Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:78

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
16/328
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerede twijfel over de juistheid opgave uittreding bestuurder van een stichting. Artikel 5, tweede lid, onder 3, van het Hrb. Nietig of vernietigbaar ontslagbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/328

24301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van de opgave van de uittreding van appellant als bestuurder van de Stichting [Stichting] (de Stichting) per 27 november 2015, alsmede tot inschrijving van de opgave van ontbinding en beëindiging van de Stichting per 29 november 2015.

Bij besluit van 30 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Appellant is verschenen.

Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Bij beschikking van 17 november 2016 heeft het College het onderzoek heropend. Verweerster is in de gelegenheid gesteld met stukken te onderbouwen waarom het gestelde handelen in strijd met de statuten geen gerede twijfel oplevert in de zin van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb). Verweerster heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Appellant heeft hierop zijn zienswijze gegeven.

Het College heeft vervolgens op 20 februari 2017, nadat appellant en verweerster hiertoe toestemming hebben verleend, het onderzoek in deze zaak gesloten.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het geschil gaat het College uit van de volgende feiten.

1.1

De Stichting is door appellant opgericht bij notariële akte van 23 maart 2012. Bij deze oprichtingsakte zijn zes personen, onder wie appellant, benoemd tot bestuurder.

1.2

Tussen partijen is niet in geschil, en ook het College gaat daarvan uit, dat twee bestuursleden die bij de oprichtingsakte zijn benoemd, zijn teruggetreden.

1.3

Het bestuur van de Stichting bestond sindsdien uit: appellant, [naam 2] , [naam 2] en [naam 3] . Laatstgenoemde stond niet in het handelsregister ingeschreven als bestuurder van de Stichting. In zijn schrijven van 20 december 2016 stelt appellant dat de bestuurssamenstelling van de Stichting nadien is gewijzigd.

1.4

Op 30 november 2015 heeft verweerster een opgave ontvangen waarbij de beëindiging van de functie als bestuurslid van de Stichting van appellant, per 27 november 2015, wordt gemeld. Dit opgaveformulier is ondertekend door [naam 2] . Op 30 november 2015 heeft verweerster tevens een opgave van ontbinding van de Stichting, met ingang van 29 november 2015, ontvangen. Ook dit opgaveformulier is ondertekend door [naam 2] .

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van deze opgaven.

1.6

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Appellant heeft, kort samengevat, aangevoerd dat aan deze opgaven geen rechtsgeldige bestuursbesluiten ten grondslag liggen omdat de besluiten zijn genomen in strijd met het bepaalde in de statuten van de Stichting. In dat verband heeft appellant er onder meer op gewezen dat hij geen oproeping heeft ontvangen voor de bestuursvergadering waarin tot zijn ontslag zou zijn besloten, hetgeen wel is vereist op grond van artikel 5, vierde lid, van de statuten, en dat het ontbindingsbesluit niet deugt omdat het bestuur van de Stichting op het moment van ontbinding niet uit het volgens artikel 3, eerste lid, van de statuten vereiste minimum aantal van drie bestuursleden bestond nu [naam 3] volgens appellant geen bevoegdheid had omdat hij niet in het handelsregister stond ingeschreven als bestuurder.

1.7

Bij brief van 11 januari 2016 heeft verweerster [naam 2] , [naam 3] en [naam 2] (belanghebbenden) verzocht om een reactie op het bezwaarschrift van appellant. Bij brief van 23 januari 2016 hebben zij op het bezwaar gereageerd. Daarbij hebben zij een aan appellant gerichte oproepingsbrief, gedateerd 23 mei 2015, voor een bestuursvergadering op 5 juni 2015 overgelegd, alsmede notulen van op 27 en op 29 november 2015 gehouden bestuursvergaderingen.

1.8

Appellant heeft bij brief van 18 februari 2016 hierop gereageerd. Een hoorzitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. Appellant heeft tijdens de hoorzitting zijn bezwaarschrift toegelicht. Belanghebbenden zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerster stelt vast dat het bestuur van de Stichting op 27 november 2015 uit vier bestuursleden bestond. Het feit dat [naam 3] nimmer als bestuurslid is ingeschreven in het handelsregister, doet voor diens interne bestuursbevoegdheid niet terzake. Het register is niet constitutief. Verweerster wijst erop dat blijkens de overgelegde notulen drie bestuursleden hebben besloten tot ontslag van appellant als bestuurslid. Indien er gebreken kleven aan de wijze van oproeping voor deze vergadering, is dit volgens verweerster een grond voor vernietiging van dat besluit ex artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de civiele rechter. Niet is gebleken van een nietig besluit ex artikel 2:14 van het BW, zodat er volgens verweerster in beginsel van moet worden uitgegaan dat de door het bestuur op 27 respectievelijk 29 november 2015 genomen besluiten rechtsgeldig zijn. Voor zover deze besluiten voor vernietiging in aanmerking komen, dient daartoe een uitspraak van de civiele rechter te worden verkregen.

