Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:489

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
17/350
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet dieren. Verbod op het in de handel brengen van partijen pluimveevlees wegens gevaar van kruiscontaminatie met Salmonella (type S.e.). Uit artikel 14, zesde lid, van Verordening (EG) 178/2002 volgt niet dat appellante aantoont dat de partijen veilig zijn, maar dat uitvoering onderzoek geen aanwijzingen oplevert van het tegendeel. Tegen die achtergrond heeft verweerder voor het College onvoldoende duidelijk gemaakt waarop zijn eis is gebaseerd dat appellante moet aantonen met een betrouwbaarheid van 95% dat de besmiettingsgraad maximaal 0,1% bedraaagt. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 17/350

11350

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. E. Dans),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 5.10, eerste lid, onder a, van de Wet dieren in samenhang met artikel 19, eerste en vierde lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (Verordening (EG) 178/2002), appellante verboden in de handel te brengen het kippenvlees van partijen die zijn geslacht op 5 en 6 november 2015.

Bij besluit van 14 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Appellante is verschenen bij gemachtigde, vergezeld door [naam 2] en [naam 3] ( [naam 3] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Appellante exploiteert een pluimveeslachterij. Op 5 en 6 november 2015 heeft appellante vier partijen kippen geslacht. Op 5 november 2015 zijn na elkaar geslacht partij 1 en partij 2. Op 6 november 2015 zijn na elkaar geslacht partij 3 en partij 4. Partijen 1 en 3 waren afkomstig uit dezelfde stal.

1.3

Van elk koppel kippen dat wordt afgevoerd van de pluimveehouder naar de slachterij wordt voorafgaand aan dat transport gecontroleerd of dat koppel besmet is met salmonella, waaronder Salmonella enteritidis (S.e.). Dat gebeurt door de analyse van monsters die met overschoenen in de stallen zijn genomen. Met deze overschoenen wordt door de stallen gelopen. Het materiaal dat daaraan blijft kleven wordt onderzocht. Als in deze monsters S.e. wordt aangetroffen, dan wordt aangenomen dat (een deel van) de kippen salmonella-positief is. Deze zogenaamde overschoentjesmethode is in Nederland de gebruikelijke methode om te onderzoeken of levend pluimvee besmet is met salmonella, waaronder S.e.

1.4

Ook in de stallen waar de op 5 en 6 november 2015 geslachte kippen werden gehouden, zijn overschoenmonsters genomen. In die monsters is geen S.e. aangetroffen. Het aangevoerde pluimvee is daarom aangemerkt als S.e.-negatief.

1.5

Appellante heeft conform de voorschriften van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (Verordening (EG) 2073/2005) vijf nekvelmonsters genomen van partij 1. Tevens heeft appellante na het slachtproces tijdens de productie van zogenoemd 3 mm vlees nog vijf monsters genomen. De monsters zijn bij geaccrediteerde laboratoria onderzocht. In geen van de monsters werd S.e. aangetroffen.

1.6

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft op 5 november 2015 een verificatiemonster genomen van partij 1 die op die dag als eerste werd geslacht. Dit monster testte positief op S.e. NVWA heeft appellante op 16 november 2015 zowel telefonisch als per e-mail op de hoogte gesteld van het feit dat in de betreffende partij S.e. was aangetroffen. Appellante heeft vervolgens aan de recall-verplichtingen voldaan en al het vlees, voor zover nog niet aanwezig bij de consument, afkomstig van leghennen behorend bij partijen 1 en 3, teruggehaald en apart gezet.

1.7

Op 18 november 2015 is per e-mail aan appellante bevestigd dat ook de partijen 2 en 4 die zijn geslacht na de partijen waarvan een positief monster is genomen, als onveilig moeten worden aangemerkt en eveneens moeten worden teruggehaald en apart gezet. Appellante heeft daaraan gehoor gegeven en de partijen opgeslagen in haar vriesruimte.

