Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:86

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
16/250 en 16/623
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2012 en 2014. Dynamisch natuurgebied met karrevelden. Landbouwgrond? NVWA-controle AAN-laag.

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 16/250 en 16/623

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. M.A.G. van Leeuwen en A. Aalmers).

Procesverloop

16/250

Bij besluit van 30 juni 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2014 vastgesteld.

Bij besluit van 4 maart 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

16/623

Bij besluit van 23 december 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2012 opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 24 juni 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Namens appellante is voorts [naam 2] verschenen.

Overwegingen

De zaak 16/250

1.1

In het kader van de vaststelling bedrijfstoeslag 2014 heeft appellante meerdere percelen met een oppervlakte van in totaal 265,61 ha voor betaling opgegeven. Verweerder heeft hiervan 233,61 ha goedgekeurd. Aan appellante is in totaal een bedrijfstoeslag van € 107.489,31 uitbetaald. Bij de berekening van de bedrijfstoeslag heeft verweerder een sanctiekorting van tweemaal de afgekeurde oppervlakte toegepast omdat het vastgestelde verschil meer dan 3% van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

1.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. De goedgekeurde oppervlakte komt op 248,86 ha in totaal. De bedrijfstoeslag van appellante is op € 134.688,15 bepaald. Omdat het verschil nog steeds meer dan 3% bedroeg, heeft verweerder een sanctiekorting toegepast van tweemaal de afgekeurde oppervlakte. Verweerder heeft zijn oordeel gebaseerd op luchtfoto’s en op het Rapport fysieke controles, nr. 171/14/0034, gedateerd 31 oktober 2014, van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA).

2.1

Appellante voert aan dat het NVWA-rapport onjuist is omdat daarin geen melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van dammen op appellantes percelen. Ook is het rapport onduidelijk. Appellante is bovendien ten onrechte niet bij het NVWA-veldbezoek betrokken.

2.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de percelen van appellante liggen in een natuurgebied met wisselende grondwaterstanden, dat zich aan de hand van alleen luchtfoto’s niet goed laat beoordelen en dat er in de zomer van 2014 een veldonderzoek heeft plaatsgevonden om de percelen in dit gebied te controleren. Verweerder betwist dat het rapport onzorgvuldig is.

2.3

Het College stelt vast dat uit het NVWA-rapport blijkt dat het gebied een natuurontwikkelingsgebied is. Het veldonderzoek is verricht in het kader van een (her)vaststelling van de AAN-laag. In het NVWA-rapport is opgenomen dat het onderzoek van 18 juli 2014 tot 4 september 2014, dus in de zomerperiode van 2014, heeft plaatsgevonden. Het onderzoek betreft volgens het rapport percelen van vele gebruikers en eigenaren. Daarom zijn deze ook niet vooraf of achteraf op de hoogte gesteld van de controles. Verder is tijdens het onderzoek gebleken dat niet in alle gevallen de waterstanden waren zoals gewenst. Daarom zijn bij het waterschap nog peilgegevens opgevraagd waardoor het mogelijk was om na te gaan of de waterstanden overeenkomstig de gewenste waterstanden waren. Sommige delen zijn niet gemeten omdat hier werkzaamheden plaatsvonden dan wel de waterstand nog niet conform het convenant was. In de bijlages van het rapport staan onder meer kaarten waarbij de AANID-nummers van de betreffende percelen zijn vermeld. Op deze kaarten staat ook waar de bijgevoegde foto’s zijn genomen.

