Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:91

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
16/90 en 16/392
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9420, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete wegens het feitelijk leidinggeven aan de overtreding van het bankverbod – Bij besluit van 13 maart 2014 heeft DNB naam 1 een boete van € 100.000 – Bij besluit van bezwaar van 20 maart 2015 heeft DNB de aan naam 1 opgelegde boete om redenen van draagkracht gematigd tot € 75.000 – verwijtbaarheid – De rechtbank heeft overwogen dat DNB de overtreding van het bankverbod gezien de duur, het aantal transacties en de omvang van de transactiestromen aanzienlijk in omvang heeft kunnen achten en als [een] ernstige overtreding heeft kunnen beschouwen. De rechtbank is niet tot het oordeel gekomen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Een mogelijk ontbreken van apert kwade wil vormt dan niet een zelfstandige boeteverlagende omstandigheid die kan worden betrokken bij de vraag of sprake is van een evenredige boete (zie de genoemde uitspraak van 1 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:352, rechtsoverweging 6.5). Zoals hiervoor onder 5 is overwogen kan aan naam 1 niet in mindere mate een verwijt worden gemaakt van de overtreding. De rechtbank heeft niet op die grond tot het oordeel kunnen komen dat de aan naam 1 opgelegde boete diende te worden gematigd tot € 75.000. In zoverre is het hoger beroep van DNB gegrond en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. – draagkrachtverweer – ten tijde van de boete-oplegging kon naam 1 in een periode van twee jaar een boete betalen van € 25.000 – naam 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij thans een boete van € 25.000 niet kan dragen – Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College in zoverre het beroep gegrond verklaren, het besluit op bezwaar van 20 maart 2015 vernietigen voorzover de boete daarin is vastgesteld op € 75.000 en de boete vaststellen op € 25.000.

Wetsverwijzingen
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 2:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/722
JOR 2017/167 met annotatie van mr. S.M.C. Nuijten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/90 en 16/392

22310

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2017 op de hoger beroepen van:

1. [naam 1] te [plaats] ( [naam 1] ),
(gemachtigde: mr. M.R. Hosemann),

2. De Nederlandsche Bank N.V. te Amsterdam (DNB)

(gemachtigde: mr. C.M. Bitter)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2015, kenmerk ROT 15/2748, in het geding tussen [naam 1] en DNB.

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 24 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9420 (de aangevallen uitspraak). Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer 16/90.

DNB heeft een reactie op het hogerberoepschrift van [naam 1] ingediend en, voor zover nodig, incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de genoemde uitspraak van de rechtbank. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer 16/392.

[naam 1] heeft een reactie op het incidenteel hoger beroep van DNB ingediend.

[naam 1] heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2017. [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen
door haar gemachtigde, vergezeld door haar kantoorgenote mr. F.E. de Bruijn en
mr. W.M. Haverkamp, werkzaam bij DNB.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

[naam 2] B.V. ( [naam 2] ) is opgericht op 15 juli 2010 en is een dochteronderneming van [naam 3] B.V. ( [naam 3] ). Bestuurders van [naam 3] zijn [naam 4] ( [naam 4] ), [naam 5] ( [naam 5] ) en sinds 26 april 2012 [naam 1] . [naam 2] heeft gelden aangetrokken van het publiek door obligaties uit te geven (emissies) en heeft gelden uitgeleend aan [naam 6] ( [naam 6] ). [naam 6] heeft deze gelden in Thais vastgoed geïnvesteerd; het [naam 7] project, een winkelcentrum.

1.3

Volgens DNB blijkt uit haar onderzoek dat [naam 2] in ieder geval in de periode van 26 mei 2011 tot en met 27 januari 2012 uit hoofde van emissie III in totaal 328 obligatieovereenkomsten met andere dan professionele marktpartijen heeft afgesloten voor een totaalbedrag van € 2.600.000 en in ieder geval in de periode van 16 juni 2011 tot en met 29 juli 2011 vijf kredietuitzettingen heeft gedaan naar [naam 6] voor een totaalbedrag van € 1.930.862,20. Op 16 februari 2013 heeft [naam 6] die leningen terugbetaald aan [naam 2] , waarmee volgens DNB de overtreding van het bankverbod door [naam 2] werd beëindigd.

