Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:58

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
15/984 en 16/263
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:8665, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De vorming van reserves door het Pensioenfonds met het oog op de financiering van toekomstige pensioenaanspraken (VPL-toezeggingen) is niet in strijd met artikelen 105, 129 en 143 van de Pensioenwet

Wetsverwijzingen
Pensioenwet
Pensioenwet 105
Pensioenwet 129
Pensioenwet 143
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2017/165 met annotatie van Prof. mr. R.H. Maatman
JOR 2017/165 met annotatie van Prof. mr. R.H. Maatman
PJ 2017/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 15/984 en 16/263

28001

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2017 op de hoger beroepen van:

De Nederlandsche Bank N.V., (DNB)

(gemachtigde: mr. C.M. Bitter en mr. R. van Arkel)

en

Stichting de Samenwerking, Pensioenfonds voor het Slagersbedrijf, te Den Haag (het Pensioenfonds)

(gemachtigde: mr. E. Lutjens),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2015, kenmerk ROT 15/3491, in het geding tussen het Pensioenfonds en DNB.

Procesverloop in hoger beroep

DNB heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 26 november 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:8665).

Het Pensioenfonds heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben een reactie op elkaars hogerberoepschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de zijde van DNB zijn eveneens verschenen [naam 3] en [naam 4] . Namens het Pensioenfonds zijn tevens verschenen [naam 1] en
[naam 2] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 5 november 2004 hebben het kabinet en de sociale partners een Sociaal Akkoord gesloten waarbij onder meer een mogelijkheid voor compensatie van de gevolgen van de Wet aanpassing behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (VPL) is afgesproken. Als uitvloeisel van dat Sociaal Akkoord heeft het Georganiseerd Overleg Slagersbedrijf (GOS) overeenstemming bereikt over de uitvoering van een zogenaamde VPL-regeling die inhoudt dat een bepaalde groep pensioendeelnemers extra pensioen toegezegd heeft gekregen (VPL-toezegging). Een deelnemer heeft pas recht op het extra pensioen op het moment dat en voor zover de VPL-toezegging wordt gefinancierd. Afgesproken is de VPL-toezeggingen te financieren uit het eigen vermogen van het Pensioenfonds, aangevuld met een premie ter grootte van 2% van de loonsom met ingang van 1 januari 2015. Het Pensioenfonds heeft de VPL-toezegging in 2006 onderdeel gemaakt van zijn nieuwe verplicht gestelde pensioenregeling vanaf 1 januari 2007. Afgesproken is de VPL-toezeggingen in drie stappen te financieren: een derde deel op 31 december 2011, een derde deel op 31 december 2016 en een derde deel op 31 december 2021 en daarnaast telkens wanneer een deelnemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

1.3

In de aanloop naar de inkoop van de VPL-toezegging heeft het Pensioenfonds ten laste van zijn eigen vermogen in 2008 een voorziening (VPL-voorziening) gevormd die nadien elk jaar is gewijzigd na herberekening. Ultimo 2010 bedroeg de contante waarde van de VPL-voorziening conform de gecertificeerde en goedgekeurde jaarrekening van het Pensioenfonds € 63,817 miljoen. Met ingang van 2011 heeft het Pensioenfonds de VPL-voorziening omgevormd tot bestemmingsreserve (VPL-bestemmingsreserve), waaraan het ultimo 2011 een bedrag heeft onttrokken voor de inkoop van de eerste tranche VPL-toezeggingen. Daarnaast heeft het Pensioenfonds geld toegevoegd aan de VPL-bestemmingsreserve. In 2012 zijn aan de VPL-bestemmingsreserve opnieuw gelden toegevoegd. Vanaf 2013 doteert het Pensioenfonds het fondsrendement aan de VPL-bestemmingsreserve en vanaf 2015 ook de ontvangen premies. Bij financiering van VPL-toezeggingen onttrekt het Pensioenfonds geld aan de VPL-bestemmingsreserve.

