Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:73

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
15/443
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet dieren, spoedbestuursdwang, onvoldoende gemotiveerd, zorgvuldigheidsgebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/443

11351

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. drs. N. Wouters),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A. Luschen).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 15 oktober 2014 wegens overtreding van de Wet dieren, op schrift gesteld.

Bij besluit van 8 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 31 maart 2016 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving bij appellant in rekening gebracht.

Appellant heeft naar aanleiding van dit besluit aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn tevens verschenen [naam 2] , [naam 3] ,

[naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Appellant houdt verschillende diersoorten op zijn perceel te [plaats 1] . Op 15 oktober 2014 hebben toezichthouders van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd op het perceel van appellant. De toezichthouders hebben het volgende geconstateerd (toezichtrapport van 20 oktober 2014):

BEVINDINGEN:

Algemene situatie

(…)

Op het eind van deze stalling stond een diepvries die niet ingestoken was.

(…)

In de vriezer troffen we (delen) van meerdere kadavers aan die in vergaande staat van ontbinding waren. Het waren onder andere kadavers van vogels vermoedelijk uilen en zoogdieren.

(…)

Op het erf zelf stond ook nog een ijskast cq vrieskast welke niet in werking was. We zagen dat in deze slacht-afvallen lagen zoals kippennekken (…) Doordat de ijskast niet werkend was kwam een behoorlijk stank uit deze ijskast en zag we dat het vlees hierin aanwezig reeds aan het rotten was. Voor ons was dit niet meer bruikbaar als voer.

(…)

Huisvesting/hygiëne/Drinkwater/Verzorging

Schildpad

Op het erf nabij het verblijf van de stokstaartjes troffen wij een volwassen landschildpad, Kolenbrander, aan die poogde wat zonneschijn op te pikken. We zagen dat het dier geen drinkwater of geschikt voer in zijn nabijheid had staan. Er stond nergens op het erf voer of water voor het dier. We zagen dat het dier geen nachthok tot zijn beschikking had. Die dag waren de temperaturen overdag nog ongeveer 19 graden echter de nachtelijke temperaturen bedroegen die week 10 tot 12 graden Celsius.

Het is bekend dat dit soort dieren overdag minimaal 27 graden en nachts minimaal 22 graden dienen te hebben alsmede een UV lamp en een nacht/schuthok tegen weersinvloeden

(Bron: http://www.lacerta.nl/caresheets/kolenbranderschildpad).

Stokstaartjes

Op het erf was een verblijf voor 3 stokstaartjes. Zij hadden een goed nachthok., met gangenstelsel en het buiten en binnenverblijf was voldoende groot. We zagen echter dat de ondergrond in het buitenverblijf uit zware leem bestond. Bekend is dat dit dieren zijn die graag graven en daardoor zand moeten hebben waar ze kunnen woelen. De leemgrond was te hard en wordt bij regen modderig. (Bron : http://www.diergaardeblijdorp.nl/nl/kinderzoo/werkstuk-info%20stokstaartje.html.nl).

Verder zagen wij dat de diertjes geen voer tot hun beschikking hadden.
Wij zagen dat in het buitenverblijf een drinkbakje stond vast aan een betonnen paal. We zagen dat in het drinkbakje een klein laag sterk vervuild groenachtig water stond. Dit drinkwater was ernstig vervuild o.a door dikke lagen algen en wij roken dat het stonk.

Verder op het erf stond een draadkooi bestemd voor tijdelijk huisvesten van een hond.

Deze kooi was 57 bij 68 bij 88 groot. Hierin stond een houten nachthokje.
Hierin verbleven (nagenoeg) volwassen 2 stokstaartjes. Het mag duidelijk zijn dat deze kooi veel te klein is voor 2 diertjes en dat de ondergrond een metalen plaat betreft en geen zandgrond.
We zagen dat de spijlen van de draadkooi behoorlijk verroest waren en zodoende giftige stoffen konden afgeven.

We zagen dat op de bodem een bakje stond welke kennelijk als drinkbakje moest fungeren. We zagen dat dit drinkbakje zeer smerig was en dat het drinkbakje leeg was.

We zagen dat de bodem van de kooi ernstig vervuild was met een laag uitwerpselen en andere rotzooi.

Deze dieren konden niet hygiënisch droog liggen of zitten.