1.4

Bij besluiten van 13 maart 2014 heeft DNB aan [naam 2] een bestuurlijke boete opgelegd van € 200.000 wegens overtreding van artikel 2:11, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) in de periode van 16 juni 2011 tot 16 februari 2013 en aan [naam 1] , [naam 4] en [naam 5] ieder een bestuurlijke boete van € 100.000 opgelegd wegens het feitelijk leidinggeven aan deze overtreding.

1.5

Bij besluit van 20 maart 2015, waartegen het beroep van [naam 1] bij de rechtbank was gericht, heeft DNB de aan [naam 1] opgelegde boete om redenen van draagkracht gematigd tot € 75.000 en het bezwaar van [naam 1] voor het overige ongegrond verklaard.

1.6

Bij uitspraak van 24 juli 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6173, heeft de rechtbank het beroep van [naam 2] in de procedure tegen de aan haar opgelegde bestuurlijke boete ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank bij die uitspraak de boetes van [naam 4] en [naam 5] gematigd tot een bedrag van € 75.000 en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak van de rechtbank hebben [naam 2] , [naam 4] en [naam 5] hoger beroep en DNB incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.7

Bij uitspraak van 1 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:352, heeft het College de genoemde uitspraak van de rechtbank van 24 juli 2015 vernietigd, voor zover de rechtbank de boetes van [naam 4] en [naam 5] heeft gematigd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van [naam 1] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen (waar voor [naam 8] [naam 2] moet worden gelezen):

Feitelijk leiding geven

4. [naam 1] betoogt dat DNB zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de overtreding van het bankverbod door [naam 2] . Dit betoog faalt.

(…)

4.7.

De rechtbank is met DNB van oordeel dat (…) [naam 1] (…) als feitelijk leidinggevende aan de overtreding kan worden aangemerkt.

(…)

Het feit dat juridische specialisten zijn geraadpleegd bij de structurering van de activiteiten en het opstellen van diverse daarvoor benodigde documenten maakt niet dat hem ter zake in het geheel geen verwijt treft. Dit klemt temeer nu niet is gebleken dat hij aan één van deze adviseurs de vraag heeft voorgelegd of de gehele financieringsconstructie ten behoeve van de ontwikkeling van vastgoed in Thailand voldeed aan de toepasselijke wetgeving hier te lande, en meer in het bijzonder of die op grond van de Wft zonder meer was toegelaten.

(…)

Verwijtbaarheid

6. Het subsidiaire betoog dat de overtreding [naam 1] niet kan worden verweten, omdat [naam 2] zich gedurende het gehele proces van de onderscheiden emissies heeft laten bijstaan door specialisten vanuit diverse disciplines, faalt.

Op [naam 1] rust een eigen verantwoordelijkheid om zich aan de wet te houden. Door kennis te nemen van de tekst van artikel 2:11 van de Wft en de daarbij behorende toelichting heeft hij zich een beeld kunnen vormen van het toepassingsbereik van deze bepaling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat specifiek advies over de strekking en overtreding van (artikel 2:11 van) de Wft is ingewonnen. Dit is ter zitting ook door [naam 1] erkend. In beroep is slechts verwezen naar opdrachtbevestigingen en niet is gebleken dat advies is gevraagd aan kantoren die gespecialiseerd zijn in financieringsconstructies.

Evenredigheid van de boete

(…)

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB de overtreding van het bankverbod gezien de duur, het aantal transacties en de omvang van de transactiestromen aanzienlijk in omvang kunnen achten en als ernstige overtreding kunnen beschouwen. Dat beleggers geen klachten zouden hebben heeft DNB naar het oordeel van de rechtbank niet van belang kunnen achten, omdat het doel van de Wft verder gaat dan het beschermen van belangen van beleggers. Dat beleggers niet zouden zijn benadeeld, hetgeen de rechtbank niet objectief heeft kunnen vaststellen, doet er niet aan af dat [naam 1] als feitelijk leidinggevende in strijd met de Wft heeft gehandeld. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat de feiten en omstandigheden in de uitspraak van het CBb van 7 mei 2013 vergelijkbaar zijn met die van [naam 1] en [naam 2] , alleen al omdat het daar een overtreding betreft van een ander wettelijk voorschrift dan hier
aan de orde.