1.4

Met ingang van 30 september 2011 voldoet het Pensioenfonds niet langer aan het bepaalde in artikel 132, tweede lid, van de Pensioenwet en verkeert het Pensioenfonds derhalve in een situatie van reservetekort.

1.5

Op 7 april 2014 heeft het GOS met het Pensioenfonds een ‘overeenkomst tot uitvoering van inkoop van pensioen over het verleden’ (overeenkomst) gesloten. In deze overeenkomst zijn de rond 2006 gemaakte (mondelinge) afspraken over de financiering van de inkoop van pensioen over het verleden en de nadere afspraken over de gewijzigde uitvoering van de overeenkomst tot inkoop van pensioen over het verleden voor de periode vanaf 1 januari 2013 schriftelijk vastgelegd.

1.6

Bij brief van 3 november 2014 heeft DNB het Pensioenfonds bericht dat DNB op basis van een door het Pensioenfonds overgelegde notitie van 7 oktober 2014 tot de conclusie komt dat de VPL-bestemmingsreserve per 31 december 2013 maximaal € 30,139 miljoen kan bedragen. In de jaarrekening is een VPL-bestemmingsreserve van € 41,536 miljoen opgenomen, zodat een bedrag van € 11,397 miljoen dient vrij te vallen ten gunste van het eigen vermogen.

1.7

Bij besluit van 5 december 2014 (primair besluit) heeft DNB aan het Pensioenfonds een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de Pensioenwet, wegens handelen in strijd met de artikelen 129, 105 en 143 van de Pensioenwet.

1.8

Bij besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft DNB de aanwijzing gehandhaafd. Het eerste onderdeel van de aanwijzing houdt in dat het Pensioenfonds uiterlijk per 1 januari 2014 de VPL-bestemmingsreserve gedeeltelijk moet laten vrijvallen ten gunste van het eigen pensioenvermogen zodat de VPL-bestemmingsreserve per 1 januari 2014 niet groter zal zijn dan € 30,139 miljoen en dat het Pensioenfonds deze vrijval uiterlijk op 30 juni 2015 dient te verwerken in de jaarrekening. Het tweede onderdeel van de aanwijzing houdt in dat het Pensioenfonds in de toelichting bij de balanspost VPL-bestemmingsreserve jaarlijks, met ingang van 2014, in haar jaarverslag inzichtelijk maakt in hoeverre de VPL-bestemmingsreserve in combinatie met de nog te ontvangen premies kostendekkend is (of zal zijn) voor de toekomstige inkoop van de VPL-verplichtingen. Het (ten opzichte van het primaire besluit gewijzigde) derde onderdeel van de aanwijzing houdt in dat het Pensioenfonds bewerkstelligt dat herhaling van de door DNB geconstateerde overtredingen wordt voorkomen en dat het Pensioenfonds DNB uiterlijk op 1 september 2015 bericht over de wijze waarop het dit doel beoogt te bereiken.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van het Pensioenfonds gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van het Pensioenfonds dat de VPL-bestemmingsreserve aangemerkt moet worden als pensioengeld in de zin van de Pensioenwet, faalt.

2.3

Het betoog van het Pensioenfonds dat het geen korting heeft verleend op de kostendekkende premie bedoeld in artikel 128 van de Pensioenwet en dat het artikel 129, eerste lid, van de Pensioenwet niet heeft overtreden, slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de vorming van reserves met het oog op toekomstige pensioenaanspraken zoals in het kader van de VPL-regeling, is toegestaan. In tegenstelling tot hetgeen DNB betoogt, is het vormen van de VPL-bestemmingsreserve uit het eigen vermogen van het Pensioenfonds niet aan te merken als het verlenen van een premiekorting in de zin van artikel 129, eerste lid, van de Pensioenwet. De daar bedoelde korting wordt immers verleend op de premie die wordt vastgesteld conform artikel 128 van de Pensioenwet. Vast staat dat het Pensioenfonds in de jaren 2011, 2012 en 2013 steeds een kostendekkende premie heeft gehanteerd. Dat met de aanwending van het eigen vermogen van het Pensioenfonds voor het onderhouden van de VPL-bestemmingsreserve indirect sprake is van het verlenen van premiekorting, vindt volgens de rechtbank geen grondslag in de Pensioenwet. De aanname van DNB dat dit in de jaren vanaf 2007 wel is gebeurd, is gebaseerd op een reconstructie achteraf. Dit betekent dat DNB ten onrechte heeft geconcludeerd dat het Pensioenfonds artikel 129, eerste lid, van de Pensioenwet heeft overtreden.