2.4

Uit het voorgaande volgt dat het onderzoek van de NVWA niet een specifiek op appellante gericht onderzoek betreft. Er is geen voorschrift op grond waarvan appellante bij het veldonderzoek betrokken had moeten worden, dan wel van de onderzoeksresultaten op de hoogte had moeten worden gesteld. Gelet op het doel van het onderzoek bestond daar ook anderszins geen aanleiding toe. Verder kan uit het verweerschrift worden afgeleid welke AAN-percelen in het NVWA-rapport de percelen van appellante zijn. Blijkens de toelichting (p. 3 van bijlage 2 bij het rapport) zijn de percelen natuurlijke graslanden, die bijna allemaal op eilanden liggen. Volgens de controleurs is begrazing in principe mogelijk op de te voet bereikbare delen. De tussenliggende delen zijn vrij diep en breed en voor vee moeilijk bereikbaar. Delen die bereikbaar waren via een dam zijn gemeten als ‘percelen’. De delen die niet te voet bereikbaar zijn, zijn niet ingemeten, aldus de toelichting. Gelet op deze toelichting is de aanwezigheid van dammen wel betrokken bij de beoordeling. Het College ziet in zijn algemeenheid geen grond voor het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Het is naar het oordeel van het College dan ook niet onjuist dat verweerder dit rapport in zijn beoordeling betrekt. In zoverre slaagt het beroep niet.

3.1

Appellante voert aan dat verweerder de afgewezen oppervlakte van de percelen 36, 64, 66, 67, 68, 75, 76 en 77 voor de bedrijfstoeslag 2014 ten onrechte niet heeft aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. Genoemde percelen zijn lange begroeide stroken land met daartussen sloten (karrevelden) die op grond van de pachtovereenkomst moeten worden begraasd. De percelen zijn volledig beschikbaar voor vee. Het vee kan ook de karrevelden begrazen, omdat het vee ernaar toe kan zwemmen of via de aangelegde dammen kan bereiken.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de oppervlakte van die percelen voor de bedrijfstoeslag 2014 correct heeft vastgesteld. De controleur van de NVWA heeft geconstateerd dat de afgewezen delen van de percelen in de zomer van 2014 bestonden uit water of niet konden worden begraasd. De luchtfoto’s uit 2014 bevestigen de bevindingen van de NVWA. Verweerder heeft ter zitting in aanvulling daarop naar voren gebracht dat de afgewezen delen van de percelen, ook al staan zij droog en zijn zij bereikbaar, geen landbouwgrond zijn en daarom ook niet subsidiabel. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat de karrevelden niet alleen met gras zijn begroeid; delen van de karrevelden zijn verruigd en er groeit zeekraal.

3.3

Het College overweegt als volgt. Het NVWA-rapport heeft de karrevelden alleen als natuurlijk grasland aangemerkt voor zover zij bereikbaar zijn. Aan deze constatering ligt een uitgebreid veldonderzoek ten grondslag. Het enkele feit dat delen van de karrevelden soms ook droog staan en wel bereikbaar zijn, maakt niet dat deze velden daarmee als landbouwgrond kunnen worden aangemerkt. Daarbij komt dat ook indien de afgekeurde delen van de percelen bereikbaar zouden zijn geen sprake is van landbouwgrond. Daartoe is het volgende redengevend.

3.4

Op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009) wordt onder een subsidiabele hectare verstaan landbouwgrond die voor een landbouwactiviteit wordt gebruikt. Om voor bedrijfstoeslag in aanmerking te komen, is dus onvoldoende dat grond voor landbouwactiviteiten, zoals begrazing door vee, wordt gebruikt. De grond moet tevens landbouwgrond zijn. Landbouwgrond is gelet op artikel 2, aanhef en onder h, van Verordening 73/2009 grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of voor de teelt van blijvende gewassen. Op grond van artikel 2, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 1120/2009) is blijvend grasland grond met een natuurlijke vegetatie van grassen of andere kruidachtige gewassen die gedurende ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf werd opgenomen, waarbij in dit verband onder “grassen en andere kruidachtige voedergewassen” wordt verstaan: alle kruidachtige planten die in de lidstaat traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels voor grasland worden opgenomen (ongeacht of het betrokken grasland al dan niet voor het weiden van dieren wordt gebruikt).