In de serre van de woning van betrokkene (…) werden 2 stokstaartjes aangetroffen in een zwaar vervuilde kooi. (…) We zagen dat deze kooi geheel vervuild was met uitwerpselen en oude voedselresten. Dieren hadden geen droge hygiënische lig/staanplaats. In het hok stond een groter nachthok waardoor de dieren nagenoeg geen plaats hadden om zich te kunnen bewegen. Hun verblijf was duidelijk te klein en qua aard ongeschikt voor dit soort dieren.

We zagen dat deze dieren in geheel geen drinkwater of voer tot hun beschikking hadden.

Eekhoorns

Er werden in totaal 16 exotische eekhoorns aangetroffen in zes verschillende huisvestingen. (…) 4 huisvestingen waren specifieke kooien voor eekhoorns en voldoende groot voor 1 cq 2 dieren. 2 huisvestingen (…) waren duidelijk te klein voor het huisvesten van 1 laat staan 2 dieren en betroffen zogenoemde draadkooien zonder bodem. Betroffen qua grootte meer een soort kanariekooien.

(…)

We zagen dat de eekhoorns in 3 huisvestingen met drinkbakjes geen dan wel een klein ernstig vervuild laagje tot hun beschikking hadden. Vervuild door voedselresten en uitwerpselen. We zagen dat twee eekhoorns met hun huisvesting in de in aanbouwzijnde schuur stonden in een hoekje.

Deze dieren stonden compleet in het donker. We konden alleen met gebruik van onze zaklampen deze dieren waarnemen.

We zagen dat in alle huisvestingen van de eekhoorns oude voedselresten en uitwerpselen lagen. We zagen verder aan de spijlen van de huisvestingen veel vachtresten hangen. Deze kooien waren sinds langere tijd niet meer grondig gereinigd en ontsmet waardoor het geheel onhygiënisch overkwam en ook zondanig riekte.

Uilen:

De bovenste gedeelte van de oude reeds bestaande schuur was ingericht als verblijf voor twee volwassen Sneeuwuilen. Het geheel was geheel omgeven met muren en aan voorzijde was het open en dichtgemaakt met beton/draadgas. Het verblijf was ongeveer 3 bij 2 meter en op hoogste punt hooguit 150 cm hoog. In het hok was het erg donker. De sneeuwuilen waren niet in staat om te vliegen in dit verblijf. Het verblijf was te gering van afmeting en te laag. (Bron; http://health.belgium.be/internet2Prd/groups/public/@public/@dg4/@animalsplants/documents/ie2divers/17976676.pdf.

Nadat de sneeuwuilen diezelfde dag zijn ingevangen en naar de opslaghouder zijn gebracht, werd daar vastgesteld dat bij een dier de slagpennen van de linkervleugel gebroken waren en dat de uiteinde van de vleugels bebloed waren en dat het dier vrij mager was.

Bij de andere sneeuwuil werd daar vastgesteld dat de uiteinde van de vleugels bebloed waren en dat het dier in een matige conditie was.

We zagen verder dat de bodem van het verblijf van de Sneeuwuilen ernstig vervuild was over de gehele oppervlakte met uitwerpselen en oude voedselresten. Het geheel stonk ook zeer sterk onprettig alsmede naar ammoniak. Verder zagen we dat die dieren geen zuiver drinkwater tot hun beschikking hadden. Het drinkbakje was nagenoeg leeg en het klein laagje water was sterk vervuild met uitwerpselen en verkleurd.

In de eerder genoemde volière op het erf verbleven 2 Kerkuilen en 2 Afrikaanse Bosuilen. Zoals eerder verklaard was deze volière moeilijk bereikbaar gelet op de sterke plantenbegroeiing en de aanwezigheid van materialen (bouw-afval) in directe nabijheid.

We zagen dat in de volière geen drinkwater aanwezig was.

We zagen dat hier geen voer voor de dieren aanwezig was.

