niet overtuigend heeft weersproken, is naar het oordeel van het College geen sprake van een gelijk geval. Het College concludeert dan ook dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

5.8

De slotsom is dat verweerder, nu niet is aangetoond dat de effecten op het milieu van de biocide permethrin bij niet professioneel-gebruik gering en daardoor aanvaardbaar zijn, de gevraagde toelating heeft mogen afwijzen.

5.9.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.S.J. Albers en mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. S.M. van Ditmarsch