2.4

Het betoog van het Pensioenfonds dat het artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet niet heeft overtreden, slaagt naar het oordeel van de rechtbank eveneens. Van schending van artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet kan eerst sprake zijn indien evident is dat de door het Pensioenfonds gemaakte belangenafweging dusdanig onredelijk is dat de in artikel 105 van de Pensioenwet genoemde belanghebbenden zich niet op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen. Daarbij komt aan de opinie van het verantwoordingsorgaan, gelet op de wettelijke samenstelling en taken daarvan, meer gewicht toe dan DNB daaraan toekent. Nu het verantwoordingsorgaan zich kan vinden in het door het Pensioenfonds gevoerde beleid en de rechtbank de door het Pensioenfonds gemaakte belangenafweging niet evident onredelijk acht, heeft DNB ten onrechte het standpunt ingenomen dat het Pensioenfonds artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet heeft overtreden.

2.5

Tot slot oordeelt de rechtbank dat het Pensioenfonds er terecht op wijst dat het op grond van de overeenkomst met ingang van 1 januari 2013 niet gehouden is tot inkoop van pensioen over het verleden indien de VPL-bestemmingsreserve lager is dan het bedrag dat hiervoor nodig is. De overeenkomst houdt in zoverre rekening met een situatie waarin het vermogen van het Pensioenfonds niet toereikend is om voldoende geld te reserveren ten behoeve van de VPL-regeling. Ten tijde van het primaire besluit werd derhalve artikel 143, eerste lid, van de Pensioenwet niet door het Pensioenfonds overtreden, aldus de rechtbank.

2.6

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat DNB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het Pensioenfonds voormelde artikelen van de Pensioenwet heeft overtreden. Nu geen sprake is van een overtreding, was DNB gelet op artikel 171, eerste lid, van de Pensioenwet, niet bevoegd een aanwijzing te geven.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. DNB komt in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank dat DNB niet over de bevoegdheid beschikte om een aanwijzing op te leggen, omdat het Pensioenfonds geen van de in het bestreden besluit genoemde - en daaraan alternatief ten grondslag gelegde - artikelen 129, 105 en 143 van de Pensioenwet heeft overtreden.