We zagen dat de bodem en de draad van onderste gedeelte van verblijf vol zaten met uitwerpselen van de Uilen. Het geheel oogde sterk onhygiënisch en het verblijf was geruime tijd niet meer gereinigd en ontsmet. We zagen dat het verblijf welke nog volstaat met struiken, niet voldoende plaats bood voor de vier uilen en dat ze nauwelijks konden vliegen. Het verblijf was ongeveer 2 bij 1 bij 3 meter en stond vol met planten. (…)

In de in aanbouw zijnde schuur vonden wij een bench bestemd voor het vervoer van een kat (…). Deze bench stond in een donker gedeelte van de bedoelde schuur.
Nadat we deze geopend hadden zagen wij dat zich hierin 2 konijnenuilen bevonden.
We zagen dat in deze bench geen water en geen voer aanwezig was. Het mag duidelijk zijn dat deze huisvesting totaal ongeschikt was en dat dieren niet konden vliegen.

Neusberen

In de eerder genoemde serre werden 2 neusberen aangetroffen in een bench bestemd voor het vervoer van een middelmatige tot grotere hond.

Dit hok was duidelijk qua aard en afmetingen ongeschikt voor het huisvesten van dit soort dieren, en betreft een onnatuurlijke huisvesting.

We zagen dat de bodem van het hek geheel vervuild was met uitwerpselen.

We zagen dat de dieren in een bakje wel nog een klein beetje water hadden doch deze was geheel vervuild en stonk sterk afwijkend. Het zag donkergekleurd uit.

Prairiehonden

3 Prairiehonden werden aangetroffen in een huisvesting bestemd voor eekhoorns ( hogere stalen volière ) geheel achter op het erf.

We zagen dat de kooi 1 bij 1 meter was en ongeveer 2 meter hoog. Dit is totaal ongeschikt voor dit type dier. Ze zijn geen klimmers, zien slecht diepte. Derhalve mogen ze niet klimmen daar ze makkelijk kunnen vallen. Zij dienen voldoende vloeroppervlakte hebben met een zandgrond om te woelen. Voldoende oppervlakte en zandgrond hadden ze niet.

(Bron: http://www.knaagdieren.net/categories/206.html).

We zagen verder dat deze dieren geen drinkwater in geheel tot hun beschikking hadden.

Tijger Genetkat:

(…)

Het dier zat in een zwaar vervuild hok. Op de grond zagen wij veel uitwerpselen liggen zelfs op een plaats tot een hoge ophoping en verder lagen er veel oude voedselresten kennelijk kippennekken. Het geheel was zeer onhygiënisch. We zagen dat het dier in geheel geen water tot zijn beschikking had.

Het dier zat compleet in het donker. Alleen met onze staaflampen konden wij het dier waarnemen. Het dier had geen dag en nachtritme.

Muis-achtigen:

(…)

In de drie kooitjes zaten 8 muizen (hazel, eikelmuizen). De dieren zaten in overvolle kooitjes met houtsnippers, voederresten welke behoorlijk vervuild waren.

We zagen dat de dieren in geheel geen drinkwater hadden.
Deze kooitjes waren zeer moeilijk te bereiken, alleen via een ladder, en zichtcontact was niet mogelijk.
Verder zaten deze diertjes geheel in het donker en hadden geen dag en nachtritme.

(…)
Op het terras (…) hing tegen de muur een draadkooi zonder bodem.

In dit verblijf verbleven 4 muizen (kennelijk relmuizen).

De diertjes zaten een nachthok welke grotendeels kapot en open was. De diertjes zaten hierdoor niet beschut tegen weersinvloeden terwijl we gelet op hun gedrag zagen dat ze kennelijk met de winterslaap waren begonnen. Er was verder niets in hun kooi qua materiaal aanwezig waarmee ze zich warm konden houden.

We zagen verder dat de diertjes geen water en voer tot hun beschikking hadden in hun huisvesting.

Otters:

Op een stuk (…) liepen op een beklinkerd terras twee otters. Op het einde nabij de woning stond een nachthok voor deze dieren. We zagen dat direct naast dit nachthok veel losse bakstenen lagen. Op het terras stond een zwarte ronde kuip met een doorsnede van nog geen meter gevuld met vervuild stilstaand water. We zagen dat het water sterk donker verkleurd was en niet fris rook. We zagen dat dit water niet in beweging was en niet gefilterd (gezuiverd) werd. Kennelijk was dit ook hun drinkwater daar er nergens anders water aanwezig was. Deze huisvesting en specifiek het watergedeelte was ongeschikt als habitat voor de dieren. De dieren dienen minimaal 10 m2 aan watergedeelte te hebben.

