Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:74

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
15/884
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Periodieke preventieve toetsing accountantspraktijk. Artikel 6:19 lid 6 Awb: intrekking van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Appellante heeft tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de in het kader van de periodieke preventieve toetsing genomen besluiten meer kosten heeft gemaakt dan NBA heeft vergoed. Reeds daarom moet ervan worden uitgegaan dat er procesbelang resteert bij een mogelijke vernietiging van het ingetrokken bestreden besluit. Ter zitting van het College geconstateerde motiveringsgebreken zijn voor NBA kennelijk aanleiding geweest om zowel het bestreden besluit als het primaire besluit in te trekken. Dit brengt mee dat in dit stadium van de procedure ervan kan worden uitgegaan dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/884

25300

Uitspraak van de meervoudige kamer van 1 maart 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] Accountants, te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A.P.E. de Brouwer),

en

het bestuur van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants, verweerder

(gemachtigden: mr. M.L. Batting en mr. J.A. Nijland).

Procesverloop

Op 30 september 2014 heeft ten kantore van appellante een periodieke preventieve toetsing van de accountantspraktijk plaatsgevonden. Bij deze toetsing zijn door twee toetsers vier cliëntendossiers getoetst, die alle de uitvoering van een samenstellingsopdracht betroffen. Het aanvankelijke voorstel aan de Raad voor Toezicht (Raad) voor het in artikel 15, derde lid, aanhef en onder c, van de Verordening op de kwaliteitsbeoordelingen bedoelde eindoordeel, luidend dat het stelsel van kwaliteitsbeheersing in opzet en werking niet voldoet, hebben de toetsers naar aanleiding van de zienswijze van appellante gewijzigd in een voorstel voor een eindoordeel als bedoeld in onderdeel b van die bepaling: het stelsel van kwaliteitsbeheersing behoeft verbetering en voldoet in opzet of werking op belangrijke onderdelen niet.

Bij besluit van 7 april 2015 (het primaire besluit) heeft de Raad in mandaat namens verweerder – na onder meer kennis te hebben genomen van de bezwaren van appellante tegen het toetsingsverslag en de inhoudelijke reactie van de toetsers op die bezwaren en op vragen van de Raad – aan appellante meegedeeld dat het door haar accountantspraktijk gehanteerde stelsel van kwaliteitsbeheersing verbetering behoeft en in opzet of werking op belangrijke onderdelen niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Wet op het accountantsberoep (Wab). De Raad heeft appellante een termijn gesteld van zes weken voor het indienen van een op de gegeven aanwijzingen gebaseerde, en door de Raad goed te keuren, verbeterplan en voorts een termijn gesteld van één jaar waarbinnen het stelsel van kwaliteitsbeheersing dient te worden aangepast en moet voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de Wab. Voorts heeft de Raad appellante geadviseerd de gedane aanbevelingen eveneens in de accountantspraktijk door te voeren.

Bij besluit van 9 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het eindoordeel van de Raad gehandhaafd en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft dit besluit doen steunen op het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 29 september 2015, waarin is overwogen dat van de door de toetsers vastgelegde bevindingen weliswaar een substantieel aantal afvalt als een tekortkoming, maar dat de resterende tekortkomingen van een zodanig gewicht zijn dat deze het in stand laten van het eindoordeel rechtvaardigen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 1 februari 2016 heeft het College beslist dat beperking van de kennisneming van stuk B44 niet gerechtvaardigd is te achten, bepaald dat dit document wordt teruggezonden aan verweerder en hem verzocht binnen een week een nieuwe versie van stuk B44 aan het College en appellante toe te sturen. Hieraan heeft verweerder voldaan.

Bij brief van 3 februari 2016 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016.

Appellante werd vertegenwoordigd door [naam 2] AA en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Van de zijde van verweerder is tevens verschenen [naam 3] AA, als vaktechnisch adviseur werkzaam bij de Raad.

Ter zitting van het College hebben partijen aangegeven dat zij in overleg willen treden over een mogelijke oplossing van het geschil. Het College heeft gelet hierop het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brief van 30 maart 2016 heeft appellante het College bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en het College verzocht, zonder nadere zitting, op het beroep uitspraak te doen.

