Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:52

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
15/821
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Hoger beroep ongegrond. Niet gebleken dat betrokkene een eigen zakelijk belang had bij de tussen appellant en een cliënt van betrokkene gesloten koopovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/821

20150


uitspraak van de meervoudige kamer van 7 februari 2017 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. V.S.M. Sturkenboom),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 14 september 2015, gegeven op een klacht, op 22 december 2014 door appellant ingediend tegen [naam 2] AA (betrokkene).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 14 september 2015, met nummer 14/3183 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:104).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Partijen zijn verschenen, waarbij appellant zich heeft laten bijstaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene is sinds 28 februari 1990 ingeschreven in het register van (thans) de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants en is als openbaar accountant verbonden aan [naam 3] te [plaats 2] .

1.3

Appellant is verwikkeld in een gerechtelijke procedure met [naam 4] ( [naam 4] ). In die procedure staat ter discussie de stelling van [naam 4] dat appellant zich heeft verbonden tot de koop van een pand aan de [adres] te [plaats 1] .

1.4

[naam 4] is een cliënt van betrokkene. Op 5 juli 2011 heeft ten kantore van betrokkene in het kader van de voorgenomen verkoop van het pand aan de [adres] door [naam 4] aan appellant een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, [naam 4] en betrokkene.

1.5

Betrokkene heeft vervolgens op verzoek van [naam 4] per brief van 17 november 2011 appellant gewezen op de tussen [naam 4] en appellant gemaakte afspraken omtrent de voorgenomen verkoop en appellant verzocht de koopovereenkomst na te komen. Op 6 december 2011 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 4] en appellant in het kantoor van betrokkene. Naast betrokkene was bij die bespreking aan de zijde van appellant tevens aanwezig [naam 5] .

1.6

In de gerechtelijke procedure tussen [naam 4] en appellant heeft [naam 4] een transcriptie van een geluidsopname van het gesprek dat op 6 december 2011 heeft plaatsgevonden in het kantoor van betrokkene overgelegd. Ook is in het kader van die procedure betrokkene onder ede als getuige gehoord.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen als bedoeld in artikel A-100.4 van de Verordening Gedragscode (AA’s) (VGC). Ten grondslag aan de klacht liggen de volgende verwijten:

1) betrokkene heeft zich - tegenover appellant en ook als getuige bij de rechtbank - voorgedaan als alleen maar de accountant van [naam 4] , maar heeft daarnaast ook belangen in projecten samen met [naam 4] en is aldus belanghebbende in het geschil tussen appellant en [naam 4] ; en

2) betrokkene heeft een actieve rol gespeeld bij het maken en/of de uitwerking van de geluidsopname van het gesprek in zijn kantoor op 6 december 2011; hij heeft toen in elk geval appellant niet van het maken van die opname op de hoogte gesteld, terwijl hij daarvan wel op de hoogte was.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Daartoe heeft de accountantskamer onder 4.6 van de bestreden uitspraak het volgende overwogen (waarbij voor klager appellant moet worden gelezen):

“De Accountantskamer overweegt met betrekking tot beide klachtonderdelen dat klager weliswaar heeft gesteld dat betrokkene meer dan alleen de accountant van [naam 4] is en dat betrokkene wist van de geluidsopname in diens kantoor op 6 december 2011, doch dat hij deze stellingen niet met stukken of anderszins nader heeft gestaafd, terwijl een en ander door betrokkene wordt betwist. Stukken waaruit blijkt dat betrokkene wel degelijk een nadere zakelijke band met [naam 4] had, bevinden zich niet bij de processtukken in de onderhavige klachtzaak. Uitgaande van de tekst van de transcriptie van het gesprek op 6 december 2011 en een overgelegde geluidsopname hiervan kan niet worden vastgesteld dat betrokkene zakelijke belangen had bij de door [naam 4] gestelde koopovereenkomst. Het enkele feit dat betrokkene tijdens het gesprek hier en daar de wij-vorm heeft gebruikt, levert onvoldoende aanwijzingen van de gestelde belangen op, mede gelet op de omstandigheid dat betrokkene ook bewoordingen heeft gebezigd waaruit kan worden opgemaakt dat uitsluitend belangen van [naam 4] waren betrokken. In het aanvullend klaagschrift van 6 mei 2015 is nog gesteld dat de geluidsopname afwijkt van de door de advocaat van [naam 4] overgelegde transcriptie ervan, maar wat daarvan ook zij, klager heeft ook daarbij niet duidelijk gemaakt dat betrokkene iets te maken had met die geluidsopname en de uitwerking ervan in een transcriptie.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellant komt in hoger beroep op tegen het hiervoor onder 2.2 weergegeven oordeel van de accountantskamer. Volgens appellant blijkt uit de door appellant aan de accountantskamer overgelegde producties, te weten een geluidsopname en een (volgens appellant gemanipuleerde) transcriptie van het op 6 december 2011 gevoerde gesprek en het proces-verbaal van getuigenverhoor gehouden op 29 oktober 2014, wel degelijk dat betrokkene een nadere zakelijke band had met [naam 4] , althans dat betrokkene meer dan alleen accountant, namelijk belanghebbende, was.

3.2

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om schriftelijk op het hogerberoepschrift te reageren. Wel heeft hij ter zitting op de stellingen van appellant gereageerd.

4. Het College stelt vast dat appellant in dit hoger beroep zijn reeds bij de accountantskamer ingenomen standpunt dat betrokkene, anders dan in zijn rol als accountant, belang had bij het ontstane geschil tussen [naam 4] en appellant, herhaalt zonder daaraan nieuwe argumenten ten grondslag te leggen. Uit rechtsoverweging 4.6 van de bestreden uitspraak, die hiervoor onder 2.2 is weergegeven, blijkt dat de accountantskamer alle door appellant aangevoerde argumenten in haar beoordeling heeft betrokken. Zij heeft gemotiveerd uiteengezet waarom die argumenten niet leiden tot het door appellant gewenste oordeel. Gelet op de inhoud van de door appellant overgelegde stukken - waaraan hij in hoger beroep geen stukken heeft toegevoegd - ziet het College geen aanleiding om dat oordeel van de accountantskamer onjuist te achten. Noch de geluidsopname, noch de transcriptie, noch de onder ede afgelegde getuigenverklaringen bieden steun voor de conclusie dat betrokkene een eigen belang had bij de tussen [naam 4] en appellant overeengekomen verkoop van het pand aan de [adres] . Evenmin is gebleken dat betrokkene op enige wijze betrokken was bij het maken van de geluidsopname en/of de transcriptie daarvan, zodat ook appellants stelling dat de geluidsopname op een ander toestel is gemaakt dan het toestel dat is overgelegd, wat daarvan overigens ook zij, niet kan leiden tot een ander oordeel. Het College onderschrijft aldus de hiervoor weergegeven overweging van de accountantskamer.

5. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

6. De door appellant verzochte proceskostenveroordeling komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) daarvoor geen grondslag biedt.

7. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. H.S.J. Albers en mr. P.M. van der Zanden, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. J.J. de Jong