Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:480

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
16/1115
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EIA-verklaring met betrekking tot acht UPS-systemen geweigerd omdat bedrijfsmiddel niet tijdig is gemeld. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/1115

27650

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2017 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigden: mrs. L.C. Visscher en J. Kastelein),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Essen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan appellante voor acht UPS-systemen een verklaring Energie-investeringsaftrek (EIA-verklaring) als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 af te geven.

Bij besluit van 18 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

[naam 2] B.V. (hierna: [naam 2] ) heeft voor appellante op 7 januari 2016 en 21 januari 2016 aanvragen voor een EIA-verklaring ingediend voor een investering in het bedrijfsmiddel gelijkstroomventilatoren, onder de categorie aanschafkosten. Na overleg tussen [naam 2] en [naam 3] van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft [naam 2] deze aanvragen ingetrokken en op 23 maart 2016 nieuwe aanvragen ingediend onder de categorie voortbrengingskosten over het vierde kwartaal van 2015. Deze aanvragen zijn in behandeling genomen door [naam 4] ( [naam 4] ) van de RVO. Op 20 mei 2016 is voor deze aanvragen een EIA-verklaring afgegeven.

1.2

Op 25 april 2016 heeft tussen [naam 5] ( [naam 5] ) van [naam 2] en [naam 4] een telefonisch overleg plaatsgevonden.

1.3

Een e-mailbericht van 26 april 2016 van [naam 5] aan [naam 4] met als onderwerp ‘Samenvatting telefonisch overleg 25 april jl.’ luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

Gisteren hebben wij uitgebreid gesproken over wanneer een EIA-aanvraag het beste ingediend kan worden als investering of als voortbrengingskosten.

De informatie die ik van je heb gekregen, heb ik vanochtend meegenomen in een intern overleg, en dat heeft tot behoorlijke discussie geleid. Ik wil je daarom verzoeken om naar het onderstaande te kijken en mij te laten weten of ik hetgeen we gisteren besproken zo goed heb verwoord. Dit in het kader dat voor ons de spelregels zo duidelijk mogelijk zijn en wij onze klanten ook het beste kunnen adviseren en begeleiden.

Wanneer een project onder regie van een investeerder wordt uitgevoerd, dat wil zeggen een investeerder geeft aannemers en onderaannemers opdracht tot uitvoering van delen van een groter project of het betreft een complexe investering van meerdere vergelijkbare installaties waar ontwerpwerk aan de kant van de leverancier nodig is, is het verstandig om individuele opdrachten als voortbrengingskosten op de te voeren voor de EIA.

De aanvraag moet dan uiterlijk 3 kalendermaanden na aflopen van het kwartaal waarin de kosten vallen, ingediend worden. Voor onderbouwing wordt weliswaar een kopie van de opdracht of opdrachtbevestiging gevraagd, maar in het geval van voortbrengingskosten volstaat een purchase order, bevestiging per mail, notulen van een overleg, de handtekeningen pagina van een overeenkomst, etc., en is het niet noodzakelijk een tweezijdig ondertekende en gedateerde opdrachtbevestiging te overleggen.

Heb ik dit zo goed verwoord?

(…)”

De reactie hierop, bij e-mailbericht van 28 april 2016 van [naam 4] aan

[naam 5] luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

Prima verwoord!

Dus aan jou of je e.e.a. alsnog in 2016 wilt melden (2015 intrekken nadat je een EIA 2016 meldingsnummer hebt ontvangen.), als deze kosten (en technische specificaties!) in 2016 duidelijk zijn geworden. Voortbrengingskosten gemaakt in eerste kwartaal 2016, moeten uiterlijk 30 juni 2016 worden gemeld.