4. 1 Volgens DNB is sprake van overtreding van artikel 129, eerste lid, van de Pensioenwet. Daartoe voert DNB aan dat het doel van de Pensioenwet is het zekerstellen van het kunnen nakomen van pensioenverplichtingen. Om dat doel te bereiken stelt de Pensioenwet verschillende eisen. Zo is de werkgever verplicht om pensioen onder te brengen bij een pensioenuitvoerder. Daarnaast is een pensioenfonds verplicht om een kostendekkende premie vast te stellen en moet een pensioenfonds beschikken over een vereist eigen vermogen. Kennelijk heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen dat als eenmaal een kostendekkende premie is betaald, het vermogen van een pensioenfonds naar goeddunken van het fonds kan worden ingezet ter financiering van niet-pensioenverplichtingen, zoals een VPL-toezegging. Dat uitgangspunt is in strijd met (het systeem van) de Pensioenwet. Als zou moeten worden aangenomen dat het eigen vermogen van een pensioenfonds ook voor andere zaken dan pensioen kan worden gebruikt, dan kan een pensioenfonds - in strijd met de meest wezenlijke uitgangspunten van de Pensioenwet - de zekerheid van het kunnen voldoen aan de pensioenverplichtingen in gevaar brengen. De Pensioenwet stelt strikte eisen om te bewerkstelligen dat de pensioenverplichtingen voldaan kunnen worden. In artikel 128 van de Pensioenwet is bepaald dat een pensioenfonds een kostendekkende premie moet vaststellen. In artikel 129 van de Pensioenwet is limitatief geregeld aan welke vereisten moet zijn voldaan voordat een pensioenfonds mag overgaan tot het verlenen van korting op de premie of terugstorting ten gunste van de werkgever. De Pensioenwet biedt geen ruimte om op andere wijze vermogen aan het fonds te onttrekken, laat staan dat dit mag zonder dat aan de in artikel 129 van de Pensioenwet gestelde vereisten is voldaan.
Gelet op het voorgaande heeft DNB aangenomen dat het Pensioenfonds door een gedeelte van het eigen vermogen ter beschikking te stellen voor de financiering van VPL-toezeggingen feitelijk een premiekorting aan de werkgevers heeft verleend. Aangezien het Pensioenfonds in de periode 2011 tot en met 2013 een reservetekort had, was die premiekorting ingevolge artikel 129 van de Pensioenwet niet toegestaan. Dientengevolge heeft het Pensioenfonds het pensioenvermogen niet mogen aanwenden voor aanvulling van de VPL-bestemmingsreserve. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van strijd met artikel 129 van de Pensioenwet is dan ook onjuist.

4.2

Het Pensioenfonds betoogt dat het oordeel van de rechtbank dat het aanwenden van een deel van het vermogen voor VPL-financiering geen premiekorting is, juist is, mede in het licht van het feit dat de kostendekkende premie bedoeld in artikel 128 van de Pensioenwet telkens door werkgevers is voldaan en er sprake is van naleving van een reeds in 2006/2007 gelegde contractuele beklemming op het vermogen.

4.3

Ten aanzien van de gestelde overtreding van artikel 129, eerste lid, van de Pensioenwet overweegt het College het volgende.

Het College stelt, in navolging van de rechtbank, voorop dat het een pensioenfonds is toegestaan reserves te vormen met het oog op toekomstige pensioenaanspraken zoals in het kader van de VPL-regeling. Niet in geschil is dat het Pensioenfonds in de jaren 2011, 2012 en 2013 steeds een kostendekkende premie heeft gehanteerd. Voorts is niet gebleken dat een terugstorting ten gunste van de werkgever heeft plaatsgevonden. In zoverre kan van een overtreding van artikel 129, eerste lid, van de Pensioenwet geen sprake zijn. Met de rechtbank is het College voorts van oordeel dat de Pensioenwet, in het bijzonder het genoemde artikel 129, geen grondslag biedt voor de conclusie dat met de aanwending van het eigen vermogen van het Pensioenfonds voor het aanvullen van de VPL-bestemmingsreserve indirect sprake is van het verlenen van een premiekorting. Hoewel het College onderkent – en tussen partijen ook niet in geschil is – dat de Pensioenwet tot doel heeft zeker te stellen dat pensioenverplichtingen kunnen worden nagekomen, is kan hieraan naar het oordeel van het College niet de door de DNB getrokken conclusie worden verbonden dat het Pensioenfonds heeft gehandeld in strijd met artikel 129, eerste lid, van de Pensioenfonds. Het College onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat DNB ten onrechte heeft geconcludeerd dat het Pensioenfonds artikel 129, eerste lid, van de Pensioenwet heeft overtreden.

De eerste hogerberoepsgrond van DNB slaagt niet.

