Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:484

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
17/891
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ernstig verklitte/vervilte en vervuilde vacht van honden. De nodige vachtverzorging aan honden onthouden en risico op medische gevolgen. Overtredeing artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/891

11351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. W.C.M. Niekus).

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder appellant een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van het bepaalde in de Wet dieren.

Bij besluit van 14 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2017.

Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Naar aanleiding van een melding hebben drie medewerkers van de (dieren)politie op 27 januari 2017 een onderzoek ingesteld naar de gezondheid en het welzijn van de door appellant gehouden honden op zijn perceel. De bevindingen van deze controle zijn door een toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), die niet zelf aanwezig was bij de controle, neergelegd in het toezichtrapport van 27 januari 2017.

Dit toezichtrapport vermeldt, voor zover van belang, de volgende constateringen:

“(…)

Aanleiding:

Op vrijdag 27 januari 2017 omstreeks 11.00 uur gaan medewerkers van de politie (…) ter plaatse op het adres (…).

Dit doen zij naar aanleiding van een melding welke via het landelijke meldpunt 144 is binnengekomen. In deze melding staat beschreven dat de honden welke verblijven op het adres (…) wederom onder de klitten zitten en dat de vacht van de honden aan het vervilten is.

(…)

Bevindingen:

(…)

Aan (…) is gevraagd om zijn honden te laten zien welke volgens de 144 melding een vervilte en/of verklitte vacht zouden hebben.

In een stal, (…), zagen (…) in een afgesloten hok 2 honden. (…) horen (…) vertellen dat deze twee honden een kruising zijn van een Briard/Bouvier. Tevens horen (…) vertellen dat de honden 2 reuen zijn van ongeveer 8 jaar oud.

(…) zien verder dat

- Beide honden in een afgesloten ruimte zitten;

- In deze ruimte een aantal aluminium bakken staan;

- In één van deze bakken een heel klein laagje vervuild water zit;

- Er verder geen water aanwezig is voor de honden;

- Dat de vacht van beide honden zwaar vervilt dan wel verklit is;

- De honden rondom de oren, de voorpoten, in de nek, de volledige achterhand, de buik, en de achterpoten, dikke op de huid liggende of hangende geklitte dan wel vervilte plakkaten haar hebben;

- De vacht van beide honden sterk vervuild is.

(…) ruiken dat de vacht van beide honden een sterke, onaangename geur afgeeft. (…) heeft de honden bevoeld en hij rook dat zijn handen sterk en onaangenaam naar de vacht van de honden rook.

(…) heeft (…) aangegeven dat de honden zo niet langer konden blijven lopen en dat er op korte termijn vachtverzorging dient plaats te vinden.

(…) hoorde (…) hierop zeggen dat hij beide honden nu geen vachtverzorging ging aanbieden aangezien de temperatuur voor beide honden nu te laag was.

(…) heeft aangegeven dat hij zijn bevindingen door zou geven aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en dat er mogelijk bestuursrechtelijke maatregelen zouden volgen voor (…).

Contact met de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID):

Op vrijdag 27 januari 2017 omstreeks 11.45 werd ik, (…), gebeld door (…). Ik, (…), hoorde (…) vertellen dat hij ter plaatse was geweest op een adres in [plaats] en daar twee honden heeft aangetroffen met een zwaar vervilte, vuile en verklitte vacht.

Ik, (…), hoorde (…) vragen of ik in de gelegenheid was om een toezichtrapport op te stellen met als doel om zo spoedig mogelijk bestuursrechtelijke maatregelen op te leggen aan de eigenaar van deze honden.

(…)

Ik, (…), heb op vrijdag 27 januari 2017 omstreeks 14.28 een Proces-Verbaal van Bevindingen ontvangen, (…). Tevens heb ik, (…), fotografische opnamen ontvangen van de aangetroffen situatie.

Deze fotografische opnamen zijn als bijlage 1 bij dit rapport gevoegd.

Overtredingen:

Doordat de vacht van de honden in het geheel niet wordt verzorgd, wordt de gezondheid en het welzijn van de hond benadeeld. Honden met een zwaar vervilte en verklitte vacht kunnen ernstige pijn ondervinden. Tevens kunnen ontstekingen aan de huid ontstaan.

