Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:67

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
15/937
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invorderingsbesluit, last onder dwangsom. Wet dieren en besluit houders van dieren. Beroep ongegrond, overtreding geconstateerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/937

11350

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2017 in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. Bloemsierkunst [naam 2] te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Harteveld).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd).

Bij besluit van 23 december 2014 (het primaire besluit 2, hierna: het invorderingsbesluit) heeft verweerder aan appellant meegedeeld dat niet is voldaan aan de opgelegde last en dat daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 20.000,- wordt ingevorderd.

Bij besluit van 24 december 2014 (het primaire besluit 3) heeft verweerder aan appellant een nieuwe last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Bhd.

Bij uitspraak van 9 februari 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:39) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van appellante om voorlopige voorziening hangende het bezwaar gericht tegen het primaire besluit 1, afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gericht tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard, het bezwaar gericht tegen het invorderingsbesluit gegrond verklaard wat betreft de hoogte van de ingevorderde dwangsom en beslist dat een dwangsom wordt ingevorderd van € 10.000,-, en het bezwaar gericht tegen het primaire besluit 3 gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit in zoverre herroepen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voor verweerder zijn voorts verschenen [naam 3] en [naam 4] .

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant exploiteert een varkenshouderij te [plaats] . Op 18 november 2014 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en een dierenarts een controle uitgevoerd op het bedrijf van appellant. De toezichthouders hebben hun bevindingen vastgelegd in een toezichtrapport, opgemaakt en ondertekend op 11 december 2014. Blijkens dit rapport is onder meer geconstateerd dat de in de stallen aanwezige drinknippels om de dieren te voorzien van drinkwater, defect waren.

1.2

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.1, eerste en zesde lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en de artikelen 1.6, 1.7, 2.4, 2.5 en 2.26, tweede lid, van het Bhd. De last houdt in dat appellant zeven maatregelen inzake de verzorging en de huisvesting van de varkens dient te nemen, per direct (maatregel 1) dan wel vóór 26 november 2014 (maatregel 2 tot en met 7). Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom bepaald op € 10.000,- per controle, per overtreding, met een maximum van € 210.000,-. Deze maatregelen luiden, voor zover thans van belang, als volgt:

“1. Zorg dat uw varkens over een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater kunnen beschikken. Dit water moet goed toegankelijk zijn voor uw varkens.

(…)

4. Zorg dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op een passende wijze wordt verzorgd en zo nodig wordt afgezonderd. (…)”

1.3

Op 26 en 27 november 2014 en 3 december 2014 hebben hercontroles plaatsgevonden. Op laatstgenoemde datum hebben de toezichthouders van de NVWA onder meer het volgende geconstateerd:

“Bedrijfsinspectie 3-12-2014

(…)

Wij zagen in de centrale gang van één van de stallen 5 varkens op een dichte betonvloer zonder strooisel liggen. Wij vermoedden dat het zieke/gewonde dieren waren die uit de hokken van de verschillende afdelingen waren gehaald met het oog om de dieren af te zonder van gezonde varkens. Ik (…) heb van betreffende dieren foto’s gemaakt. Wij zagen dat de dieren niet de beschikking hadden over voer en drinkwater. Tevens zagen wij dat één van de varkens een verwonding had aan zijn poten dat het dier rilde. Wij vermoedden dat het betreffende dier niet uit eigen beweging kon staan, aangezien het dier ondanks onze prikkels daartoe bleef liggen.

De overige 4 varkens op de centrale gang van de stal waren in onze ogen evenmin gezond, op basis van uiterlijke kenmerken, waaronder vermagering.
(…)

Gelet op genoemde bevindingen constateerden wij dat niet werd voldaan aan de maatregelen 1 en 4 van de last onder dwangsom d.d. 21-11-2014.

Nadat wij [naam 5] (…) geconfronteerd had met de situatie van betreffende varkens deelde hij ons mede:

“Ik de varkens net uit de varkenshokken afgezonderd van de gezonde varkens met het doel om de dieren te laten euthanaseren door de dierenarts. Ik dacht dat ik het zo goed had gedaan had.”

In ons bijzijn zagen en hoorden wij [naam 5] vervolgens de dierenartsenpraktijk bellen en met het verzoek om varkens te komen euthanaseren.

(…)”

1.4

Op basis van deze bevindingen heeft verweerder geconstateerd dat appellant de maatregelen (1) en (4) niet heeft uitgevoerd en daarmee niet heeft voldaan aan de opgelegde last onder dwangsom. Bij het invorderingsbesluit wordt een verbeurde dwangsom van in totaal € 20.000,- ingevorderd.

1.5

Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder naar aanleiding de op 18 november 2014 gehouden bedrijfsinspectie aan appellant wederom een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Bhd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen het invorderingsbesluit deels gegrond verklaard, namelijk voor zover het betreft de hoogte van de verbeurde dwangsom, en voor het overige ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het primaire besluit 3 is eveneens gedeeltelijk gegrond verklaard.