1.8

NVWA en appellante hebben gecorrespondeerd over de voorwaarden waaronder de partijen kippenvlees alsnog als S.e.-negatief kunnen worden aangemerkt. Bij e-mail van 25 november 2015 heeft NVWA appellante bericht dat om met 95% zekerheid te kunnen stellen dat de partijen 2 en 4 veilig zijn, per partij 3.000 monsters onderzocht moeten worden. Indien alle monsters negatief zijn mag worden aangenomen dat er in deze partijen geen S.e. aanwezig is, en de partijen veilig zijn.

1.9

Appellante heeft partijen 1 en 3 verwerkt als salmonella-positief vlees. S.e.-positief pluimveevlees mag op de markt worden gebracht voor humane consumptie nadat het vlees een hittebehandeling heeft ondergaan.

1.10

Bij brief van 19 augustus 2016 heeft appellante NVWA bericht dat zij van mening is dat de partijen 2 en 4 veilig zijn, aangezien per partij 25 monsters zijn onderzocht en daarin geen S.e. is aangetoond. Appellante heeft verder bericht dat zij voornemens is om partijen 2 en 4 (wederom) in de handel te brengen.

1.11

Bij het primaire besluit heeft verweerder in reactie op de brief van 19 augustus 2016 appellante verboden om de partijen 2 en 4 in de handel te brengen en haar verplicht deze partijen op haar bedrijf te houden zodat NVWA daarop kan toezien. Deze maatregel kan worden opgeheven indien appellante aantoont dat in partijen 2 en 4 geen S.e. wordt aangetroffen, waartoe 3.000 monsters per partij dienen te worden onderzocht, of appellante het vlees een hittebehandeling laat ondergaan.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder onder meer overwogen dat partijen 1 en 3 als S.e.-positief moeten worden beschouwd op basis van een infectie tijdens het leven. Partijen 2 en 4 worden, totdat anders is bewezen, als S.e.-positief beschouwd ten gevolge van kruiscontaminatie in het slachtproces en behoren daardoor tot een zending van dezelfde ‘klasse’. Verweerder merkt daarbij op dat uit het handboek van appellante waarin haar HACCP-procedures zijn omschreven ook blijkt dat wanneer er op stal per ongeluk een verwisseling plaatsvindt waardoor een S.e.-positief koppel wordt geslacht vóór een negatief koppel, dit negatieve koppel als S.e.-positief moet worden beschouwd en als zodanig moet worden behandeld. Alvorens de partijen 2 en 4 in de handel te kunnen brengen moet volgens verweerder de prevalentie van S.e. aantoonbaar lager zijn dan 0,1%, hetgeen op basis van een statistische berekening kan worden aangetoond door het nemen van 3.000 negatieve monsters per partij.