Een deskundigenverklaring betreffende vervilte en verklitte vacht is als bijlage 3 bij dit rapport gevoegd.

(…)

Te nemen maatregelen:

U dient er voor te zorgen dat de vacht van uw handen vrij is van klitten en vervilting.

Raadpleeg, indien nodig, een professional voor het verzorgen van uw honden.

(…)”

1.2

In de door [naam 2] , etholoog en als universitair docent verbonden aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, en [naam 3] , dierenarts, opgestelde deskundigheidsverklaring van 1 april 2016 (deskundigheidsverklaring), bijgevoegd bij het toezichtrapport, wordt, voor zover van belang, het volgende verklaard ten aanzien van welzijnsaantastingen van verklitte en vervilte vachten bij honden:

“(…)

Definiëring verklitting en vervilting van vachten

(…)

Onder verklitting verstaan wij het aan elkaar hangen/klitten van meerdere haren in de vacht, waardoor de vacht met een normale borstel of kam niet meer op normale pijnloze manier uiteen is te kammen. Onder vervilting verstaan wij een verder gevorderde vorm van vachtverklitting, waarbij meerdere kleine klitjes te samen harde dikke plukken, stroken en/of plakken gaan vormen met daartussen dood haar, en soms zelfs huidvet, vuil, etc. Dit is veelal niet meer uit te kammen of borstelen en zal afgeknipt of afgeschoren moeten worden om het dier te verzorgen; een ervaren trimster zal hiervoor moeten worden geconsulteerd om toekomstige vachtproblemen te voorkomen.

(…)

Reguliere vachtverzorging

Elke vacht vraagt regelmatige verzorging. Voor zowel honden als katten geldt dat de frequentie van de vachtverzorging aangepast moet worden aan het natuurlijke verharingspatroon. Voor de meeste honden- en kattenvachten zal buiten de ruiperiode, een vachtverzorgingsfrequentie van 1 maal per 1 tot 3 weken voldoende zijn. Echter voor sommige vachttypen is extra aandacht nodig, hetgeen vaak wordt uitbesteed aan de hondentrimmer.

(…)

Consequentie van een slechte vachtverzorging

(…)

Zowel gezondheids- als gedragsproblemen kunnen in afhankelijkheid van de ernst van de situatie aangemerkt worden als een aantasting van het welzijn op het moment dat dit chronische vormen aan gaat nemen (duur, aard en ernst zijn de algemene beoordelingscriteria).

Aandachtspunten t.a.v. langdurige slechte vachtverzorging met verklitting en vervilting tot gevolg:

1. Medische gevolgen van slechte vachtverzorging: indien de huid niet kan “ademen”, kunnen er allerlei huidproblemen ontstaan bijvoorbeeld door broeien: een vochtige huid is kwetsbaar voor verwonding, maar ook vatbaarder voor eventuele bacteriële of parasieteninfecties etc.

Compacte haarstructuren die nooit doorgekamd worden, geblazen, en/of gewassen, kunnen een gunstiger verblijf zijn voor ectoparasieten (vlooien en luizen) met alle gevolgen van dien.

Irritatie aan de huid en/of de aanwezigheid van ectoparasieten kan leiden tot pijn en jeuk, waardoor het dier zich zelf gaat krabben; overmatig krabben kan weer leiden tot verwonding van de huid, huidontsteking (dermatitis), korstvorming en meer klitvorming. Het dier kan hierdoor in een vicieuze cirkel komen waardoor mogelijk een lang traject moet worden afgelegd in overleg met de dierenarts.

2. Ontstaan gedragsafwijkingen: irritatie en pijn als oorzaak van compulsive disorders: een geïrriteerde huid en/of vacht kan onder suboptimale chronische omstandigheden (te klein hok, te weinig aandacht, te weinig activiteit, etc.) aanleiding zijn tot de vorming van gedragsafwijkingen, waarbij de hond zich overmatig gaat krabben, likken, bijten en/of poetsen. (…)

3. Thermoregulatieproblemen: mogelijk kan er in bepaalde seizoenen een hoger risico zijn voor oververhitting bij verklitting of vervilting, aangezien de normaal uit te vallen vacht niet kan uitvallen, en dus extra blijft “hangen” in de klitten en verviltingen. Een hyperthermie is een acuut bedreigende situatie voor een hond.

