Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:8

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
16/34
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling retributies VWA veterinaire en hygiënische aangelegenheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/34

11237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , namens [naam 2] , te [plaats] , appellante,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C.M. Harteveld-van den Bosch).

Procesverloop

Op 11 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder, op grond van de artikel 8, eerste en vierde lid, van de Regeling NVWA-tarieven, kosten ten bedrage van € 661,87 in rekening gebracht bij [naam 2] te [plaats] .

Bij besluit van 2 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door appellante namens [naam 2] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2016.

Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Op 12 augustus 2015 heeft appellante namens [naam 2] een aanvraag ingediend bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor het beoordelen van een certificaattekst ten behoeve van export van paarden naar Bahrein. De ontvangst van deze aanvraag is door de NVWA op dezelfde dag bevestigd. Daarbij is appellante erop gewezen dat met betrekking tot deze aanvraag tot beoordeling een tarief van € 661,87 (retributie) verschuldigd is.

1.2

Op 25 augustus 2015 is de door appellante aangeleverde tekst ten behoeve van het certificaat door een beoordelaar van de NVWA beoordeeld.

1.3

Op 11 september 2015 heeft verweerder een factuur (het primaire besluit) verzonden, ter inning van de verschuldigde retributie. Op de achterzijde deze factuur, staat voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“Bezwaar

Als u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u binnen zes weken na verzending van deze factuur digitaal of schriftelijk een bezwaarschrift indienen. (…)

Wilt u toch een bezwaarschrift sturen, dan moet dit binnen zes weken na de datum die op de factuur staat. Let op: doe dit op tijd, anders kan uw bezwaar niet behandeld worden. (…)”

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. Verweerder ziet in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Verweerder biedt zijn excuses aan voor het feit dat appellante van de NVWA geen antwoord op al haar vragen heeft gekregen, maar is van mening dat dit niet zwaarwegend genoeg is om te oordelen dat zij niet in verzuim is geweest. Van een ondernemer mag verwacht worden dat hij zich in kennis laat stellen van de geldende wet- en regelgeving.

3. Appellante voert, voor zover thans van belang, het volgende aan. De NVWA heeft eerst een factuur gestuurd en neemt na betaling pas de aanvraag in behandeling. Voordat daarop antwoord komt, zijn al zes weken verstreken. Daardoor is het dus onmogelijk om op tijd bezwaar te maken. Appellante is door de juridische afdeling van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geadviseerd om voortaan een pro forma bezwaar in te dienen. Zij vindt dit een vreemde werkwijze, omdat niet duidelijk is waartegen dan bezwaar moet worden gemaakt. Pas na maanden werd duidelijk waar de NVWA mee bezig was.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Het geschil dat bij het College voorligt beperkt zich tot het beantwoorden van de vraag of verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2

De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen luiden als volgt.

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3

Het primaire besluit is gedateerd 11 september 2015 en is per post verzonden naar het adres van [naam 2] . Daarmee heeft verweerder voldaan aan de bekendmakingsplicht bedoeld in artikel 3:41 van de Awb. Appellante heeft de ontvangst van dit besluit ook niet betwist.

4.4

De bezwaartermijn ving aan op 12 september 2015 liep tot en met 23 oktober 2015. Het bezwaar is gedateerd 19 november 2015 en is op 26 november 2015 ter post bezorgd. Verweerder heeft dus terecht overwogen dat het bezwaar is ingediend buiten de daarvoor in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn.

4.5

Voorts is de vraag aan de orde of verweerder deze termijnoverschrijding verschoonbaar had moeten achten.

4.6

Allereerst stelt het College vast dat het primaire besluit is voorzien van een juiste rechtsmiddelenclausule. Appellante wist dus, althans zij behoorde te weten dat zij binnen zes weken bezwaar diende te maken, indien zij het niet eens was met die factuur. Ook wist althans behoorde appellante te weten dat verweerder haar bezwaar niet zou behandelen, indien zij dit buiten de termijn zou indienen.

4.7

Voor zover de stellingen van appellante in beroep moeten worden opgevat als een beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, dan slaagt dat beroep naar het oordeel van het College niet.

4.8

Met betrekking tot de stelling dat het onmogelijk is om op tijd bezwaar te maken omdat de NVWA eerst een factuur stuurt en na betaling pas de aanvraag in behandeling neemt, overweegt het College als volgt. In de eerste plaats is deze werkwijze in overeenstemming met artikel 8, eerste en vierde lid, gelezen in verbinding met Bijlage D, onderdeel b, van de Regeling NVWA tarieven. In de tweede plaats staat de verschuldigdheid van de retributie los van de uitkomst van de te verrichten beoordeling, zoals verweerder ter zitting terecht heeft betoogd. Met andere woorden: indien appellante het niet eens is met de uitkomst van de beoordeling, betekent dit niet dat zij op grond van de Regeling NVWA tarieven geen retributie (meer) is verschuldigd. Bovendien heeft de beoordelaar zijn werkzaamheden verricht op 25 augustus 2015, dus vóór het verzenden van de factuur op 11 september 2015. Van een onmogelijkheid om binnen zes weken na 11 september 2015 tegen de factuur bezwaar te maken, is derhalve niet gebleken.

4.9

Dat appellante het een vreemde werkwijze vindt dat zij binnen de termijn pro forma bezwaar had moeten maken terwijl voor haar op dat moment niet duidelijk was waartegen haar bezwaar moest zijn gericht, leidt evenmin tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Voor zover appellante met deze stelling wenst te betogen dat zij binnen de bezwaartermijn – dus uiterlijk op 23 oktober 2015 – niet in staat was om inhoudelijke bezwaargronden te formuleren, merkt het College op dat daarvoor nu juist de mogelijkheid van het maken van pro forma bezwaar is bedoeld.

5. Nu het bezwaar buiten de daarvoor geldende termijn is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017.

w.g. J. Schukking w.g. S.M.J. Bos