2.1

Verweerder heeft ten aanzien van het bezwaar tegen het invorderingsbesluit overwogen dat appellant weliswaar stelt dat hij aan maatregel 1 heeft voldaan omdat alle drinknippels in de stal zijn gerepareerd, maar dat dit niet afdoet aan het feit dat er op

3 december 2014 vijf zieke en gewonde varkens waren ondergebracht in een ruimte zonder water terwijl de permanente beschikbaarheid van water juist voor zieke varkens van groot belang is. Dat deze zieke en gewonde dieren bestemd waren om te worden geëuthanaseerd, betekent volgens verweerder niet dat aan de dieren geen passende zorg meer verleend hoefde te worden. Verweerder concludeert dat aan de maatregelen 1 en 4 niet is voldaan. Gezien de samenhang tussen de geconstateerde overtredingen, halveert verweerder de ingevorderde dwangsom tot een bedrag van € 10.000,-.

3. Appellant voert in beroep, samengevat weergegeven, aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het kortstondig separeren van zieke varkens zonder dat zij de beschikking hebben over water tot een overtreding van maatregel 1 en 4 leidt.

Appellant betwist niet dat op 3 december 2014 vijf varkens in de centrale gang van één van de stallen op een dichte vloer zonder strooisel lagen en dat deze varkens niet de beschikking hadden over vers en schoon drinkwater terwijl aan de dieren nog geen zorg werd geboden in de vorm van medische zorg, maar wijst erop dat deze dieren waren afgezonderd van de gezonde dieren omdat ze ziek en/of gewond waren. De dieren moesten worden geëuthanaseerd, hetgeen de toezichthouders ook als reden in hun rapport hebben vermeld. Onder die omstandigheden is volgens appellant geen sprake van het niet bieden van de nodige zorg en het hebben onthouden van de varkens van vers en schoon water. Dat de verbeurde dwangsom eerst in bezwaar is gehalveerd vanwege de samenhang tussen de geconstateerde overtredingen, acht appellant in strijd met de rechtszekerheid en het verbod op willekeur.

4. Verweerder heeft als volgt verweer gevoerd. Verweerder merkt op dat de gronden van beroep niet zijn gericht tegen de bij het primaire besluit 1 opgelegde last onder dwangsom op zich, maar tegen het invorderen van € 10.000,- vanwege het verbeuren van een dwangsom als gevolg van het niet uitvoeren van de maatregelen 1 en 4 van de last. Verweerder merkt voorts op dat appellant de bevindingen van de toezichthouders niet betwist, maar zich op het standpunt stelt dat maatregelen 1 en 4 niet zien op de vijf varkens omdat deze waren gesepareerd om geëuthanaseerd te worden. Dit standpunt kan verweerder niet volgen. Wat betreft de hoogte van de dwangsom wijst verweerder erop dat deze is beschreven in de last. Dit laat onverlet dat verweerder de bevoegdheid heeft de hoogte daarvan te matigen, hetgeen in het voordeel van appellant heeft plaatsgehad. Ten aanzien van last opgelegd bij het primaire besluit 3 merkt verweerder op dat deze last is uitgewerkt en niet heeft geleid tot het verbeuren van een dwangsom.

5.1

Het College stelt, gelet op het verhandelde ter zitting, vast dat uitsluitend nog de rechtmatigheid van het bestreden besluit, voor zover dit besluit strekt tot handhaving van het invorderingsbesluit, ter beoordeling staat.

5.2

Aan de stelling van verweerder dat appellant de bij het primaire besluit 1 opgelegde maatregelen 1 en 4 niet heeft uitgevoerd en dus niet heeft voldaan aan de betreffende last onder dwangsom, ligt het standpunt ten grondslag dat appellant artikel 1.7, aanhef en onder c en f, van het Bhd, artikel 2.4, vierde lid, van het Bhd en artikel 2.26, tweede lid, van het Bhd heeft overtreden vanwege het feit dat op 3 december 2014 vijf zieke en gewonde varkens waren ondergebracht in een ruimte zonder passende verzorging, water en strooisel op de vloer. Appellante betwist dat dit feit overtreding inhoudt van genoemde wettelijke voorschriften. Het College volgt appellant hierin niet. Daartoe is het volgende redengevend. Een redelijke uitleg van genoemde wettelijke bepalingen brengt met zich dat geen sprake is van een overtreding als de dieren gedurende verplaatsing naar een ander hok/ziekenboeg zeer beperkte tijd niet over water beschikken (overgangssituatie). Gelet op de feitelijke bevindingen vervat in het toezichtrapport, welke door appellant niet zijn betwist, is niet aannemelijk dat in dit geval van een dergelijke overgangssituatie sprake was. De zieke en gewonde dieren lagen op een dichte betonvloer zonder strooisel en zonder enige verzorging te wachten. Uit hetgeen appellant heeft verklaard kan bovendien niet worden afgeleid dat de dieren onderweg waren naar een ander hok dan wel ziekenboeg om aldaar te worden verzorgd. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat appellant de maatregelen 1 en 4 niet heeft uitgevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.3.

Het betoog dat verweerder niet eerst in bezwaar de verbeurde dwangsom heeft mogen aanpassen, slaagt evenmin. Verweerder dient op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht in bezwaar het primaire besluit te heroverwegen en is bevoegd om indien de heroverweging daartoe aanleiding geeft de dwangsom te matigen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. J. Schukking en mr. H.A.A.G. Vermeulen, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.S. van den Berg