Gevolgen positief verificatiemonster voor partijen 2 en 4

3.1

Met haar eerste beroepsgrond bestrijdt appellante de opvatting van verweerder dat een positief verificatiemonster voor partijen 1 en 3 met zich brengt dat partijen 2 en 4 vallen onder dezelfde klasse of omschrijving als partijen 1 en 3 en als onveilig moeten worden beschouwd. Daartoe voert appellante - verkort weergegeven - het volgende aan. Van een “partij of zending van dezelfde klasse of omschrijving” als bedoeld in Verordening (EG) 178/2002 is geen sprake. Ten onrechte meent verweerder dat omdat partijen 2 en 4 op dezelfde dag zijn geslacht als partijen 1 en 3, er een dusdanig risico op kruisbesmetting is dat sprake is van zendingen van dezelfde klasse. Partijen 2 en 4 zijn afkomstig uit een geheel andere stal dan de partijen 1 en 3. Voor elke partij is een apart Voedsel Keten Informatie-formulier opgesteld en door verweerder akkoord bevonden. De (on)veiligheid van partijen 2 en 4 moet zelfstandig en onafhankelijk van partijen 1 en 3 worden beoordeeld. Appellante wijst erop dat ook bij negatieve analyseresultaten het risico bestaat dat een deel van de kippen toch salmonella-positief is. Dat risico is inherent aan de wettelijk voorgeschreven bemonsteringssystematiek. De besmetting van partijen 1 en 3 moet zeer gering zijn geweest, gezien het grote aantal negatieve analyseresultaten. Daartegenover staat slechts 1 positief analyseresultaat. Dat betekent dat het kruisbesmettingsrisico zeer gering was. De kans dat door het enkele met S.e. besmette karkas in partijen 1 en 3 via de slachtapparatuur een significant aantal karkassen van partijen 2 en 4 besmet is geraakt, is heel klein. Appellante vervolgt dat vanwege het onvermijdelijke risico van (onder meer) de aanwezigheid van salmonella pluimveevlees altijd door en door gegaard dient te worden en de consument kruisbesmetting dient te voorkomen. Er geldt een wettelijke verplichting de consument daarvoor te waarschuwen. Pluimveevlees wordt in de praktijk nooit rauw gegeten. Dat geldt even zozeer voor het pluimveevlees, soepkippen, dat door appellante wordt geproduceerd. Ingevolge artikel 14, derde lid, van Verordening (EG) 178/2002 zijn de normale omstandigheden voor het gebruik van pluimveevlees en de aan de consument verstrekte informatie relevant voor de beoordeling of een levensmiddel (on)veilig is. Als het kippenvlees van partijen 2 en 4 conform het bereidingsvoorschrift wordt gebruikt, is er geen kans op ziekte als gevolg van een (zeer onwaarschijnlijke) S.e.-besmetting. Het normale gebruik en de aan de consument verstrekte informatie zijn in dit geval een aanwijzing dat partijen 2 en 4 niet als onveilig moeten worden aangemerkt. Appellante wijst er verder op dat voor zover haar bekend verweerder de Belgische autoriteiten niet in kennis heeft gesteld van het positieve verificatiemonster, terwijl uit de stal waaruit partijen 1 en 3 afkomstig waren, tevens een partij kippen in België is geslacht. Indien verweerder de Belgische autoriteiten wel zou hebben verwittigd, dan hebben die in ieder geval geen aanleiding gezien om in te grijpen. De in België geslachte kippen die afkomstig zijn uit dezelfde stal als partijen 1 en 3 zijn door de Belgische autoriteiten veilig geacht. Tot slot gaat appellante in op de stelling van verweerder dat het betoog van appellante dat partijen 2 en 4 veilig zouden zijn, in strijd zou zijn met haar eigen procedures. Volgens appellante is dat niet het geval. De HACCP-procedures waar verweerder op doelt, geven geen regeling voor de situatie waarbij na de slacht en na levering van het vlees aan afnemers blijkt dat een door NVWA genomen verificatiemonster S.e.-positief is. Die regeling ziet enkel op koppels die als salmonella-positief zijn aangevoerd, maar abusievelijk niet als zodanig zijn verwerkt. Aangezien in onderhavig geval de overschoenmonsters negatief waren, is dat niet aan de orde.

3.2

Verweerder voert gemotiveerd verweer. Hij benadrukt dat voor voedselveiligheid geldt: positief is positief, ook bij een partij waarbij sprake is van een positieve uitslag tegenover (meerdere) negatieve uitslagen, tenzij er redenen zijn om aan het positieve resultaat te twijfelen, maar daarvan is in dit geval geen sprake. Daarom dient als vaststaand te worden aangenomen dat partijen 1 en 3 S.e.-positief zijn. Gelet op de volgorde waarin de partijen 1 tot en met 4 (eerst partij 1, dan partij 2; eerst partij 3 en dan partij 4) zijn geslacht aan dezelfde lijn, zonder tussentijdse reiniging en ontsmetting, kan kruiscontaminatie niet worden uitgesloten. De wijze van slachten is niet conform het HACCP-handboek van appellante. Op grond van artikel 14, eerste, tweede en zesde lid, van Verordening (EG) 178/2002 moeten partijen 2 en 4 als onveilig worden beschouwd, want zij vallen onder dezelfde klasse of omschrijving als partijen 1 en 3, tenzij een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert dat partijen 2 en 4 onveilig zijn. Bij de beoordeling van de veiligheid van partijen 2 en 4 heeft verweerder ook de normale omstandigheden van het gebruik en het bereidingsadvies van kippenvlees op het etiket voor consumenten in aanmerking genomen. Verweerder acht zijn maatregel, gezien het hoge niveau van bescherming van de gezondheid, ook gelet op artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) 178/2002, proportioneel.