3.5

Op de luchtfoto’s van de afgewezen oppervlakte is te zien dat de droogstaande karrevelden rood, wit, bruin en groen van kleur zijn. De rode delen zijn zeekraal. De witte en bruine delen zijn verruiging. Verruiging en zeekraal zijn geen blijvend grasland. Enkel de groene delen zijn begroeid met gras. De groene delen zijn niet in overheersende mate aanwezig op de karrevelden, zodat de karrevelden geen blijvend grasland zijn.

3.6

De conclusie is dat gelet op de door verweerder gevolgde beoordelingswijze en gezien de luchtfoto’s verweerder de betreffende delen van de percelen terecht niet als landbouwgrond heeft aangemerkt en de oppervlakte van de percelen correct heeft vastgesteld.

4. Appellante beroept zich er nog op dat op de percelen 19, 24 en 50, die in het bestreden besluit alsnog zijn goedgekeurd, sprake is van eenzelfde situatie als de percelen die in dit geding ter beoordeling staan en de pachtovereenkomst in begrazing voorziet. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat deze percelen grasland zijn. De afgewezen percelen zijn, zoals in 3.5 is overwogen, geen grasland en dus ook geen landbouwgrond. De pachtovereenkomst maakt dit niet anders. Appellante kan ten slotte geen vertrouwen ontlenen aan de door haar gestelde eerdere goedkeuringen van haar opgaven door verweerder, omdat nu juist de situatie van de percelen in 2014 ter beoordeling staat.

5. Het beroep van appellante is ongegrond.

De zaak 16/623

6.1

Appellante heeft in haar Gecombineerde Opgave van 2012 een totale oppervlakte van 264,74 ha voor uitbetaling opgegeven. In het kader van de vaststelling bedrijfstoeslag 2012 van appellante heeft verweerder hiervan bij besluit van 25 juli 2013 249,90 ha goedgekeurd. Aan appellante is in totaal een bedrijfstoeslag van € 147.510,66 uitbetaald.

6.2

Naar aanleiding van nieuwe gegevens heeft verweerder de percelen 1, 42, 64, 65, 66, 67 en 68 alsnog (deels) afgekeurd. In totaal is 231,01 ha goedgekeurd. Dit heeft geleid tot een verlaging van de bedrijfstoeslag tot € 114.003,18. Bij de berekening van de bedrijfstoeslag heeft verweerder een sanctiekorting van tweemaal de afgekeurde oppervlakte toegepast omdat het vastgestelde verschil meer dan 3% van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

6.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. De goedgekeurde oppervlakte van perceel 68 is verder verkleind, zodat in totaal 20,94 ha van de oppervlakte van de percelen 1, 42, 64, 65, 66, 67 en 68 is afgekeurd. De goedgekeurde oppervlakte komt op 234,72 ha in totaal. Omdat het verschil nog steeds meer dan 3% bedroeg, heeft verweerder een sanctiekorting toegepast van tweemaal de afgekeurde oppervlakte. De bedrijfstoeslag van appellante is op € 120.584,07 bepaald.

7.1

Appellante voert, met dezelfde gronden als in de zaak 16/250, aan dat het NVWA-rapport onduidelijk is en dat verweerder de afgewezen oppervlakte van de percelen 1, 42, 64, 65, 66, 67 en 68 voor de bedrijfstoeslag 2012 ten onrechte niet heeft aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. Appellante voert in aanvulling daarop aan dat perceel 42 in de zomer volledig droog staat.

7.2

Verweerder verwijst naar zijn verweer in de zaak 16/250.

7.3

Het College verwijst naar zijn overwegingen in de zaak 16/250. In aanvulling daarop overweegt het College nog dat op zowel de zomer- als de winterfoto’s van perceel 42 duidelijk is te zien dat de afgewezen delen niet droog staan en daarmee geen landbouwgrond zijn.

8. Het beroep is ongegrond

In de zaken 16/250 en 16/623

9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.

w.g. H.B. van Gijn w.g. M.J. Boon