4. Bewegingsbeperking en pijn: in ernstige gevallen kan een verklitting of vervilting leiden tot pijn en bewegingsbeperking. Dit zal zichtbaar zijn aan het gedrag van het dier bijvoorbeeld bij aanraking (pijnuiting; wijken/deinzen; pijnagressie) en/of bij locomotie (verminderd of afwijkend).

(…)

Vachtverklitting en vervilting bezien vanuit de vijf vrijheden

(…)

Hieronder worden nogmaals de consequenties van inadequate of ontbrekende vachtverzorging voor het welzijn en de gezondheid van het dier samengevat.

- Bij een geringe vervilting/verklitting zonder medische gevolgen is het moeilijk aan te geven in hoeverre dit het welzijn van het dier aantast en in hoeverre sprake is van onvoldoende verzorging.

- Bij een ernstige vervilting/verklitting met ook al medische klinische gevolgen (huidinfecties, wonden, korstvorming, pijn en irritatie) zal sprake zijn van een meer chronische situatie. Van de medische gevolgen kan een dier extreme lasten ondervinden, zeker als pijn daarbij ook een rol speelt.

(…)”

1.3

Bij het primaire besluit is, onder verwijzing naar het bijgevoegde toezichtrapport, aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van het bepaalde in de Wet dieren. Daarbij is appellant opgedragen om er voor 12 februari 2017 voor te zorgen dat de vacht van zijn honden tijdig en op juiste wijze wordt verzorgd. Indien nodig kan appellant hiervoor een professional inschakelen.

1.4

Op 13 februari 2017 heeft een toezichthouder van de LID met een medewerker van de (dieren)politie, een hercontrole uitgevoerd naar aanleiding van het primaire besluit. Uit het hiervan opgemaakte aanvullend rapport hercontrole van 23 februari 2017 blijkt, voor zover van belang, het volgende:

(…)

Bevindingen:

Op maandag 13 februari 2017 omstreeks 10:53 was ik, (…), samen met medewerker van politie, (…), ter plaatse op het adres (…).

Na aanbellen/aankloppen en aanroepen werd er bij de woning (…) in zijn geheel niet gereageerd en trok ik, (…), de conclusie dat de bewoner/bewoners niet thuis was/waren.

(…) wist dat de honden (…), welke door mij, (…), gecontroleerd moesten worden, in een vrijstaande stenen schuur verbleven.

Ik, (…), zag dat de stenen schuur los van de woning stond. Ik, (…), zag dat (…) de schuurdeur opende. Ik, (…), zag dat deze schuurdeur niet op slot zat.

(…)

In de eerste ruimte, meteen links na binnenkomst in de schuur, zag ik, (…), twee honden.

Ik, (…), zag dat deze twee honden beiden een kruising betroffen van een Briard en Bouvier. Ik, (…), zag dat de vacht van beide honden aanzienlijk korter was dan de vacht welke de honden hadden tijdens de controle op 27 januari 2017.

Ik, (…), zag dat de vacht bij de poten nog steeds vervilt en verklit was en ik, (…), zag dat de verzorging van de vacht, naast het knippen, minimaal en onverzorgd was.

Ik, (…), concludeerde dat (…) kennelijk een minimale inspanning had geleverd om aan de last onder bestuursdwang te voldoen.

Mijn advies is om de honden op regelmatige basis door de politie en/of een inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming te controleren in verband met de vachtverzorging van beide honden.

(…)”

1.5

Bij brief van 27 februari 2017 heeft verweerder appellant medegedeeld dat is voldaan aan de opgelegde last.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de in het toezichtrapport van 27 januari 2017 opgenomen bevinding dat de vacht van de honden van appellant zwaar vervilt dan wel geklit was, in combinatie met het ondersteunend fotomateriaal, voldoende is om te kunnen concluderen dat appellant de nodige vachtverzorging aan zijn honden heeft onthouden. Volgens verweerder is sprake van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren.

3. Appellant betwist dat sprake is van het benadelen van de gezondheid en het welzijn van zijn honden vanwege het niet verzorgen van de vacht. Hij voert in dit verband aan dat geen ontstekingen van de huid zijn waargenomen, de honden tijdens het onderzoek geen uiting van pijn hebben gegeven noch anderszins is vastgesteld dat de honden pijn zouden lijden als gevolg van de staat van hun vacht.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het toezichtrapport van 27 januari 2017, het Proces-Verbaal van Bevindingen van 27 januari 2017, alsmede uit de deskundigheidsverklaring van 1 april 2016 blijkt dat de gezondheid en het welzijn van de honden van appellant worden benadeeld als gevolg van een slechte vachtverzorging.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren is het verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

Ingevolge artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren is het houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.