3.3

Niet in geschil is dat uit de toepasselijke regelgeving volgt dat een nultolerantie geldt voor S.e. Dat betekent dat als een monster van een partij kippenvlees positief test op S.e., die partij niet in de handel mag worden gebracht tenzij nadere maatregelen worden getroffen (zoals een hittebehandeling). Het gaat in zo’n geval om een onveilig product als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van Verordening (EG) 178/2002. In deze procedure staat vast dat partijen 1 en 3 als onveilig moeten worden beschouwd als gevolg van het positieve verificatiemonster. Gelet daarop is het College van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat door de volgorde van slachten ook partijen 2 en 4 als onveilig moeten worden beschouwd. Daarbij neemt het College in aanmerking dat niet in geschil is dat de toepasselijke HACCP-procedures voorschrijven dat indien S.e.-positieve kippen worden geslacht vóór S.e.-negatieve kippen en er tussentijds geen reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden, de (als laatste geslachte) S.e.-negatieve kippen moeten worden verwerkt als S.e.-positieve kippen. Het College ziet niet in waarom in dat kader relevant zou zijn, zoals appellante stelt, op welk moment bekend wordt dat de als eerst geslachte partij S.e.-positief is (voor of na het slachten) en wat de vermoede omvang is van die besmetting (groot of klein). Van belang is slechts dat in dit geval door een niet louter theoretisch risico van kruisbesmetting tijdens het slachten van partijen 2 en 4 de kans op het in de handel brengen van met S.e. besmet vlees is vergroot. In zoverre dienen partijen 2 en 4 naar het oordeel van het College beschouwd te worden als zendingen van dezelfde klasse of omschrijving als partijen 1 en 3 als bedoeld in artikel 14, zesde lid, van Verordening (EG) 178/2002.

3.4

Gelet op het hiervoor onder 3.3 overwogene behoeft hetgeen appellante overigens in dit verband heeft aangevoerd geen verdere bespreking.

3.5

De eerste beroepsgrond van appellante slaagt niet.