Bron: http://www.bmel.de/SharedDocs/Downloads/Landwirtschaft/Tier/Tierschutz/GutachtenLeitlinien/HaltunSaeugetiere.pdf?

In de oude loods in een smalle zeer donkere gang (…) was eveneens een klein hok aanwezig waarin 4 jongere otters werden gehuisvest. Ruimte was ongeveer 2 bij 1,5 meter.

Ook deze dieren zaten in een zeer donkere ruimte en we konden alleen met de staaflampen de dieren en hun huisvesting waarnemen. Dag en nachtritme was hier niet mogelijk.

We zagen dat de bodem zeer vervuild was met uitwerpselen en we zagen dat de vachten van de otters waren besmeurd met uitwerpselen.

We zagen dat de dieren in geheel geen water hadden. Niet om te drinken en niet om zich te baden. Deze ruimte was totaal ongeschikt en bood geen voldoende ruimte (4 otters =24 m2) en had geen watergedeelte.

(…)

Konijnen:

In de in aanbouw zijnde schuur werden in totaal 13 konijnen aangetroffen in 8 kooien.

Vooraan bij de toegang van de stal stonden drie kooien met 7 konijnen op elkaar gestapeld welke wel nog enigszins daglicht hadden gelet op de open toegang van de stal.

De bovenste kooi betrof een bench voor katten waar een konijn in zat. We zagen dat die geen water had.
De twee houten hokjes onder die bench waren transportkisten voor duiven cq kippen en waren elk 28 cm hoog, 55 cm breed en 80 cm diep. Hierin zaten in elke houten kooi drie volwassen konijnen. Deze moesten drinken uit een vastgemaakte conservenblik met scherpe randen. Er zat nauwelijks water hierin en dat wat erin zat was vervuild met uitwerpselen en hooi. De vloeren van de hokken lagen vol met uitwerpselen, de dieren konden niet meer zindelijk en hygiënisch verblijven hierin.

We zagen verder dat de 6 konijnen in de houten transportkisten gelet op de beperkte hoogte van deze kratten, niet in hun natuurlijke houding konden staan cq zitten en kwam dan tegen het dak van hun huisvesting.

Achteraan in de (…) schuur stonden 5 kooien waarin 6 konijnen verbleven. De kooien van de konijnen en andere dieren stonden tegen de achterwand op gestapeld tot aan het plafond, de ruimte is donker en de kooien staan vaak onstabiel op rotzooi gestapeld. Ze staan zo hoog opgestapeld en er is geen ruimte om er goed bij te komen met een ladder.

De dieren zijn op deze wijze niet te verzorgen. De kooien zijn zo vervuild, met stof en met spinnenrag behangen dat deze er kennelijk al lang op deze wijze staan. Kooien bestonden uit kunststof benches, deels met stukken plastic vuilniszakken afgedekt om inregenen tegen te gaan. De kooien zijn zeer vervuild. Sommige konijnen hadden een klein beetje sterk vervuild water, sommige dieren hadden geen water. Ook in deze kooien lag geen bodembedekking alleen dikke laag uitwerpselen.

Doordat er nog geen dak op het in aanbouw zijnde schuur zat kon bij behoorlijke regen de regen ook in de kooien van de konijnen komen.

Gerbils

1 levende Gerbil en drie dode dieren, vermoedelijk gerbils verdeeld over 2 kooien aangetroffen in de in aanbouwzijnde stal.

Deze kooien waren zwaar vervuild en bijna geheel gevuld met houtsnippers, hooi, uitwerpselen en voer. Een kooi leek leeg, daarin werden 2 dode dieren aangetroffen. De andere kooi bleek een dood dier (geheel uitgedroogd en deels verteerd) en een nagenoeg dood dier te bevatten. De laatste is door de dierenarts behandeld (vocht toegediend), deze kooi had geen water. Dit dier is daarna warm gezet zodat het een kans had te overleven. Het diertje heeft het uiteindelijk overleefd. Beide kooitjes (kunststof bakjes met tralie deksel, soort muizenkweekbakken) zaten tussen andere kooien ingeschoven en naar achteren geschoven en waren van voren af (smalle gangetje) nauwelijks te zien. Huisvesting totaal ongeschikt. Donkere gang geen dag nacht ritme. Geen voerbakjes aanwezig.

Mangoesten en Chinchilla’s

(…)

We troffen aan twee houten kisten waarin respectievelijk 2 en 1 mangoesten zaten. Deze dieren zaten in een geheel gesloten kisten en hadden dus geen daglicht. We zagen ook dat deze dieren in geheel geen drinkwater hadden.

In een andere kooi troffen wij 4 Chinchilla’s aan. Ook deze dieren hadden geen drinkwater.

Dode dieren

(…)

In enige kooien werden meerdere kleine dode knaagdieren aangetroffen die al verteerd waren. Deze kooien stonden meestal in de (…) stal en stonden dan zeer hoog opgestapeld of opgehangen.

Verder werd bij het ruimen een kadaver van een stokstaartje aangetroffen en een vijftal schilden van landschildpadden.

(…)

VERDER VERLOOP ONDERZOEK:

Dierenarts:

Op verzoek van rapporteurs verscheen (…) de dierenarts [naam 7] uit [plaats 2] .

Hij heeft in ons bijzijn uitgebreid alle dieren en hun huisvesting bekeken.

Hij deelde ons hierna mede:

“Situatie is onhoudbaar. Zeer veel ongeschikte huisvestingen en zeer veel dieren in ernstig vervuilde hokken. Veel dieren zonder water of ongeschikt water. Zeer rommelige situatie waar je de dieren niet de verzorging kunt geven welke ze als basis moeten hebben. Dit ook omdat veel ruimtes geheel donker zijn.

Gelet op bovenstaande moeten alle dieren snel klinisch worden beoordeeld en eventueel worden behandeld. Ik kan nu niet alle dieren hier uit de kooi halen en klinisch beoordelen alhier gelet op de rommelige en donkere situatie, de hoeveelheid van de dieren, het vangen van veel soorten dieren, vlucht en bijtgevaar. Derhalve moeten de dieren nu hier weg en naar de opslaghouder waar ze door de dierenarts naderen moeten worden bekeken. Dit adviseer ik u nu dringend. “

Verweerder heeft vervolgens besloten tot toepassing van spoedbestuursdwang en op dezelfde dag/avond zijn 72 levende dieren meegevoerd en opgeslagen.

1.2

In de opvang heeft de dierenarts van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), vastgelegd in de diergeneeskundige verklaringen van 16 oktober 2014, ten aanzien van de meegevoerde en opgeslagen dieren samengevat verklaard dat – met uitzondering van de uilen en 6 konijnen – de dieren een conditiescore van matig tot goed hadden.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de op 15 oktober 2014 toegepaste spoedbestuursdwang op schrift gesteld. Volgens verweerder is bij de controle vastgesteld dat de gezondheid en het welzijn van de dieren ernstig waren benadeeld. De gezondheid en het welzijn van de dieren waren op de volgende punten aangetast:

  • -

    de behuizing en de inrichting van de hokken en de verblijven van de dieren waren niet geschikt voor het soort dier. Hierdoor werd niet aan hun soortspecifieke behoefte voldaan;

  • -

    de huisvesting was zodanig vervuild dat de hierin gehuisveste dieren niet op de juiste wijze werden gehouden;

  • -

    de dieren beschikten niet over vers en schoon drinkwater;

  • -

    de dieren beschikten niet over vers voer;

  • -

    de ruimtes waarin de dieren verbleven waren donker waardoor zij geen natuurlijk dag- en nachtritme hadden;

  • -

    een groot aantal dieren is overleden;

  • -

    meerdere dieren waren conditioneel in slechte toestand en/of gewond.

1.4

Op 1 december 2014 heeft de LID een hercontrole uitgevoerd op het perceel van appellant. Bij de hercontrole was aanwezig dierenarts [naam 8] , onder meer werkzaam bij Artis. De dierenarts heeft verklaard dat de verblijven voor de dieren niet geschikt waren en concludeert:

“Gelet op mijn bovenstaande bevindingen adviseer ik de dieren niet terug te geven aan deze man. Ik ben bang dat deze man weer in herhaling van zijn eerdere fouten gaat treden.

Je zou nog kunnen afvragen of de uilen wel naar de andere locatie kunnen gaan met een paar aanpassingen. Ik had de indruk dat de verzorger op de locatie van de uilen wel in staat was de goede verzorging te geven.

De huidige eigenaar zou dan wel afstand moeten doen van de Uilen zodat we verzekerd blijven dat de uilen daar op de nadere locatie blijven.”

1.5

Bij het kostenbesluit heeft verweerder de kosten van de bestuursrechtelijke handhaving bij appellant in rekening gebracht voor een bedrag van € 30.817,01.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. De huisvesting van alle aangetroffen dieren voldeed volgens verweerder niet. Door de wijze van huisvesting werd de gezondheid en het welzijn van de dieren benadeeld, zonder dat dat een redelijk doel diende. Er was sprake van het onthouden van de nodige zorg, waar het gaat om het vrijwaren van fysiek en fysiologisch ongerief en beperking van het natuurlijke gedrag. Dat geldt ook ten aanzien van de tekortkomingen op het vlak van hygiëne, water en voedsel. Voor het bestaan van de overtredingen is het niet noodzakelijk dat de dieren daadwerkelijk uiterlijke kenmerken van ziekte, uitdroging of vermagering vertonen.

Volgens verweerder werd de totale situatie door de aanwezige toezichthouders en dierenartsen gekenschetst als onhoudbaar. Er was sprake van zeer veel ongeschikte huisvesting en zeer veel dieren bevonden zich in ernstig vervuilde hokken. Veel hokken bevonden zich geheel in het donker. De situatie op het terrein was zeer rommelig waardoor de dieren niet de verzorging konden krijgen die ze als basis behoeven. Gelet hierop was het noodzakelijk om alle dieren snel klinisch te onderzoeken en naar bevind van zaken te behandelen. Dat onderzoek en die behandeling was volgens verweerder ter plekke niet mogelijk. Onder die omstandigheden is er terecht van uitgegaan dat de overtredingen niet ter plekke en op korte termijn door of namens appellant konden worden beëindigd. Daarmee staat volgens verweerder vast dat sprake was van een zo spoedeisende situatie dat een besluit niet kon worden afgewacht en terstond optreden geboden was. Daarbij is volgens verweerder betekenis gehecht aan de lichamelijke toestand van de dieren, de situatie waarin de dieren zich bevonden en de situatie op het terrein als het gaat om huisvestingsmogelijkheden en hygiëne. De situatie was op dat moment, vanuit oogpunt van dierenwelzijn, onhoudbaar.

Het gegeven dat er dieren zijn aangetroffen die geen eigendom zijn van appellant en op het terrein slechts tijdelijk werden gehuisvest maakt niet dat er geen sprake was van een overtreding en dat er niet terstond moest worden opgetreden. Bij het benadelen van de gezondheid of het welzijn en het onthouden van de nodige zorg bij hulpbehoevende dieren, is een eigendomsrelatie niet relevant, aldus verweerder.

3. Appellant voert aan dat niet klakkeloos mag worden uitgegaan van de juistheid van de rapportage, omdat de rapportage onjuistheden en tegenstrijdigheden bevat. Appellant betoogt dat zijn situatie een deskundige visie vereist. De toezichthouders en de aanwezige dierenarts hebben geen enkele specialisatie of affiniteit op het gebied van bijzondere dieren. De dierenarts herkent een aantal dieren niet en vreest voor ontsnappingsgevaar van de dieren. De visie van de dierenarts is volgens appellant niet deskundig en zelfs onbetrouwbaar.

Appellant stelt ten aanzien van de situatie ter plaatse dat hij de ochtend van 15 oktober 2014 zijn eigen dieren eten en drinken heeft gegeven. De dieren van zijn broer zijn die ochtend naar appellant toegebracht; appellant had eerder geen controle over de dieren. Het is volgens appellant van belang zo veel eten te geven als de dieren op één dag kunnen nuttigen, omdat overgebleven voedsel schimmels en infecties veroorzaken.

Appellant stelt dat er geen criteria in de wet omschreven zijn over het houden van dieren. Het schoonmaken en verzorgen van de dieren deed appellant altijd na zijn werk in de avonduren. Het is dus verklaarbaar dat sommige hokken aan het einde van de dag minder schoon waren en bepaalde dieren zonder voedsel zaten. Daarnaast was een deel van de dieren juist die morgen gebracht.

Ten aanzien van de schildpad, de stokstaartjes en de eekhoorns betoogt appellant samengevat dat de huisvesting goed was. Appellant stelt dat hij nimmer twee stokstaartjes in zijn woning heeft gehouden. In de woning stond een bench met witte neusbeertjes en daarop een bench met een vosmangoest. De vosmangoest is eigendom van de broer van appellant.

Ook ten aanzien van de uilen betoogt appellant dat de huisvesting op orde was. Het letsel is volgens appellant ontstaan door het bruuske optreden van de politie.

De neusberen zaten volgens appellant in een tijdelijk verblijf totdat hun eigen verblijf klaar was. Voor tijdelijk verblijf gelden volgens appellant andere richtlijnen dan voor permanente huisvesting.

Wat betreft de otters betoogt appellant dat hij altijd juiste huisvesting voor de dieren heeft gerealiseerd en dat de Duitse richtlijn waar verweerder naar verwijst niet zomaar één-op-één in Nederlandse regelgeving mag worden overgenomen. Appellant heeft nadat de otters in beslag zijn genomen een nieuw hok gebouwd, geoptimaliseerd naar de wensen van de dierenarts. De dierenarts heeft dit echter ook afgekeurd, terwijl de opvang waar de otters nu gehuisvest zijn (Stichting AAP) een minder groot hok toont en geen stromend water.

De vier otters die zijn aangetroffen waren bestemd voor export, de CITES hiervoor was al aangevraagd. Het ging dus om tijdelijke opvang.

Appellant stelt dat de overige dieren die in de rapportage zijn genoemd, eigendom zijn van zijn broer. Hij heeft de dieren op 15 oktober 2014 naar appellant gebracht, met uitzondering van de konijnen, deze zijn eerder gebracht.

Appellant stelt dat er geen sprake was van een spoedeisende situatie waarbij direct ingrijpen noodzakelijk was. De bestuursrechtelijke uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit zijn niet in acht genomen. Appellant heeft geen enkele mogelijkheid gehad tot verbetering c.q. herstel van de situatie. Gezien de feiten en omstandigheden, te weten de eigendomssituatie van de dieren, zou dit wel zo moeten zijn. Appellant meent dat er weinig tot niets aan de hand was bij de door hem gehouden dieren. Hij had de diverse aantijgingen die wel juist zijn (het mogelijk iets vervuild zijn van de verblijven/het ontbreken van voedsel/verkeerde huisvesting) eenvoudig kunnen aanpakken. Op die wijze hadden de dieren gewoon bij appellant kunnen blijven en was het niet nodig om bestuursdwang toe te passen.

Volgens appellant waren nagenoeg alle dieren in goede conditie. Appellant was wel op de hoogte van een abces bij één van de dieren: zijn broer zou met dit konijn naar de dierenarts gaan.

Ten slotte betoogt appellant dat op 24 oktober 2014 aan hem is meegedeeld dat hij een aantal dieren terug zou krijgen; appellant moest hiervoor wel de opslagkosten betalen: dit heeft hij gedaan op 10 november 2014. Op 14 november 2014 is vervolgens het besluit genomen dat appellant een deel van zijn dieren terugkrijgt. Er worden in dit besluit geen aanvullende voorwaarden gesteld. Dit besluit is onherroepelijk en er heeft geen herziening plaatsgevonden. Niettemin heeft appellant zijn dieren niet teruggekregen. Door verweerder wordt gesteld dat de verblijven toch niet goed zijn. Dit is echter nimmer een voorwaarde geweest voor teruggave van de dieren. Appellant meent dat de dieren alsnog aan hem moeten worden geretourneerd.

4. De Wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 2.1. Dierenmishandeling

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

(…)

Artikel 2.2. Houden van dieren

(…)

8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.”

5. Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, en 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en zo ja, of verweerder bevoegd was tot het toepassen van spoedbestuursdwang. Het College beantwoordt beide vragen ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.1

Het College stelt vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de onhygiënische en inadequate huisvesting voor verweerder aanleiding is geweest voor het (terstond) toepassen van bestuursdwang. Voor de feitelijke onderbouwing van de gestelde overtredingen steunt verweerder op de bevindingen in het toezichtrapport van de controle op 15 oktober 2014.