(…)”

1.4

Op 17 mei 2016 heeft [naam 2] namens appellante bij verweerder een

EIA-verklaring voor een investering van € 807.720,- in het bedrijfsmiddel energiezuinige UPS aangevraagd, onder de categorie voortbrengingskosten en onder vermelding van referentienummer E201603397. Op 1 juli 2016 heeft [naam 2] namens appellante het investeringsbedrag bijgesteld naar € 499.681,25.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder, voor zover hier van belang, geweigerd een EIA-verklaring af te geven voor de kosten van acht UPS-systemen ten bedrage van

€ 282.049,- omdat de bedrijfsmiddelen niet binnen de op grond van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Energie-investeringsaftrek voor aanschafkosten geldende termijn van drie maanden na het aangaan van de verplichtingen zijn gemeld. Verweerder ziet geen aanleiding om de kosten van de acht UPS-systemen als voortgangskosten aan te merken en van de daarvoor geldende meldingstermijn uit te gaan.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel verworpen. Volgens verweerder is er bij de e-mailwisseling tussen [naam 5] en [naam 4] geen sprake geweest van een toezegging van [naam 4] waaraan rechtens de verwachting kon worden ontleend dat de betreffende aanvraag zou worden toegekend. De bewoordingen van [naam 4] in het e-mailbericht van 28 april 2016 zien op een specifieke aanvraag inzake een ander project. Het is niet de bedoeling van [naam 4] geweest om een algemene uitspraak over het begrip voortbrengingskosten te doen.

Voorts stelt verweerder dat het bij de acht UPS-systemen om bedrijfsmiddelen gaat die afzonderlijk voor investeringsaftrek kwalificeren en (nagenoeg) kant en klaar worden aangeschaft, zodat het moment van aanschaf het uitgangspunt is bij de termijn voor het melden van de investering.

4. Appellante voert aan dat zij in verband met de investering in het bedrijfsmiddel energiezuinige UPS contact heeft gehad met RVO en dat zij op basis van uitlatingen van RVO erop heeft mogen vertrouwen dat verweerder de kosten van de acht UPS-systemen zou aanmerken als voortbrengingskosten en van de daarvoor geldende meldingstermijn zou uitgaan. Door het weigeren van een EIA-verklaring voor de acht UPS-systemen is het vertrouwensbeginsel geschonden. Appellante verwijst ter onderbouwing van haar beroep naar de e-mailwisseling zoals hiervoor gedeeltelijk geciteerd onder 1.3. Omdat alle aanvragen die [naam 4] ten tijde van zijn e-mailbericht van 28 april 2016 in behandeling had het derde kwartaal betroffen en een deadline hadden op 31 maart 2016, kan het volgens appellante niet anders zijn dan dat verweerder, door te verwijzen naar de deadline voor voortbrengingskosten gemaakt in het eerste kwartaal van 2016 met een deadline op 30 juni 2016, appellante daarmee het vertrouwen heeft willen geven dat de kosten van de acht UPS-systemen van begin 2016 als voortbrengingskosten konden worden gekwalificeerd.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen omdat [naam 4] en [naam 5] tijdens het telefoongesprek van 25 april 2016, waaraan [naam 5] in zijn e-mailbericht van 26 april 2016 refereert, hebben gesproken over specifieke aanvragen uit 2015 die [naam 4] toen in behandeling had en dat de bevestiging die door [naam 4] in zijn e-mailbericht van 28 april 2016 is gegeven uitsluitend betrekking had op die aanvragen. De op de aanvragen uit 2015 betrekking hebbende kosten zijn niet vergelijkbaar met de kosten van de acht UPS-systemen. Aan de bevestiging van [naam 4] ten aanzien van de aanvragen uit 2015 kon appellante dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat de kosten van de acht UPS-systemen als voortbrengingskosten zouden worden gekwalificeerd.

6. Het College overweegt als volgt.

6.1

Artikel 3.42. ‘Energie-investeringsaftrek’ van de Wet inkomstenbelasting 2001 luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

“1 Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).”

Artikel 3 van de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

“1 De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt of, indien het bedrijfsmiddel of onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het onderdeel.

(…)”

6.2

Naar vaste jurisprudentie van het College is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Het College is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel in dit geval niet kan slagen en overweegt daartoe als volgt.