Uitvoerig onderzoek

4.1

De tweede beroepsgrond van appellante is gericht tegen het bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt van verweerder dat voor S.e. op basis van Verordening (EG) 2073/2005, bijlage I onder 1.28 een nul-norm geldt, hetgeen volgens verweerder betekent dat S.e. op geen enkele wijze in een product aanwezig mag zijn. Op grond daarvan kan volgens verweerder van appellante geëist worden dat zij alle karkassen laat onderzoeken ten einde vast te stellen dat het product veilig is. Verweerder heeft besloten dat volstaan kan worden met een steekproef op grond waarvan met 95% zekerheid kan worden vastgesteld dat het besmettingsniveau kleiner of gelijk is aan 0,1%, waardoor appellante 6.000 monsters zou moeten nemen van partijen 2 en 4. Volgens appellante bepaalt Verordening (EG) 2073/2005 niet dat appellante in beginsel met 100% zekerheid aantoont dat in geen van de karkassen S.e. is aangetroffen. Verordening (EG) 2073/2005 voorziet enkel in een verplichting om volgens een vaste frequentie monsters te nemen en te analyseren op de voedselveiligheidscriteria van bijlage I van Verordening (EG) 2073/2005, waaronder regel 1.28 inzake salmonella. Voor salmonella geldt een bemonsteringsfrequentie van één keer per week, steeds op een andere dag, waarbij vijf monsters genomen moeten worden. Ook Verordening (EG) 178/2002 biedt geen grondslag voor het onjuiste standpunt van verweerder dat in beginsel alle karkassen worden onderzocht. Integendeel, artikel 14, zesde lid, van Verordening (EG) 178/2002 bepaalt dat wanneer een onveilig levensmiddel deel uitmaakt van een partij of zending van dezelfde klasse of omschrijving, wordt aangenomen dat alle levensmiddelen van die partij of zending onveilig zijn, tenzij een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert dat de rest van de partij of zending onveilig is. Er geldt dus niet een verplichting om de veiligheid van de rest van de partij aan te tonen, laat staan van elk levensmiddel in het bijzonder, maar enkel de eis dat uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert van het tegendeel. Ten onrechte motiveert verweerder niet waarom het gebruik van een buitenwettelijke norm die strenger is dan de wettelijke norm gerechtvaardigd is. Gelet op de kosten die met het nemen en analyseren van de monsters zijn gemoeid (€ 15,- per monster) en het feit dat de karkassen die zijn bemonsterd niet meer kunnen worden verkocht, is de door verweerder gestelde norm bovendien onevenredig bezwarend voor appellante. De waarde van partij 2 bedroeg maximaal € 15.200,- en de waarde van partij 4 maximaal € 20.970. De geraamde onderzoekskosten van € 90.000,- staan daartoe derhalve in geen verhouding. Appellante heeft advies ingewonnen bij [naam 3] . Deze heeft vastgesteld dat partijen 2 en 4 niet bij voorbaat van een salmonella-infectie worden verdacht omdat de kippen vrij van salmonella zijn aangevoerd en het risico op kruisbesmetting gering is. Hij adviseert aan te sluiten bij de proceshygiënenorm uit regel 2.1.5 van hoofdstuk 2, bijlage I van Verordening (EG) 2073/2005, op grond waarvan 50 monsteranalyses dienen te worden uitgevoerd. Appellante heeft het advies van [naam 3] opgevolgd en daarmee een ‘uitvoerig onderzoek’ als bedoeld in artikel 14, zesde lid, van Verordening (EG) 178/2002 uitgevoerd. Al deze monsteranalyses scoren negatief, zodat er geen aanwijzingen zijn dat partijen 2 en 4 onveilig zijn. Die partijen moesten daarom in de handel gebracht kunnen worden. Deze werkwijze sluit volgens appellante aan bij de door NVWA geaccordeerde werkwijze voor de situatie waarin uit de overschoenmonsters blijkt dat een koppel kippen salmonellapositief is. NVWA heeft onderkend dat de overschoentjesmethode incidenteel tot vals positieve uitslagen kan leiden. Om die reden is met de sector afgesproken dat na een positieve uitslag van de overschoentjesmethode enkele tientallen monsters genomen kunnen worden. Indien deze monsters alsnog salmonellanegatief blijken, mogen de kippen alsnog als zodanig geslacht en in de handel gebracht worden. Appellante ziet niet in waarom in die gevallen enkele tientallen monsters volstaan, maar in onderhavig geval 6.000 monsters genomen zouden moeten worden.

