Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:503

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
16/130a
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Handelsregisterwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/130

24301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2017 in de zaak tussen

1. [naam 1], te [plaats 1] ,

2. [naam 2], te [plaats 1] ,

3. [naam 3], te [plaats 2] , tezamen appellanten, stellende mede te handelen namens [naam 4]

(gemachtigde: [naam 5] )

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. E. Goos).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 6] , te [plaats 1] .

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 10 november 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:388) heeft het College verweerster opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de uitspraak de gebreken in het bestreden besluit van 12 januari 2016 (bestreden besluit I) te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.

Bij brief van 2 februari 2017 heeft verweerster mededeling gedaan van het herstel van het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek door toezending van een nieuw besluit op bezwaar van diezelfde datum (het bestreden besluit II).

Bij brief van 9 maart 2017 hebben appellanten hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Verweerster heeft daarop gereageerd bij brief van 19 april 2017.

Het College heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Het College verwijst voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de tussenuitspraak in dit geding van 10 november 2016. Het College volstaat hier met het volgende.

2. Bij het bestreden besluit II heeft verweerster het bezwaar van appellanten alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit I ingetrokken.

3. Ingevolge artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, staat intrekking van het bestreden besluit I niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

4. Appellanten hebben aangevoerd dat zij als gevolg van het bestreden besluit I schade hebben geleden en voornemens zijn de geleden schade langs civielrechtelijke weg te verhalen op verweerster. Gelet hierop hebben appellanten naar het oordeel van het College een voldoende (resterend) procesbelang bij een mogelijke vernietiging van het bestreden besluit I.

5. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit I gegrond en dient dit besluit te worden vernietigd.

6. Het College stelt vast dat appellanten tegen het bestreden besluit II geen gronden hebben aangevoerd. Het beroep voor zover gericht tegen dit besluit dient daarom ongegrond te worden verklaard.

7. Aangezien het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond is, acht het College het aangewezen om verweerster te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de beroepsprocedure en te bepalen dat verweerster het door appellanten betaalde griffierecht vergoedt. De proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de tolkkosten overweegt het College dat op grond van artikel 1, onder b, van het Bpb de kosten voor een tolk voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb wordt een vergoeding vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken bedraagt het tarief voor tolken in veelbeheerste niet-Europese talen € 48,60 per uur. Het College kent appellanten een tolkkostenvergoeding toe van € 48,60 (1 uur x € 48,60) voor de bijstand door een tolk ( [naam 7] ) ter zitting. Voor zover appellanten een hoger bedrag aan vergoeding voor bijstand door een tolk hebben verzocht, komt dit niet voor toewijzing in aanmerking, mede omdat een onderbouwing en specificatie hiertoe ontbreekt. Met betrekking tot de gevorderde vergoeding van de vertaalkosten overweegt het College dat deze kosten niet vallen onder de in artikel 1 van het Bpb limitatief opgesomde proceshandelingen, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond;

  • -

    vernietigt dit besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellanten te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van
    € 1.038, 60,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2017.

w.g. J.L. Verbeek w.g. A. El Markai