4.1

Voor zover verweerder vraagtekens zet bij het procesbelang van appellant, omdat hij reeds aan de opgelegde last heeft voldaan, overweegt het College als volgt.

In het aanvullend rapport hercontrole van 13 februari 2017 wordt geadviseerd om de honden van appellant op regelmatige basis te controleren in verband met hun vachtverzorging. Daarnaast heeft appellant ter zitting verklaard dat reeds eerder controles naar aanleiding van meldingen vanwege de vachtverzorging van honden hebben plaatsgevonden en dat hij vreest voor toekomstige controles naar aanleiding van meldingen. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat appellant belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

5. Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, en
artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren vanwege de vachtverzorging van de honden van appellant.

5.1

Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van de inhoud van een toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen. Indien die bevindingen evenwel gemotiveerd worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

5.2

Uit het toezichtrapport van 27 januari 2017 blijkt dat tijdens de controle op
27 januari 2017 door drie medewerkers van de (dieren)politie is geconstateerd dat de vacht van beide honden van appellant zwaar vervilt dan wel verklit was, de honden op meerdere plekken dikke op de huid liggende of hangende geklitte dan wel vervilte plakkaten hadden en de vacht van beide honden sterk vervuild was. Tevens is geconstateerd dat de vacht van beide honden een sterke, onaangename geur afgaf. Deze gedetailleerde constateringen worden ondersteund door de bij het toezichtrapport gevoegde foto’s.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet mocht afgaan op de juistheid van deze bevindingen. Het College acht het gezien de in het toezichtrapport beschreven staat van de vacht van de honden niet aannemelijk dat dit slechts is te wijten aan het kort voor de controle uitlaten van de honden in slechte weersomstandigheden, zoals appellant ter zitting heeft gesteld.

5.3

Gelet op de bij de controle aangetroffen staat van de vacht van de honden, acht het College aannemelijk dat appellant de vacht van de honden niet, althans onvoldoende, regelmatig heeft verzorgd en dat hierdoor de gezondheid en het welzijn van de honden is aangetast. Hierbij neemt het College de deskundigheidsverklaring in aanmerking. De deskundigheidsverklaring onderscheidt twee categorieën, te weten die van geringe vervilting/ verklitting zonder medische gevolgen en die van ernstige vervilting/ verklitting met medisch klinische gevolgen.

Gezien de hiervoor in 5.2 genoemde bevindingen uit het toezichtrapport, acht het College aannemelijk dat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, de honden van appellant in een tussencategorie vallen, omdat bij de honden sprake was van zware vervilting/ verklitting en vervuiling, maar nog geen medisch klinische gevolgen waren geconstateerd. Gelet op de in de deskundigheidsverklaring benoemde en beschreven risico’s die een door verwaarlozing verklitte of vervilte vacht van een hond met zich brengen voor de gezondheid en het welzijn van het dier, is naar het oordeel van het College in dit geval de conclusie gerechtvaardigd dat door de gebrekkige verzorging van de vacht van de honden van appellant de gezondheid en het welzijn van deze dieren is aangetast, ook al zijn er bij de controle geen medisch klinische gevolgen geconstateerd.

Van belang hierbij is nog dat appellant zijn stelling dat geen sprake is van het benadelen van de gezondheid en het welzijn van zijn honden niet heeft onderbouwd met bewijsstukken, bijvoorbeeld een verklaring van een dierenarts.

5.4

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat appellant artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren heeft overtreden. Verweerder was dan ook bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhavend optreden is naar het oordeel van het College niet gebleken.

6 Ofschoon appellant kritiek heeft geuit op de toonzetting van het toezichtrapport en het aanvullend rapport hercontrole, de constateringen ten aanzien van het drinkwatersysteem in de stal en hij twijfelt aan de integriteit van de gedane melding, kunnen de in dat kader door hem gemaakte opmerkingen aan het vorenoverwogene niet afdoen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. Verhoeven