4.2

Verweerder heeft daartegenover gesteld dat hij geen steekproef met 100% betrouwbaarheid verlangt, maar een steekproef met 95% betrouwbaarheid waarmee vastgesteld kan worden dat het besmettingsniveau kleiner of gelijk is aan 0,1%. Voor S.e. geldt een nul-norm op basis van de voedselveiligheidscriteria zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van bijlage I van de Verordening 2073/2005. Dit betekent dat S.e. op geen enkele wijze in een product aanwezig mag zijn. Dit past bij een hoog niveau van gezondheidsbescherming. Het betekent niet dat verweerder het risico van 0,1% aanvaardbaar acht, immers zodra wordt vastgesteld dat er sprake is van een S.e.-besmetting wordt de gehele partij als onveilig beschouwd. In de microbiologie is een steekproef statistisch verantwoord als met 95% betrouwbaarheid aangetoond kan worden dat een partij veilig is. De statistiek van monstername is dusdanig dat de kans groot is om bij een niet homogene partij de besmetting te missen. Voor een partij die na de besmette partij is geslacht en waarbij een kans bestaat op kruiscontaminatie, wordt een lager besmettingsniveau verwacht. In dit geval zullen meer monsters genomen moeten worden voor een statistisch verantwoorde steekproef waarbij met 95% betrouwbaarheid kan worden aangetoond dat de partij toch veilig is. Bij een verwachte besmetting van 0,1% zijn dat 3.000 monsters. Verweerder beschouwt die eis als een proportionele maatregel voor een hoog niveau van gezondheidsbescherming. Het is derhalve geen bovenwettelijke eis. Verweerder acht de vereiste betrouwbaarheid ook passen onder het ‘uitvoerig onderzoek’ als bedoeld in artikel 14, zesde lid, van Verordening (EG) 178/2002. De hoogte van de kosten van het onderzoek is geen aspect dat in aanmerking genomen moet worden. Verweerder meent dat niet kan worden aangesloten bij het aantal monsteranalyses met betrekking tot proceshygiëne zoals geregeld in Verordening (EG) 2073/2005. Volgens verweerder is in dit geval, nu achteraf is gebleken dat de partijen in strijd met de HACCP-procedures in een verkeerde volgorde zijn geslacht zonder tussentijdse reiniging en ontsmetting, geen sprake van een aanvaardbaar verlopen productieproces en komt aan de monstername zoals in genoemde verordening omschreven daarom geen nadere betekenis toe. Ook de verwijzing van appellante naar de door NVWA geaccordeerde werkwijze voor situaties waarin uit de overschoentjesmethode blijkt dat een partij S.e.-positief is, gaat volgens verweerder niet op. In dit geval is sprake van een andere situatie, aangezien het uitvoeren van dat onderzoek niet meer mogelijk was omdat de besmetting achteraf is vastgesteld nadat de uitslag van de overschoentjesmethode negatief was.

4.3

Het College heeft hiervoor onder 3.3 geoordeeld dat partijen 2 en 4 als zending van dezelfde klasse of omschrijving als partijen 1 en 3, ingevolge artikel 14, zesde lid, van Verordening (EG) 178/2002 als onveilig moeten worden aangemerkt. Dat betekent dat die partijen ingevolge artikel 14, eerste lid, van Verordening (EG) 178/2002 niet in de handel mogen worden gebracht, tenzij een uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert dat die partijen onveilig zijn. Gelet op de bewoordingen van artikel 14, zesde lid, van Verordening (EG) 178/2002 volgt het College verweerder niet in zijn standpunt dat van appellante kan worden verlangd dat zij aantoont dat partijen 2 en 4 veilig zijn. Uit laatstgenoemde bepaling volgt niet een verplichting om de veiligheid van de rest van de zending aan te tonen, laat staan van elk levensmiddel afzonderlijk. De bepaling stelt de eis dat uitvoerig onderzoek geen aanwijzingen oplevert van het tegendeel. Tegen die achtergrond mag van verweerder worden verlangd dat hij concreet onderbouwt op grond waarvan appellante, alvorens partijen 2 en 4 in de handel te mogen brengen, moet aantonen met een betrouwbaarheid van 95% dat de besmettingsgraad maximaal 0,1% bedraagt, hetgeen in de praktijk neerkomt op het nemen van 3.000 negatieve monsters per partij. Dat heeft verweerder, ook ter zitting van het College, hoewel daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, nagelaten. Verweerder heeft niet deugdelijk onderbouwd waarom partijen 2 en 4 ook nadat appellante 25 negatieve monsters per partij had genomen, als onveilig dienen te worden aangemerkt en derhalve niet in de handel mogen worden gebracht. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke motivering en kan wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand blijven.

5. Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Het College zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat het over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen vaststellen of verweerder bij het primaire besluit appellante al dan niet terecht heeft verboden de partijen 2 en 4 in de handel te brengen. Het College zal verweerder daarom opdragen opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn stellen van zes weken.

6. Het College zal verweerder in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten, alsook in de kosten van de bezwaarprocedure, veroordelen. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,-, en een wegingsfactor 1).

7. Het College zal verweerder opdragen het door appellante betaalde griffierecht van € 333,- te vergoeden.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. J.A.M. van den Berk en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. J.J. de Jong