3. In beroep heeft appellant het volgende aangevoerd. In de eerste plaats handhaaft appellant zijn stelling dat hij, in strijd met de statuten, niet is opgeroepen voor enige bestuursvergadering. De door belanghebbenden in bezwaar overgelegde oproepingsbrief, gedateerd 23 mei 2015, heeft hij nooit ontvangen en een verzendbewijs ontbreekt. Volgens appellant is het de taak van verweerster om bij uitschrijving van een bestuurslid te controleren of de statuten zijn nageleefd. Appellant is het niet eens met verweerster dat die vraag door hem aan de civiele rechter moet worden voorgelegd. Verder wijst appellant erop dat zijn handtekening ontbreekt op het formulier waarbij de opgave tot uitschrijving is gedaan, hetgeen volgens appellant voor verweerster aanleiding had moeten zijn tot twijfel aan de juistheid van die opgave. Ten aanzien van [naam 3] wijst appellant erop dat is gebleken dat deze hem ten tijde van de oprichting van de Stichting niet juist heeft ingelicht omtrent zijn woonadres en dat, indien hij destijds van de juiste situatie op de hoogte was geweest, hij er nooit voor had gekozen [naam 3] als bestuurslid in de oprichtingsakte op te nemen. Ten slotte stelt appellant dat de bestuursleden de Stichting hebben misbruikt en dat er sprake is van laster. In dat verband heeft appellant erop gewezen dat na de (onrechtmatige) ontbinding van de Stichting, deze door [naam 2] opnieuw is opgericht onder dezelfde naam, met andersluidende statuten, die volgens appellant geen waarborgen bieden tegen misbruik en waarmee hij niet geassocieerd wil worden.

4. Verweerster heeft het volgende verweer gevoerd. Verweerster onderzoekt of een opgave afkomstig is van een daartoe bevoegd persoon. Dat was hier het geval. Gelet op de bij de opgaven overgelegde notulen van de bestuursvergaderingen op 27 en 29 november 2015, had zij geen gerede twijfel over de juistheid van die opgaven. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft verweerster, gelet op het bepaalde in de oprichtingsakte van de Stichting en in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat [naam 3] is teruggetreden als bestuurder dan wel is ontslagen, geconstateerd dat het bestuur ten tijde van de besluitvorming omtrent het ontslag van appellant uit vier personen bestond. Dat [naam 3] nooit in het handelsregister is ingeschreven doet daar volgens verweerster niet aan af, omdat het register niet constitutief is. Uit de overgelegde notulen blijkt dat op 27 november 2015 appellant door de andere drie bestuurders is ontslagen en de resterende drie bestuursleden op 29 november 2015 hebben besloten tot ontbinding van de Stichting. Omdat er in onderzoek in bezwaar niet is gebleken van evident nietige besluiten in de zin van artikel 2:14 van het BW, was er voor verweerster niet alsnog gerede twijfel in de zin van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Hrb, op grond waarvan de inschrijvingen alsnog dienden te worden geweigerd. Zo het juist zou zijn dat aan de oproeping voor de vergadering van 27 november 2015 een gebrek kleeft, dan zou dat het ontslagbesluit vernietigbaar maken ex artikel 2:15 van het BW. De vaststelling of appellant rechtsgeldig is ontslagen en de Stichting rechtsgeldig is ontbonden is, zoals verweerster herhaalde malen naar voren heeft gebracht, aan de civiele rechter. Ten aanzien van het ontbreken van de handtekening van appellant op het wijzigingsformulier, stelt verweerster dat dit weliswaar wordt meegewogen in de beoordeling of er twijfel is over de juistheid van een opgave, maar dat het op zichzelf niet doorslaggevend is omdat er velerlei redenen kunnen zijn waarom die handtekening ontbreekt en verweerster dienaangaande niets kan afdwingen. In dit geval heeft verweerster geoordeeld dat, gelet op de specifieke omstandigheden, waaronder de ondertekende notulen van de bestuursvergadering, er geen solide reden was tot twijfel. Dat appellant bij de benoeming van [naam 3] heeft gedwaald en dat sprake is van misbruik en laster, maakt volgens verweerster het voorgaande niet anders.