7.3.

Het beroep van [naam 1] op het gelijkheidsbeginsel faalt. Van een gelijk geval als in de zaak van [naam 9] is geen sprake. DNB heeft in het verweerschrift toegelicht dat de matiging van de boete in de zaak [naam 9] niet slechts is gekoppeld aan het inwinnen van juridisch advies.

(…)

7.5.

Net als in de uitspraak van 24 juli 2015 ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de aan [naam 1] opgelegde bestuurlijke boete van € 100.000,- op grond van de evenredigheid verder dient te worden gematigd met 25%.

Van apert kwade wil zijdens [naam 1] is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB ten onrechte geen gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de overtreding in korte tijd ongedaan is gemaakt en dat ook [naam 1] zich hiertoe heeft ingespannen. Dat zijn rol afweek van [naam 4] en [naam 5] , zoals ter zitting gesteld, is de rechtbank onvoldoende gebleken. Kort nadat een openbare waarschuwing is uitgevaardigd (30 oktober 2012) en de voorzieningenrechter de dag erna uitspraak heeft gedaan, heeft [naam 2] zich op 1 november 2012 alsnog bereid verklaard emissies IV en V niet te laten plaatsvinden, dan wel te bevriezen. De personen die reeds gelden hadden ingelegd kregen hun gelden teruggestort. Vervolgens heeft de Raad van Commissarissen van [naam 3] op 7 januari 2013 toegezegd dat de door DNB geconstateerde overtreding zou worden beëindigd, hetgeen op 16 februari 2013 daadwerkelijk is gebeurd. De structuur is in zeer korte tijd omgezet.

Dit betekent dat aan [naam 1] op die grond een boete van € 75.000,- dient te worden opgelegd.

Nu DNB in het bestreden besluit op een andere grond, namelijk bij de beoordeling van de draagkracht, reeds tot een matiging van het boetebedrag van € 75.000,- is gekomen, is [naam 1] naar het oordeel van de rechtbank door het motiveringsgebrek niet benadeeld. De rechtbank passeert dit gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

(…)

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen [naam 1] in beroep heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat hij de boete niet kan dragen. [naam 1] heeft onvoldoende inzage gegeven in zijn financiële gegevens. Dat hij inmiddels geen of minder inkomsten zou genereren dan tijdens zijn werkzaamheden voor [naam 3] valt voor DNB en de rechtbank niet te verifiëren op basis van de huidige gegevens. Zo heeft DNB tijdens de zitting er terecht op gewezen dat zijn inkomsten vanuit [naam 10] B.V. onduidelijk zijn en dat er op een bankafschrift van oktober 2014 zowel een storting van € 2.700,- als van € 6.000,- is gedaan. Daarnaast is ter zitting gebleken dat [naam 1] sinds 4 juli 2014 bestuurder van een onderneming genaamd [naam 11] B.V. is, maar daarvan heeft hij in het geheel geen gegevens overgelegd. Dat er geen gegevens zouden zijn dan wel dat [naam 1] geen enkel inkomen uit deze onderneming zou hebben ontvangen is niet aannemelijk gemaakt. Voor matiging op grond van zijn draagkracht bestaat dan ook geen aanleiding.