5.1

Ten aanzien van de vermeende overtreding van artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet stelt DNB voorop dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat alleen sprake kan zijn van schending van genoemd artikel indien de door een pensioenfonds gemaakte belangenafweging ‘evident onredelijk’ is. Beoordeeld moet worden of de betrokkenen zich op evenwichtige wijze vertegenwoordigd hebben kunnen voelen. Het is aan een pensioenfonds om het beleid te bepalen, maar als het beleid niet evenwichtig is, moet worden geconcludeerd dat artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet is overtreden en kan DNB ingrijpen.
Volgens DNB is hiervan in dit geval sprake. Er is geld onttrokken aan het vermogen van het Pensioenfonds, dat bedoeld was voor de financiering van de (toekomstige) pensioenen van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van het Pensioenfonds, en dit geld is gebruikt voor de financiering van niet pensioenaanspraken (VPL-toezeggingen) voor de specifieke groep deelnemers aan wie de werkgevers een VPL-toezegging hebben gedaan. Het Pensioenfonds heeft zich, nadat DNB erop had gewezen dat zij op basis van de door het Pensioenfonds verstrekte gegevens tot de conclusie was gekomen dat de VPL-bestemmingsreserve te hoog is vastgesteld, niet bereid getoond om een bedrag van € 11,397 miljoen vrij te laten vallen ten gunste van het eigen vermogen van het Pensioenfonds.

De Pensioenwet is er enkel en alleen op gericht dat pensioentoezeggingen kunnen worden nagekomen. Financiering van VPL-toezeggingen leidde ertoe dat nakoming van de pensioentoezeggingen (verder) in gevaar kwam. De belangen van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden aan wie geen VPL-toezegging is gedaan, zijn veronachtzaamd en de deelnemers aan wie wel een VPL-toezegging is gedaan, alsmede de werkgevers, zijn bevoordeeld. Dat betekent een onevenredige belangenafweging. De omstandigheid dat het verantwoordingsorgaan heeft laten weten zich te kunnen vinden in het beleid van het Pensioenfonds doet daaraan niet af, nu dat beleid in strijd is met de wet, aldus DNB.

5.2

Het Pensioenfonds stelt dat de invulling van de norm van evenwichtigheid aan het Pensioenfonds is. Het Pensioenfonds heeft de gemaakte keuze evenwichtig gevonden omdat: de VPL-aanspraken hard zijn toegezegd; de VPL-aanspraakgerechtigden 50% omvatten van de actieve deelnemers en derhalve een relevante groep zijn met wiens belangen serieus rekening gehouden moet worden; de financiering voor en de aanspraak op VPL is bedoeld voor een groep deelnemers die niet (voldoende) kon profiteren van de verbetering van de pensioenopbouw per 1 januari 2007 en voor wie de VUT verviel; werkgevers aan de financiering hebben betaald doordat zij vanaf 2007 eerst de VUT-premie bleven betalen en vanaf 2015, bij het wegvallen van de VUT-premie, VPL-premie zouden gaan betalen; en de benadeling van belanghebbenden die geen aanspraak op VPL krijgen verwaarloosbaar is vanwege het zeer beperkte effect van de VPL-bestemmingsreserve op de dekkingsgraad (slechts 0,7%). Dat sprake is van evenwichtigheid wordt ondersteund door het feit dat het verantwoordingsorgaan de handelwijze van het Pensioenfonds juist en evenwichtig acht.

5.3

Het College volgt het betoog van DNB niet en overweegt daartoe als volgt. Artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet bepaalt het volgende:

“De personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen of mede bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.”

Zowel de formulering “zich richten naar” als de zinsnede “zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen” duidt naar het oordeel van het College op een bepaalde mate van beleidsvrijheid die toekomt aan de beleidsbepalers van een pensioenfonds. Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank een te afstandelijke maatstaf gehanteerd door te overwegen dat alleen sprake kan zijn van schending van genoemd artikel indien de door een pensioenfonds gemaakte belangenafweging ‘evident onredelijk’ is. De uitkomst van de door de rechtbank verrichte toetsing onderschrijft het College echter wel. Daarbij neemt het College met name in aanmerking dat het verantwoordingsorgaan van het Pensioenfonds met de hier ter discussie staande besluitvorming van het bestuur heeft ingestemd. Mede in dat licht bezien bestaat geen grond voor de conclusie dat het bestuur van het Pensioenfonds op zodanige wijze invulling heeft gegeven aan de hem toekomende beleidsvrijheid dat de in artikel 105, tweede lid, van de Pensioenwet beschreven betrokkenen zich in dit geval niet op een evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.