5.1

Naar aanleiding van de heropeningsbeschikking, heeft verweerster, onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 mei 2015 (ECLI:GHDHA:2015:1211), uiteengezet dat ieder van de bestuurders van een stichting kan besluiten tot een oproep voor een vergadering en dat in het onderhavige geval, ingevolge artikel 6, eerste lid, van de statuten van de Stichting, in beginsel tot een rechtmatige besluitvorming kan worden gekomen, mits de meerderheid van het bestuur aanwezig is. Verweerster gaat er, gelet op de overgelegde notulen die door drie van de vier bestuurders zijn ondertekend, van uit dat er op 27 november 2015 een bestuursvergadering is geweest. Zij wijst erop dat indien appellant voor deze vergadering niet adequaat zou zijn opgeroepen, dit niet een nietig, maar een vernietigbaar (ontslag)besluit heeft opgeleverd en dat appellant dit besluit, vanwege schending van de oproepingsvoorschriften en van artikel 2:8 van het BW (het niet horen voor ontslag), voor vernietiging aan de civiele rechter had moeten voorleggen. Verweerster concludeert dat nu geen sprake is van een door de civiele rechter vernietigd besluit, zij niet alsnog gerede twijfel had moeten hebben aangaande het door haar genomen primaire besluit.

5.2

In zijn reactie hierop heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het bestuur van de Stichting een andere samenstelling had dan in de statuten of in het handelsregister is weergegeven. Ter toelichting herhaalt hij dat [naam 3] statutair stond ingeschreven als voorzitter onder een onjuist adres en dat deze bestuurder nimmer is ingeschreven in het handelsregister. Primair betekent dit volgens appellant dat het bestuur van de Stichting bestond uit drie bestuursleden, namelijk [naam 2] , [naam 2] en appellant, en dat het ontslaan van een van deze drie bestuursleden, gelet op artikel 3, eerste lid, van de statuten, niet mogelijk was. Mocht het handelsregister niet constitutief zijn dan wijst appellant erop dat hij begrepen heeft dat het bestuur ten tijde van belang bestond uit 5 à 6 bestuurders en dat het ontslagbesluit dus kennelijk niet is genomen tijdens een vergadering waarin de meerderheid daarvan aanwezig was. Volgens appellant had verweerster gelet op fundamentele totstandkomingsgebreken alsnog gerede twijfel moeten hebben over de juistheid van deze opgave.

6.1

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007 (Hrw), in samenhang met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van deze wet, is ieder der bestuurders van een stichting bevoegd tot het doen van de opgave ter inschrijving in het handelsregister.

6.2

Op grond van artikel 5 van het Hrb dient verweerster te onderzoeken of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen daarvan bevoegd is, en of de opgave juist is. Indien verweerster er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van een tot opgave bevoegd persoon weigert zij tot inschrijving over te gaan (artikel 5, eerste lid). Indien verweerster gerede twijfel heeft over de juistheid van een opgave, kan zij weigeren tot inschrijving over te gaan (artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e).

6.3

Ingevolge artikel 2:14, eerste lid, van het BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van het BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar:

a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;

b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist;

c. wegens strijd met een reglement.

6.4

De statuten van de Stichting, opgericht bij akte van 23 maart 2012, bepalen voor zover hier van belang, als volgt:

“Bestuur: samenstelling, wijze van benoemen

Artikel 3

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het bestuur vast te stellen aantal van ten minste drie bestuurders en maximaal zeven bestuurders. (…)

Bestuur: vergaderingen
Artikel 5

(…)

3. Voorts worden vergaderingen gehouden, wanneer een van de bestuurders daartoe de oproeping doet.

4. De oproeping tot een vergadering geschiedt ten minste zeven dagen tevoren, de dag van de oproeping en die van de vergadering niet meegerekend, door middel van een oproepingsbrief.

5. Een oproepingsbrief vermeldt, behalve plaats en tijdstip van de vergadering, de te behandelen onderwerpen. (…)

“Bestuur: besluitvorming

Artikel 6

1. Het bestuur kan in een vergadering alleen besluiten nemen indien de meerderheid van de in functie zijnde bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd is. (…)

Bestuur: defungeren

Artikel 7

Een bestuurder defungeert:

(…)

d. door ontslag door de gezamenlijke overige bestuurders; (…)

Statutenwijziging

Artikel 11

1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen. Een besluit tot statutenwijziging moet met algemene stemmen worden genomen in een vergadering waarin alle bestuurders aanwezig of vertegenwoordigd zijn. (…)

Ontbinding en vereffening

Artikel 12

1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden.