Overigens is van belang dat ter zitting namens DNB desgevraagd is toegelicht dat een langere betalingstermijn dan twee jaar mogelijk is indien daartoe een voldoende gemotiveerd verzoek door [naam 1] wordt gedaan.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
[naam 1] voert in zijn eerste hogerberoepsgrond aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan zijn standpunt dat de ingewonnen (juridische) adviezen en doorlopende bijstand door diverse specialisten ten minste in enige zin zouden moeten afdoen aan de mate van verwijtbaarheid en dat dit dient te leiden tot (nadere) matiging van de boete. De rechtbank is in rechtsoverweging 7.3 van de aangevallen uitspraak enkel ingegaan op de verwijzing naar de boeteoplegging aan de heer [naam 9] . Aan haar overweging in rechtsoverweging 4.7 dat juridische specialisten zijn geraadpleegd bij de structurering van de activiteiten en het opstellen van diverse benodigde documenten niet maakt dat hem ter zake in het geheel geen verwijt treft, verbindt de rechtbank ten onrechte niet de gevolgtrekking dat een (nadere) matiging van de boete op zijn plaats is.

4. DNB merkt op dat de enkele omstandigheid dat [naam 1] advies zou hebben gevraagd aan verschillende adviseurs hem niet ontslaat van de verplichting om de noodzakelijke maatregelen te treffen om overtreding van de van toepassing zijnde wettelijke verplichtingen te voorkomen. Voorts heeft [naam 1] nagelaten om de gestelde adviezen over te leggen.

5. Het College kan uit rechtsoverweging 4.7 van de aangevallen uitspraak, anders dan [naam 1] doet, niet afleiden dat de rechtbank heeft geoordeeld dat aan [naam 1] de overtreding in mindere mate wordt verweten, mede gelet op hetgeen de rechtbank (tevens) heeft overwogen in de hiervoor onder 2. weergegeven slotzin van die rechtsoverweging. Het College onderschrijft voorts rechtsoverweging 6 van de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank ingaat op het betoog van [naam 1] dat de overtreding hem wegens de bijstand door specialisten vanuit diverse disciplines niet kan worden verweten en waarin dat betoog wordt verworpen. Met de rechtbank is het College van oordeel dat aan [naam 1] niet in mindere mate een verwijt kan worden gemaakt van de overtreding vanwege de ingewonnen adviezen. In zoverre bestaat geen aanleiding om de boete te matigen.

De hogerberoepsgrond faalt.

6. In zijn tweede hogerberoepsgrond keert [naam 1] zich tegen rechtsoverweging 7.5 van de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een motiveringsgebrek dat gepasseerd kan worden. [naam 1] voert aan dat hij eerst in beroep in eerste aanleg een beroep heeft kunnen doen op de genoemde uitspraak van de rechtbank van 24 juli 2015 en zich naar aanleiding van die uitspraak op het standpunt heeft gesteld dat het beroep gegrond is en de boete met 25% dient te worden gematigd.

7. In het incidenteel hoger beroep keert DNB zich met haar enige beroepsgrond eveneens tegen rechtsoverweging 7.5, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat sprake is van apert kwade wil van de zijde van [naam 1] . DNB betoogt dat apert kwade wil geen omstandigheid is die behoort te worden betrokken bij de vraag of sprake is van een evenredige boete, als eenmaal is vastgesteld dat er sprake is van (normale) verwijtbaarheid.

8. Het College ziet aanleiding eerst de hogerberoepsgrond van DNB te beoordelen. De rechtbank heeft overwogen dat DNB de overtreding van het bankverbod gezien de duur, het aantal transacties en de omvang van de transactiestromen aanzienlijk in omvang heeft kunnen achten en als [een] ernstige overtreding heeft kunnen beschouwen. De rechtbank is niet tot het oordeel gekomen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Een mogelijk ontbreken van apert kwade wil vormt dan niet een zelfstandige boeteverlagende omstandigheid die kan worden betrokken bij de vraag of sprake is van een evenredige boete (zie de genoemde uitspraak van 1 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:352, rechtsoverweging 6.5). Zoals hiervoor onder 5 is overwogen kan aan [naam 1] niet in mindere mate een verwijt worden gemaakt van de overtreding. De rechtbank heeft niet op die grond tot het oordeel kunnen komen dat de aan [naam 1] opgelegde boete diende te worden gematigd tot € 75.000. In zoverre is het hoger beroep van DNB gegrond en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de grondslag aan de tweede hogerberoepsgrond van [naam 1] is ontvallen.

