Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:87

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB, blijvend grasland, toeslagrechten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/355

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

en

de staatsecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Vries en A. Aalmers).

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2012 opnieuw vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016.

Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Het primaire besluit is genomen na 1 januari 2015. De Regeling is, evenals de Verordeningen (EG) nrs. 73/2009, 1120/2009 en 1122/2009 waaraan zij uitvoering geeft, per die datum vervallen. Voor de Regeling is per 1 januari 2015 in de plaats gekomen de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling blijft de Regeling van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015. Naar het oordeel van het College volgt uit deze overgangsrechtelijke bepaling dat de Regeling van toepassing blijft op de besluiten tot het vaststellen van bedrijfstoeslag die zijn genomen op voor 1 januari 2015 ingediende aanvragen voor bedrijfstoeslag. Het College ziet voor dit oordeel steun in de overgangsrechtelijke bepalingen uit de Verordeningen die in de plaats zijn gekomen van de Verordeningen (EG) nrs. 73/2009, 1120/2009 en 1122/2009, te weten de Verordeningen (EU) nrs. 1306/2013 en 1307/2013 (artikel 72, tweede lid) en de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 (artikel 43, aanhef en onder a). Uit dit oordeel volgt dat verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit terecht heeft genomen met toepassing van de Regeling.

1.2

Met het formulier “Gecombineerde opgave 2012” heeft appellant om uitbetaling van zijn toeslagrechten verzocht en hiervoor een totale oppervlakte van 34.24 ha opgegeven. Appellant heeft hierbij perceel 1 opgegeven met een beteelde oppervlakte van 4.60 ha en gewascode 265, blijvend grasland.

1.3

Bij besluit van 26 februari 2013 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2012 vastgesteld op € 92.655,73. Verweerder heeft bij dit besluit de volledige opgegeven oppervlakte van 4.60 ha voor perceel 1 goedgekeurd.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2012 herberekend vanwege gewijzigde gegevens en deze vastgesteld op € 90.121,35. Verweerder heeft hierbij voor perceel 1 een oppervlakte van 4.0 ha goedgekeurd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk vervangen. Voor perceel 1 heeft verweerder de bij het primaire besluit goedgekeurde oppervlakte van 4.0 ha gehandhaafd.

3.1

In geschil is de subsidiabele oppervlakte van perceel 1. Appellant heeft perceel 1 opgegeven als blijvend grasland, maar verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de luchtfoto’s van het jaar 2012 blijkt dat het perceel niet volledig uit een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen bestaat. Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet dat het een perceel betreft met daarin een grote vijver/poel. Op de luchtfoto’s is te zien dat appellant ook delen van het perceel heeft ingetekend waar niet overwegend gras staat. Op die delen is sprake van een moerassig of verruigd gebied. Een gedeelte van de opgegeven oppervlakte staat zelfs een deel van het jaar onder water. De stelling van appellant dat er op de afgekeurde oppervlakte wel runderen lopen, maakt het voorgaande niet anders. De afgekeurde delen zijn immers afgewezen, omdat het geen blijvend grasland en dus geen landbouwgrond betreft. De aanwezigheid van runderen op het betreffende deel maakt niet dat daarmee wel sprake is van landbouwgrond.

3.2

Appellant betoogt dat het gehele perceel 1 subsidiabele landbouwgrond betreft. Het gaat om een perceel blijvend grasland met verschillende hoogtes en grillige en kromme grenzen, waardoor de subsidiabele oppervlakte van het perceel nooit alleen aan de hand van luchtfoto’s kan worden vastgesteld. Appellante verwijst hierbij naar de GPS-meting van meetbedrijf Kavel 10. Daarbij stelt appellante dat het perceel extensief wordt gebruikt, namelijk dat het vanaf 1 juli wordt gemaaid en daarna extensief wordt beweid.

3.3

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van Verordening 73/2009, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt de steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling aan landbouwers toegekend na activering van een toeslagrecht per subsidiabele hectare. Elk geactiveerd toeslagrecht geeft recht op betaling van het in het kader van dat toeslagrecht vastgestelde bedrag. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalde dat, voor zover hier van belang, onder ‚subsidiabele hectare’ wordt verstaan om het even welke landbouwgrond van het bedrijf, die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Artikel 2, aanhef en onder h van die verordening verstond onder landbouwgrond: om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of voor de teelt van blijvende gewassen.

3.4

De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, dus een landbouwgrond zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).

3.5

Ten aanzien van de door verweerder afgekeurde gedeeltes van perceel 1 stelt het College op basis van de door verweerder overgelegde luchtfoto’s vast dat een deel hiervan ruigtes betreft en dus geen blijvend grasland, maar dat niet op basis van die luchtfoto’s kan worden geoordeeld dat dit voor alle afgekeurde delen van het perceel geldt. Zowel uit die luchtfoto’s als uit de door appellant overgelegde foto’s blijkt dat bepaalde afgekeurde delen dezelfde kleur groen hebben als bepaalde delen van het perceel die wel tot de door verweerder goedgekeurde oppervlakte behoren, zodat de kleur hier in zoverre niet onderscheidend en daarmee bepalend is voor het oordeel of al dan niet sprake is van blijvend grasland. Aan de op de luchtfoto’s zichtbare maaigrens komt evenmin doorslaggevende betekenis toe. Appellant heeft, zoals hij ter zitting onweersproken heeft verklaard, de maaigrens niet gelegd op de grens van het blijvende grasland, maar op het makkelijkst te maaien deel van het perceel met de hoogste voederkwaliteit. Dat enkele delen rondom de vijver of poel niet bij het maaien zijn meegenomen wil daarom nog niet zeggen dat op die delen geen sprake is van blijvend grasland.

4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (het zorgvuldigheidsbeginsel). Het College acht geen termen aanwezig het geschil finaal te beslechten dan wel de bestuurlijke lus toe te passen. Het College zal verweerder daarom opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van tien weken.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret