Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:72

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
16/189
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verhinderen controle korting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/189

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: [naam 2] )

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van appellant om rechtstreekse betalingen voor het jaar 2015 afgewezen.

Bij besluit van 5 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting gaat het College uit van de volgende feiten.

1.1

Appellant heeft voor het jaar 2015 rechtstreekse betalingen aangevraagd.

1.2

Op 15 juli 2015 heeft een controleur van het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden (COKZ) het bedrijf van appellant bezocht voor een onaangekondigde “ controle cross compliance melkveehouderij”. De controleur heeft het bedrijf van appellant verlaten zonder de controle te hebben uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan is een “Rapportage controle cross compliance melkveehouderij” opgesteld. In dit rapport staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

De heer [naam 1] kwam aangereden met de tractor en gaf vanuit de cabine aan dat “als ik een afspraak maak, van harte welkom ben op zijn bedrijf. De vorige keer had hij dit ook al gezegd.” Daarop antwoordde ik dat de controle cross compliance melkveehouderij onaangekondigd dient te worden uitgevoerd en dat hiervoor geen afspraak mag worden gemaakt. Ik maakte aan de heer [naam 1] nogmaals het doel van mijn komst bekend. Er werd mij wederom gemeld dat een afspraak moet worden gemaakt. Nogmaals gaf ik aan dat controles in het kader van cross compliance melkveehouderij onaangekondigd worden uitgevoerd.

(…)

De heer [naam 1] bleef bij zijn standpunt dat een afspraak moet worden gemaakt. Ik stelde daarop vast dat het nu niet mogelijk is om een controle cross compliance melkveehouderij op genoemd perceel uit te voeren. Ik vroeg aan de heer [naam 1] of hij zich realiseert dat het op dit moment niet verlenen van medewerking aan de controle cross compliance melkveehouderij, wordt opgevat als een weigering. Hij vertelde nogmaals dat hij “medewerking wil verlenen en niet tegen controles is als het maar op afspraak is”.

Daarop vertelde ik de heer [naam 1] dat ik van dit bezoek een rapportage zou moeten opstellen onder vermelding dat geen controle cross compliance melkveehouderij is uitgevoerd. Ik vroeg de heer [naam 1] of hij nog een verklaring wilde afleggen, maar dat hij hiertoe niet verplicht is.

De heer [naam 1] verklaarde mij hieromtrent desgevraagd, zoveel mogelijk weergegeven in de eigen bewoordingen van betrokkene, het volgende:

“Als u een afspraak maakt voor een controle, bent u van harte welkom. Niemand kan binnenkomen zonder afspraak. Waarom? Dan kan ik er tijd voor vrij maken. Het is hier geen zoete inval. De provincie is hier enkele weken geleden geweest, maar maakte netjes een afspraak.”

(…)

Ik meldde vervolgens aan de heer [naam 1] dat het niet kunnen uitvoeren van deze controle cross compliance melkveehouderij zal worden gerapporteerd aan de NVWA en dat het COKZ niet over het vervolgtraject en de eventuele daarop volgende consequenties gaat.”

2. Bij brief van 3 september 2015 heeft verweerder appellant meegedeeld dat uit het controlerapport blijkt dat hij heeft geweigerd aan de controle mee te werken. Daarbij heeft verweerder gewezen op het feit dat het betreffende rapport te vinden is op “Mijn dossier” op “mijn.rvo.nl” en heeft verweerder appellant tevens de gelegenheid geboden om aanvullende informatie te verschaffen waarom hij de bedrijfscontrole heeft geweigerd. Bij brief van 13 september 2015 heeft appellant van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Appellant heeft daarin vermeld dat hij graag wil meewerken aan een controle, maar dat hij daarvoor wel de gelegenheid moet krijgen. De controle is niet geweigerd, er is alleen verzocht om een vervolgbezoek op afspraak of met vooraankondiging.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag voor rechtstreekse betalingen van appellant afgewezen omdat hij op 15 juli 2015 de bedrijfscontrole heeft geweigerd. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3. Appellant voert aan dat zijn verzoek om vooraf een afspraak voor de controle te maken niet kan worden opgevat als een weigering van de controle. Hij stelt daartoe dat hij bereid was medewerking te verlenen aan de controle, maar dat door de controle de planning van de dag in gevaar zou komen en hij zijn zoontje niet van school zou kunnen halen. Bovendien was het in een eerder geval wel mogelijk om met de controleur een controleafspraak voor een later tijdstip te maken. Volgens appellant stond het de controleur ook vrij om de controle vooraf aan te kondigen, nu daarmee het doel van de controle niet in gevaar zou komen. Appellant wist niet dat de controle ook zonder zijn aanwezigheid kon worden uitgevoerd; de controleur had hem daarop moeten wijzen. Verder meent appellant dat de inhoud van de rapportage niet overeenkomt met de werkelijke gebeurtenissen op 15 juli 2015.

4. Het College overweegt hierover als volgt.

4.1

De controle ziet op de naleving van randvoorwaarden die gelden voor de toewijzing van rechtstreekse betalingen. Artikel 59, zevende lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) bepaalt dat indien de begunstigde of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, de betrokken steun- of betalingsaanvraag wordt afgewezen, behalve in gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden.

4.2

Uit het rapport blijkt dat de controle niet kon worden uitgevoerd omdat appellant, ondanks de opmerking van de controleur dat het niet verlenen van medewerking wordt opgevat als een weigering, bij zijn standpunt bleef dat vooraf een afspraak moest worden gemaakt. Het College stelt vast dat verweerder, alvorens het primaire besluit te nemen, appellant in de gelegenheid heeft gesteld op het rapport te reageren. Indien appellant meende dat het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming onjuist of onvolledig was, was dat voor hem de gelegenheid bij uitstek om daarvan in zijn reactie melding te maken. De brief van 13 september 2015 bevestigt evenwel de gang van zaken zoals omschreven in het rapport, zonder van wezenlijk nieuwe feiten of van omissies melding te maken. In hetgeen appellant naderhand heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van de inhoud van dat rapport. Het College is dan ook van oordeel dat niet gebleken is van feiten of omstandigheden die eraan in de weg staan dat verweerder dit rapport als basis voor zijn besluitvorming heeft gebruikt.

4.3

Naar het oordeel van het College heeft appellant de controle verhinderd in de zin van artikel 59, zevende lid, van Verordening 1306/2013 met de mededeling dat hij niet wilde meewerken aan de onaangekondigde inspectie en dat de controleur een afspraak moest maken. De door appellant genoemde en onder 3. aangehaalde privéomstandigheden rechtvaardigen op zichzelf niet dat hij geen medewerking verleende aan de onaangekondigde controle. Zoals eerder door het College is overwogen in de uitspraak van 20 april 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:108), is op zichzelf niet uitgesloten dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden de landbouwer zich zou kunnen beroepen op een noodsituatie op het bedrijf die het voor hem onmogelijk maakte om op dat moment mee te werken aan de controle. Daarvan was in dit geval naar het oordeel van het College geen sprake. Uit het rapport blijkt dat de inspecteur bij een eerdere controle rekening heeft gehouden met de omstandigheden en de controle heeft uitgesteld. Hij heeft appellant toen medegedeeld dat de controle cross compliance melkveehouderij onaangekondigd diende plaats te vinden. Ondanks dat heeft appellant vastgehouden aan het maken van een afspraak voor de controle. Het lag juist op de weg van appellant om met de controleur naar een oplossing te zoeken bijvoorbeeld door na te gaan of de controle ook zonder zijn aanwezigheid kon worden uitgevoerd. Appellant heeft dan ook niet alle maatregelen genomen die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem hadden kunnen worden verlangd om te waarborgen dat toch een controle kon worden uitgevoerd.

4.4

Het betoog van appellant dat in dit geval het doel van de controle niet in gevaar zou komen door de controle vooraf aan te kondigen, slaagt evenmin. Zoals eerder door het College is overwogen in de uitspraak van 25 juni 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:238) is verweerder niet gehouden controles van tevoren aan te kondigen, ook niet indien het doel van de controle niet in gevaar komt. Artikel 25 van Uitvoeringsverordening 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden bepaalt namelijk dat controles aangekondigd “mogen” worden mits het doel van de controle niet in gevaar komt.

4.5

De beroepsgronden van appellant slagen daarom niet.

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.

w.g. H.B. van Gijn w.g. L. van Gulick