6.3

Vaststaat dat [naam 4] ten tijde van het telefoongesprek op 25 april 2016 en de

e-mailwisseling op 26 en 28 april 2016 de aanvragen voor de gelijkstroomventilatoren in behandeling had en dat de aanvraag voor de acht UPS-systemen nog niet was ingediend. Deze feiten in aanmerking genomen, leidt het College uit de bewoordingen van het

e-mailbericht van 28 april 2016: “Dus aan jou of je e.e.a. alsnog in 2016 wilt melden (2015 intrekken nadat je een EIA 2016 meldingsnummer hebt ontvangen.)”, af, dat de reactie van [naam 4] ziet op de aanvragen voor de gelijkstroomventilatoren. Aan de opmerking van [naam 4] dat voortbrengingskosten gemaakt in het eerste kwartaal 2016 uiterlijk op 30 juni 2016 moeten worden gemeld, komt derhalve naar het oordeel van het College niet de betekenis toe die appellante daaraan gehecht wil zien. Het betoog van appellante dat de reactie van [naam 4] betrekking heeft op de acht UPS-systemen faalt dan ook.

6.4

Hoewel de reactie van [naam 4] op de e-mail van [naam 5] - waarin [naam 5] in algemene zin ingaat op de vraag wanneer een EIA-aanvraag kan worden ingediend als investering of als voortbrengingskosten - door de zinsnede “Prima verwoord!”, de indruk kan wekken dat [naam 4] zich ook in algemene zin heeft uitgelaten, had (de gemachtigde van) appellante naar het oordeel van het College evenwel moeten begrijpen dat de reactie van [naam 4] moest worden uitgelegd in de context van het specifieke geval, namelijk de situatie met betrekking tot de aanvragen voor gelijkstroomventilatoren. Het ontbreken van een aan een individueel dossier gekoppelde telefoonnotitie en een referentienummer in het

e-mailbericht van [naam 4] , leidt niet tot een ander oordeel. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, valt goed in te zien dat [naam 4] in dit geval heeft nagelaten een telefoonnotie op te stellen aangezien hij al een samenvatting van het telefoongesprek van [naam 5] had ontvangen en geen referentienummer aan zijn e-mailbericht heeft toegevoegd omdat dit bericht een directe reactie (“reply”) was op het e-mailbericht van [naam 5] .

6.5

Naar het oordeel van het College heeft (de gemachtigde van) appellante er bovendien niet zonder meer vanuit mogen gaan dat de situatie met betrekking tot de acht UPS-systemen gelijk te stellen is met de situatie van de gelijkstroomventilatoren. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat op basis van de door de aanvrager verstrekte informatie ervan is uitgegaan dat de gelijkstroomventilatoren zouden worden ingebouwd in een veel groter ventilatiesysteem. Onder die geschetste omstandigheden heeft [naam 3] destijds voor de gelijkstroomventilatoren aangenomen dat sprake was van een situatie waarin iets wordt voortgebracht onder regie, zodat deze kosten konden worden aangemeld als voortbrengingskosten. Bij de acht UPS-systemen is sprake van op zichzelf staande bedrijfsmiddelen die (nagenoeg) kant en klaar worden aangeschaft en niet, net als de gelijkstroomventilatoren, worden ingebouwd in een groter systeem. Appellante had er op grond van de uitlatingen van [naam 5] dan ook niet op mogen vertrouwen dat de kosten van de acht UPS-systemen ook als voortbrengingskosten konden worden aangemerkt.

Dat, naar appellante ter zitting heeft betoogd, de gelijkstroomventilatoren net als de

UPS-systemen geheel voltooide bedrijfsmiddelen zijn die door een installateur worden geplaatst en aangesloten, zodat wel sprake is van gelijke gevallen, leidt niet tot een andere conclusie. Indien juist is dat verweerder de door appellante geschetste situatie betreffende de gelijkstroomventilatoren onjuist heeft geïnterpreteerd, kunnen daaraan voor wat betreft de acht UPS-systemen geen rechten worden ontleend.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. L. van Gulick, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2017.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. L. van Gulick