10. [naam 1] keert zich in zijn derde en laatste hogerberoepsgrond tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 8.2 van de aangevallen uitspraak dat uit hetgeen hij heeft aangevoerd niet kan worden afgeleid dat hij de boete niet kan dragen.

11 DNB heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

12. Het College overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en aan stukken hebben overgelegd als volgt.

12.1

DNB heeft bij besluit op bezwaar van 20 maart 2015 de bij besluit van 13 maart 2014 aan [naam 1] opgelegde boete van € 100.000 gematigd naar € 75.000 op grond van de door [naam 1] overgelegde financiële gegevens betreffende zijn draagkracht. Op grond van de inhoud van die gegevens acht DNB het kennelijk aannemelijk dat [naam 1] ten tijde van de boete-oplegging op 13 maart 2014 niet een boete van € 100.000, maar wel een boete van € 75.000 kon dragen. Dat [naam 1] een boete van € 75.000 kon dragen, heeft DNB blijkens het verweerschrift in eerste aanleg bepaald door op het gemiddelde jaarinkomen van [naam 1] over de jaren 2010 – 2014, te weten een bedrag van € 96.384 (naar DNB meent het netto-jaarinkomen), in mindering te brengen op diens vaste jaarlijkse lasten, bestaande uit aflossing van zijn hypotheek, afbetaling van persoonlijke leningen en kosten voor levensonderhoud, te weten een bedrag van € 47.391. DNB heeft aldus het vrijelijk beschikbaar inkomen van [naam 1] op jaarbasis vastgesteld op een bedrag van € 48.993. Met dat inkomen heeft DNB [naam 1] in staat geacht om ten tijde van de boete-oplegging over een periode van twee jaar een boetebedrag van € 75.000 te voldoen.

DNB erkent thans dat het genoemde bedrag van € 96.384 niet het netto-inkomen, maar het bruto-inkomen over de genoemde jaren betreft. DNB bestrijdt voorts niet de gemotiveerde en onderbouwde stelling van [naam 1] dat het werkelijke netto-inkomen over die jaren ruim € 35.000 lager ligt, te weten € 61.000. Ten aanzien van de door DNB in aanmerking genomen jaarlijkse vaste lasten stelt [naam 1] dat deze hoger zijn, erop wijzende dat in de berekening van DNB slechts € 400 per maand resteert als kosten van levensonderhoud voor een gezin, bestaande uit zes personen waarvan vier jonge kinderen. [naam 1] laat echter na te stellen en te onderbouwen wat de werkelijke hoogte van de jaarlijkse vaste lasten zou zijn. Het College gaat derhalve uit van vorengenoemd bedrag aan vaste jaarlijkse lasten van € 47.391.

Het voorgaande betekent dat het College uitgaat van een jaarlijks bedrag aan vrijelijk beschikbaar inkomen van (€ 61.000 minus € 47.391 =) € 13.609. Gelet op dat bedrag is het College van oordeel dat [naam 1] ten tijde van de boete-oplegging in een periode van twee jaar een boete kon betalen van € 25.000.

Uitgaande van een jaarlijks bedrag aan vrijelijk beschikbaar inkomen van € 13.609 ziet het College, anders dan DNB ter zitting desgevraagd heeft gesteld, niet in dat [naam 1] ten tijde van de boete-oplegging een boete van € 40.000 kon dragen. Het College volgt DNB ook niet in haar uiteenzetting ter zitting dat zij niet tot een matiging van de boete tot een bedrag van € 40.000 zou zijn overgegaan, omdat de boete van € 40.000 dan teveel uit de pas zou lopen met de boetes opgelegd aan de andere bestuurders van [naam 2] , zij diepgaander onderzoek zou hebben verricht naar de draagkracht van [naam 1] en dat dan uit het handelsregister zou zijn gebleken dat [naam 1] medebestuurder is van [naam 11] B.V. DNB gaat er daarbij aan voorbij dat de boete van [naam 1] dient te worden gematigd op basis van het ontbreken van draagkracht gezien de individuele omstandigheden, zodat in dit opzicht geen sprake is van een gelijk geval ten opzichte van de gevallen van de beide andere bestuurders. Bovendien bestond [naam 11] B.V. nog niet op het moment van de boete-oplegging, nu uit een door [naam 1] overgelegd uittreksel uit het handelsregister blijkt dat de vennootschap eerst op 4 juni 2014 is opgericht.

Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat [naam 1] op het moment van de boete-oplegging niet een boete van € 75.000, maar een boete van € 25.000 kon dragen.

12.2

Voor zover [naam 1] stelt dat hij thans een boete van € 25.000 niet (meer) kan dragen overweegt het College dat op [naam 1] de stelplicht en de bewijslast rust van de relevante feiten en omstandigheden om dat aan te tonen. [naam 1] heeft echter onvoldoende inzicht gegeven in zijn huidige financiële situatie. Dat hij inmiddels geen of minder inkomsten zou hebben valt op basis van de overgelegde gegevens niet vast te stellen. [naam 1] heeft nagelaten om de aanslagen Inkomstenbelasting vanaf 2012 en de definitieve winst- en verliesrekeningen van [naam 10] B.V. over te leggen. Voorts heeft DNB er terecht op gewezen dat [naam 1] niet uit eigen beweging heeft gemeld dat hij (mede)bestuurder is van [naam 11] B.V., [naam 12] B.V., [naam 13] B.V., [naam 14] B.V., [naam 15] B.V. en [naam 16] B.V. [naam 1] heeft zijn stelling dat dit alle thans lege vennootschappen betreffen niet onderbouwd. [naam 1] had in dit kader bijvoorbeeld een verklaring van een accountant kunnen overleggen. Ten aanzien van [naam 11] B.V. heeft [naam 1] gesteld meerdere keren tevergeefs te hebben gemaild en gebeld met medebestuurder de heer [naam 17] om deze vennootschap op te heffen. [naam 1] heeft echter slechts één e-mailbericht overgelegd. Ook zou de Nederlandse bankrekening van deze vennootschap zijn opgeheven, maar ook hiervan ontbreekt onderbouwing. Ten aanzien van [naam 15] B.V. en [naam 14] B.V. heeft [naam 1] slechts zijn eigen aangiftes BTW overgelegd. Voorts heeft [naam 1] een saldi-overzicht van bankrekeningen van hemzelf en diens gezinsleden overgelegd. Dat overzicht is ongedateerd en geeft onvoldoende inzicht. Hoewel [naam 1] stukken heeft overgelegd over hypotheekschulden en een op 21 februari 2017 geplande openbare verkoop van een woning, kan het College er niet aan voorbijgaan dat [naam 1] over zijn inkomsten nauwelijks gegevens heeft verstrekt.

Gelet op het voorgaande heeft [naam 1] niet aannemelijk gemaakt dat hij thans een boete van € 25.000 niet kan dragen.

12.3

Het College komt tot de conclusie dat de derde hogerberoepsgrond van [naam 1] slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College in zoverre het beroep gegrond verklaren, het besluit op bezwaar van 20 maart 2015 vernietigen voorzover de boete daarin is vastgesteld op € 75.000 en de boete vaststellen op € 25.000.

13. Het College veroordeelt DNB in de door [naam 1] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.475 ( 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Tevens dient het griffierecht in beroep en in hoger beroep aan [naam 1] te worden vergoed.

Beslissing

Het College:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de boete;

  • -

    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen het besluit op bezwaar van 20 maart 2015 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het betreft de hoogte van de boete en bepaalt de boete op een bedrag van € 25.000 (zegge: vijfentwintigduizend euro);

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit op bezwaar van
    20 maart 2015 voor zover dit is vernietigd;

  • -

    bevestigt de bestreden uitspraak voor het overige;

  • -

    draagt DNB op het betaalde griffierecht in beroep van € 167 en in hoger beroep van € 251 aan [naam 1] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt DNB in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 2.475.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. S.C. Stuldreher en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. S.D.M. Michael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. S.D.M. Michael