De tweede hogerberoepsgrond van DNB slaagt niet.

6.1

De overtreding van artikel 143, eerste lid, van de Pensioenwet is volgens DNB gelegen in het feit dat het Pensioenfonds in 2005 mondeling, althans niet vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst, een ‘open einde verplichting’ is aangegaan tegenover de werkgevers en dat er - in ieder geval vanaf 2010 - pensioengeld is onttrokken aan het pensioenvermogen van het Pensioenfonds, zelfs toen sprake was van een reservetekort, om de VPL-toezeggingen te kunnen verwezenlijken.

6.2

Volgens het Pensioenfonds is artikel 143 van de Pensioenwet in het geheel niet van toepassing op de gedraging die DNB het Pensioenfonds verwijt. Het gaat bij dat artikel blijkens de Memorie van Toelichting bij de Pensioenwet (Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 263/264) om een goede inrichting van de administratie en processen opdat risico’s worden beheerst. Dat de administratie en processen niet goed ingericht zijn geweest, heeft DNB echter niet gesteld of aan de aanwijzing ten grondslag gelegd. Van het onverantwoord aangaan van verplichtingen is overigens geen sprake. In de overeenkomst met de sociale partners zit een financiële ontsnappingsclausule, terwijl het door DNB gestelde ontbreken daarvan de grond voor de aanwijzing is. In de omstandigheden van het geval - een contractuele plicht is nagekomen, het effect op de dekkingsgraad is minimaal (slechts 0,7%), en belanghebbenden hebben niet minder aanspraken toegekend gekregen - valt niet in te zien waarom een beheerste bedrijfsvoering is geschaad.

6.3

Het College ziet in hetgeen DNB heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is van een beheerste bedrijfsvoering van het Pensioenfonds. Daartoe overweegt het College het volgende. DNB heeft pas in 2012 bij sectorbrief kenbaar gemaakt dat in haar visie een schriftelijke overeenkomst inzake uitvoering van een VPL-regeling is geboden. De omstandigheid dat de in 2005 tussen het Pensioenfonds en de sociale partners gemaakte afspraken niet direct, maar pas in 2014 op schrift zijn gesteld kan het Pensioenfonds om die reden niet worden tegengeworpen. De overtreding van artikel 143 van de Pensioenwet kan er naar het oordeel van het College - gelet op hetgeen het College hiervoor in verband met de vermeende overtredingen van de artikelen 105 en 129 van de Pensioenwet heeft overwogen - evenmin uit bestaan dat het Pensioenfonds in strijd met (het systeem van) de Pensioenwet geld heeft onttrokken aan het pensioenvermogen. DNB heeft niet nader onderbouwd in welke concrete gedraging van het Pensioenfonds de overtreding van artikel 143 van de Pensioenwet verder kan zijn gelegen. Het College concludeert daarom dat niet kan worden vastgesteld dat het Pensioenfonds artikel 143 van de Pensioenwet heeft overtreden.

Ook de derde hogerberoepsgrond van DNB slaagt niet.

7. Op grond van het voorgaande is het hoger beroep van DNB ongegrond. Nu daarmee de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, heeft het Pensioenfonds onvoldoende (proces)belang bij een beoordeling van het ingestelde incidenteel hoger beroep. Het College verklaart het incidenteel hoger beroep om die reden niet-ontvankelijk.

8. Het College veroordeelt DNB in de door het Pensioenfonds gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het verweerschrift in hoger beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

9. Op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt van DNB een griffierecht van € 497geheven.

Beslissing

Het College:

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het incidenteel hoger beroep van het Pensioenfonds niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt DNB in de proceskosten van het Pensioenfonds tot een bedrag van € 990.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. S.C. Stuldreher en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. J.J. de Jong