Bij brief van 31 maart 2016 heeft verweerder het College eveneens bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen. Voorts heeft verweerder in deze brief aangegeven dat hij, gezien het verloop van de zitting van het College, de vragen die het College ter zitting over het bestreden besluit heeft gesteld en het tijdsverloop sinds de periodieke preventieve toetsing van de accountantspraktijk, het meer opportuun acht om op een redelijke termijn een nieuwe toetsing bij de accountantspraktijk van appellante uit te voeren. Verweerder heeft meegedeeld dat hij gelet daarop voornemens is over te gaan tot het intrekken van zowel het bestreden besluit als het primaire besluit, waarbij tevens het griffierecht, de forfaitaire proceskosten en de voor de toetsing in rekening gebrachte kosten aan appellante zullen worden vergoed.

Bij brief van 3 mei 2016 heeft verweerder aan het College een afschrift gezonden van het besluit van diezelfde datum. Bij dit besluit heeft verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit ingetrokken. Voorts heeft hij beslist dat ter zake van het door appellante betaalde griffierecht en de forfaitaire proceskosten een bedrag van in totaal € 2.692,40 aan haar wordt vergoed en dat voor vergoeding van de kosten van uitvoering van de toetsing een creditfactuur aan haar wordt gezonden.

Bij brief van 18 mei 2016 heeft het College appellante verzocht te berichten of het besluit van 3 mei 2016 voor haar aanleiding vormt de thans aanhangige procedure te beëindigen, en zo niet, te motiveren welk belang zij nog meent te hebben bij een oordeel over dan wel vernietiging van het ingetrokken besluit.

Bij brief van 3 juni 2016 heeft appellante zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij nog steeds een (proces)belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit en daarmee tevens over het primaire besluit en heeft zij het College verzocht uitspraak te doen.

Bij brief van 5 juli 2016 heeft verweerder gesteld dat appellante, gelet op het besluit van 3 mei 2016, niet langer een (proces)belang heeft bij een oordeel over het ingetrokken bestreden besluit en het College verzocht het beroep van appellante niet-ontvankelijk te verklaren.

Het College heeft vervolgens het onderzoek in deze zaak gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, staat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

2. Appellante heeft aangevoerd dat zij nog een belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het ingetrokken bestreden besluit. Zij is van mening dat het eindoordeel van de toetsing zou moeten luiden dat het stelsel van kwaliteitsbeheersing in opzet en werking voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Wab. Zij betoogt dat zij schade heeft geleden door de onrechtmatige besluitvorming. Ter onderbouwing heeft appellante erop gewezen dat zij, door de omvang van de vermeende tekortkomingen en haar belangen in deze, intern zeer veel tijd heeft moeten investeren om de tekortkomingen te kunnen weerleggen. Volgens appellante staat vast dat zij hierdoor schade heeft geleden, al staat de precieze omvang van de schade nog niet geheel vast. Appellante wenst de door haar geleden schade op verweerder te verhalen.

3. Volgens vaste rechtspraak van het College (zie onder meer de uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:85) kan belang bestaan bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een ingetrokken besluit indien tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat schade is geleden ten gevolge van de aangevochten besluitvorming. Naar het oordeel van het College heeft appellante tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de in het kader van de periodieke preventieve toetsing van de accountantspraktijk genomen besluiten meer kosten – zoals gederfde inkomsten vanwege de tijd die besteed moest worden aan het weerleggen van de gestelde tekortkomingen – heeft gemaakt dan verweerder heeft vergoed. Reeds daarom moet ervan worden uitgegaan dat er procesbelang resteert bij een mogelijke vernietiging van het ingetrokken bestreden besluit.

4. Het College stelt voorts vast dat de tijdens het onderzoek ter zitting van het College geconstateerde motiveringsgebreken voor verweerder kennelijk aanleiding zijn geweest om zowel het bestreden besluit als het primaire besluit in te trekken. Dit brengt naar het oordeel van het College mee dat in dit stadium van de procedure ervan kan worden uitgegaan dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

5. De slotsom is dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

6. Een proceskostenveroordeling kan achterwege blijven, gelet op de mededeling van verweerder in het besluit van 3 mei 2016 dat de proceskosten voor een bedrag van € 2.692,40 worden vergoed. Onderdeel van dat bedrag vormt een post griffierecht, die echter te laag is vastgesteld. In het dictum wordt daarom de vergoeding van het griffierecht opgenomen. Deze vergoeding is niet verschuldigd voor zover zij reeds is voldaan.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 9 oktober 2015;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,-- aan appellante
    te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. J. Schukking en mr. C.M. Wolters, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. C.G.M. van Ede