Het College constateert dat in het toezichtrapport niet per dier(soort) gemotiveerd is wat de overtreding is per dier(soort), dat wil zeggen de gedraging alsmede de juridische kwalificatie daarvan. Evenmin is in het toezichtrapport vermeld welke maatregelen moeten worden getroffen om de overtredingen te beëindigen. Naar het oordeel van het College heeft verweerder derhalve onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat sprake is van een overtreding van de voornoemde bepalingen.

5.2

Voor zover al sprake zou zijn van een overtreding van de Wet dieren, was verweerder naar het oordeel van het College evenmin bevoegd tot het terstond toepassen van bestuursdwang. Op zichzelf volgt het College verweerder in diens oordeel dat de hygiënische situatie ter plaatse niet optimaal was, zoals door appellant ook wordt erkend. De onhygiënische situatie ter plaatse was naar het oordeel van het College echter onvoldoende grondslag voor het toepassen van spoedbestuursdwang. Het College acht daarvoor van belang dat de conditie van de dieren niet ter plaatse is onderzocht alvorens de dieren door verweerder zijn meegevoerd en opgeslagen. Dit klemt temeer nu de conditie van de meeste dieren – met uitzondering van 6 konijnen en de uilen – in de opvang door de dierenarts als matig-goed is beoordeeld, hetgeen niet duidt op een noodzaak tot onmiddellijk ingrijpen in de vorm van meevoering en onderbrenging elders. Dat sprake was van een benadeling van het welzijn van alle dieren die tot het toepassen van spoedbestuursdwang noopte is naar het oordeel van het College derhalve niet gebleken. Voor zover de vrees bestond voor vlucht- of bijtgevaar van dieren, had het op de weg van verweerder gelegen een expert in te schakelen die eventueel de volgende dag de situatie ter plaatse had kunnen beoordelen en de te treffen maatregelen had kunnen bepalen. Verweerder heeft geen gegevens aangereikt waaruit volgt dat de toezichthouder op 15 oktober 2014 niet de tijd kon nemen om aan appellant aanwijzingen te geven voor de noodzakelijke verbeteringen, en daartoe een last op te leggen onder bestuursdwang met een passende, zo nodig korte, begunstigingstermijn. Ingeval bij een hercontrole na ommekomst van de begunstigingstermijn was gebleken van gehele of gedeeltelijke niet-naleving daarvan had verweerder dan tot effectuering kunnen overgaan. Naar het oordeel van het College is het niet aannemelijk geworden dat de noodzakelijke maatregelen niet ter plaatse genomen hadden kunnen worden, zeker niet ten aanzien van alle diersoorten.

5.3

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren. Voor zover al sprake van zou zijn van overtredingen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de situatie zo spoedeisend was dat bestuursdwang diende te worden toegepast zonder voorafgaande last. Voorts is het onderzoek onvoldoende zorgvuldig geweest nu de conditie van de dieren niet is onderzocht voorafgaand aan de toepassing van spoedbestuursdwang. Het beroep is dus gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen onder gegrondverklaring van de bezwaren omdat er geen sprake is van een herstelbaar gebrek. Ruim 2 jaar na het handhavend optreden kan nader onderzoek ter plaatse naar de conditie van de dieren en de huisvesting destijds niet meer worden verricht, terwijl overige relevante informatie over de feitelijke situatie destijds niet is aangereikt in dit geding. Niet gebleken is dat dergelijke informatie thans nog beschikbaar is. Dat betekent dat verweerder niet in staat is om het gebleken zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te herstellen zodat de conclusie moet zijn dat verweerder niet bevoegd was spoedbestuursdwang toe te passen.

7. Ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb is het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen het kostenbesluit, nu appellant dit besluit betwist. Omdat verweerder niet bevoegd was tot het toepassen van spoedbestuursdwang, is verweerder op 15 oktober 2014 ten onrechte overgegaan tot het meevoeren en opslaan van de dieren van appellant. Nu dat onrechtmatig was heeft verweerder dus niet de daarmee gemoeide kosten ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb bij appellant in rekening mogen brengen. Het beroep tegen het kostenbesluit is daarom eveneens gegrond en dit besluit komt wegens strijd met de wet in aanmerking voor vernietiging. Aan hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het kostenbesluit komt het College niet meer toe.

8. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.475,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen het kostenbesluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    herroept het kostenbesluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. J.L. Verbeek en mr. L.S. Frakes, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. M.S. van den Berg