2. Op het besluit van het bestuur tot ontbinding is het bepaalde in artikel 11 lid 1 van overeenkomstige toepassing.”

7. Aan de orde is de vraag of verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen grond bestaat voor gerede twijfel over de juistheid van de opgaven zodat er geen aanleiding bestond om op voet van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Hrb het verzoek tot inschrijving van die opgaven alsnog te weigeren. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

7.1

Tussen partijen is niet in geschil, en ook het College stelt vast, dat de opgaven afkomstig waren van iemand die tot het doen daarvan bevoegd was, namelijk van bestuurslid [naam 2] . Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door appellant ingeroepen strijdigheid met de statuten, wat betreft de bestuursbesluiten die aan de opgaven vooraf gingen, verweerster alsnog aanleiding had moeten geven tot gerede twijfel over de juistheid van die opgaven.

7.2

Voor beantwoording van die vraag is, zoals verweerster heeft aangevoerd en na heropening van het onderzoek nader heeft onderbouwd, van belang of hier sprake is van evident nietige dan wel door de burgerlijke rechter vernietigde (bestuurs)besluiten in de zin van de artikelen 2:14 en 2:15 van het BW. Uit jurisprudentie van de civiele rechter (zie de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 mei 2015, voormeld) volgt dat van de regels betreffende de bevoegdheid tot bijeenroeping van een bestuursvergadering zijn te onderscheiden de regels betreffende de wijze van bijeenroeping (ook wel aangeduid als ‘oproeping’). Niet-naleving van de bepalingen die de bevoegdheid tot bijeenroeping regelen leidt tot nietigheid op grond van artikel 2:14 van het BW. Niet-naleving van de regels voor oproeping leidt niet tot nietigheid maar tot vernietigbaarheid van de in de vergadering genomen besluiten, omdat die regels worden beschouwd als voorschriften die het tot stand komen van besluiten regelen (artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van het BW).

7.3

In het licht hiervan moet worden geoordeeld dat verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, nu niet is gebleken van een op de bestuursvergadering van 27 november 2015 genomen evident nietig besluit en evenmin van een door de burgerlijke rechter vernietigd besluit, er geen gerede twijfel bestaat over de juistheid van de opgave van uittreding van appellant als bestuurder van de Stichting. Daarbij heeft verweerster er terecht op gewezen dat het feit dat bestuurder [naam 3] niet in het handelsregister is ingeschreven niet betekent dat hij als bestuurder niet bevoegd was aan bestuursvergaderingen en aan besluitvorming deel te nemen, omdat het handelsregister niet constitutief is. Voor zover appellant in zijn zienswijze heeft beoogd te betogen dat in dit geval sprake is van een fundamenteel totstandkomingsgebrek – en daardoor van een nietig besluit – omdat het ontslagbesluit, in strijd met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de statuten niet zou zijn genomen door een meerderheid van de in functie zijnde bestuurders, volgt het College dat betoog niet, reeds omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bestuur ten tijde van belang uit meer dan vier personen bestond.

7.4

Naar het oordeel van het College heeft verweerster zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een op de bestuursvergadering van 29 november 2015 genomen evident nietig dan wel vernietigd besluit zodat er ter zake van de opgave van ontbinding van de Stichting evenmin aanleiding was voor gerede twijfel in de zin van artikel 5 van het Hrb. De statuten van de Stichting bepalen dat een ontbindingsbesluit slechts kan worden genomen met algemene stemmen in een vergadering waarin alle bestuurders aanwezig zijn dan wel vertegenwoordigd zijn. Nu het ontbindingsbesluit door de drie overgebleven bestuurders is genomen, is dit besluit overeenkomstig artikel 12, tweede lid, in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de statuten tot stand gekomen.

7.5

Ook overigens heeft appellant geen gronden aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Wat betreft het ontbreken van de handtekening van appellant als uittredend bestuurder op het opgaveformulier overweegt het College dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerster dit in haar beoordeling of gerede twijfel bestond heeft betrokken doch dat dit hier niet heeft geleid tot die conclusie. Verweerster heeft er in dat kader op gewezen dat het ontbreken van een handtekening van een uittredend bestuurder op zichzelf genomen niet doorslaggevend is omdat er velerlei redenen kunnen zijn waarom die handtekening kan ontbreken. Dat andere bestuursleden volgens appellant de Stichting hebben misbruikt en dat er sprake zou zijn van laster, is een ernstig verwijt. Het kan, wat daar verder ook van zij, de rechtmatigheid van het door verweerster genomen bestreden besluit niet aantasten.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing:

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017.

w.g. J. Schukking w.g. A. El Markai