Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:48

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
15/833
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van schending zorgplicht door de accountant door tijdens de onderhandelingen over de verkoop van het bedrijfspand appellanten niet te informeren over de mogelijke financiële consequenties van de vervroegde aflossing van de geldleningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/833

20150

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2017 op het hoger beroep van:

1. [naam 1] B.V., te [plaats 1] ,

2. [naam 2] B.V., te [plaats 1] , appellanten
(gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen),

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 18 september 2015, gegeven op een klacht van 30 maart 2015, door appellanten ingediend tegen [betrokkene] AA (betrokkene).

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
18 september 2015, met nummer 15/728 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2015:107).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hoger beroepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Betrokkene is verschenen. Voor appellanten is voorts verschenen [naam 3] , enig bestuurder van appellante sub 1 en voor betrokkene zijn verschenen [naam 4] en [naam 5] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene is als openbaar accountant verbonden aan [naam 6] te [plaats 2] . Betrokkene had opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening van appellanten.

1.3

Op 30 september 2013 heeft er tussen [naam 3] en betrokkene een bespreking plaatsgevonden van de jaarrekening 2012. In een daarvan door betrokkene gemaakt verslag voor zijn dossier staat geschreven:

“ (…)

- er zijn liquiditeitsproblemen

- [naam 3] vroeg wat de kostenbesparing zou zijn als hij het pand zou verkopen

- a.d.h.v. de jaarstukken 2012 gekeken wat dit zou schelen aan rente en aflossing

- Tevens globaal gekeken waar het pand voor in de boeken stond eind 2012 en wat bij verkoop
ongeveer de boekwinst zou zijn bij de door [naam 3]

- verwachte verkoopopbrengst

- tegen [naam 3] gezegd dat als hij dit serieus zou overwegen hij wel met de bank moet gaan praten
over de gevolgen voor de hypotheek

- Kostenbesparingen: waar mogelijk personeel niet meer bezetting is krap

- Proberen omzet te verhogen. Is volgens [naam 3] erg moeilijk in deze tijd

- [naam 3] gaat nadenken wat hij wil gaan doen, zodra hij dit weet praten we verder”.

1.4

Op 1 oktober 2013 heeft [naam 3] betrokkene telefonisch meegedeeld dat hij het bedrijfspand had verkocht.

1.5

Op 4 oktober 2013 is tussen appellante sub 1 en de koper van het bedrijfspand

een schriftelijke koopovereenkomst tot stand gekomen.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat betrokkene onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld doordat hij tijdens de onderhandelingen over de verkoop van het bedrijfspand appellanten niet heeft geattendeerd op de mogelijke financiële consequenties van een vervroegde aflossing van de geldleningen, waarvoor op het pand een hypotheek rustte.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer voornoemde klacht ongegrond verklaard.

2.3

Ten aanzien van voornoemde klacht heeft de accountantskamer overwogen dat het aan betrokkene gerichte verwijt in hoofdzaak inhoudt dat hij in het kader van de jaarlijkse samenstelling van de jaarcijfers en overige werkzaamheden die hij voor appellanten in de loop der tijd is gaan verrichten, geen (ongevraagd) advies aan appellanten heeft gegeven met betrekking tot de financiële gevolgen van een vervroegde aflossing van de in 2008 gesloten kredietovereenkomst. De accountantskamer heeft geoordeeld dat, indien bij het samenstellen van de jaarcijfers duidelijk wordt dat een (financieel) probleem gaat ontstaan, er onder omstandigheden sprake kan zijn van een (zorg)plicht voor een accountant om zijn cliënt daarop te attenderen. In onderhavige klachtzaak is naar het oordeel van de accountantskamer van dergelijke omstandigheden onvoldoende gebleken, nu appellanten betrokkene niet hebben betrokken bij de feitelijke (voorbereiding van de onderhandse) verkoop van het bedrijfspand en zij slechts in het algemeen over een mogelijke verkoop van het pand met elkaar hebben gesproken. Meer of anderszins dan appellanten omtrent een mogelijke verkoop adviseren contact op te nemen met de [naam 7] - zoals betrokkene naar voldoende blijkt uit het gespreksverslag van 30 september 2013 heeft gedaan -, behoefde van betrokkene onder die omstandigheid niet te worden verwacht. In zoverre treft het verwijt aangaande het achterwege blijven van vorenbedoeld advies op eigen initiatief van betrokkene aan appellanten naar het oordeel van de accountantskamer geen doel en is de klacht ongegrond.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. Appellanten komen in hoger beroep op tegen het oordeel van de accountantskamer dat betrokkene jegens appellanten geen (zorg)plicht had hen te wijzen op mogelijke financiële consequenties van de vervroegde aflossing van de geldleningen.

4.1

Appellanten betwisten in de eerste plaats de vaststelling van de accountantskamer dat appellanten betrokkene niet hebben betrokken bij de feitelijke (voorbereiding van de onderhandse) verkoop van het bedrijfspand en zij slechts in het algemeen over een mogelijke verkoop van het pand met elkaar hebben gesproken. Daartoe voeren zij aan dat tijdens het gesprek van 30 september 2013 wel degelijk meer gedetailleerd is gesproken over een mogelijke verkoop. Dit bevestigt betrokkene ook zelf in zijn brief van 13 februari 2014. Op basis van de verwachte overwaarde en boekwinst, na bestudering van de jaarstukken, heeft betrokkene tijdens het betwiste gesprek positief geadviseerd om tot verkoop van het bedrijfspand over te gaan. Appellanten betwisten voorts dat hun door betrokkene zou zijn geadviseerd contact op te nemen met de [naam 7] . Daartoe voeren zij aan dat indien betrokkene hun daadwerkelijk zou hebben geadviseerd om contact op te nemen met de [naam 7] , zij dat zeker zouden hebben gedaan. Betrokkene is er niet in geslaagd om zijn stelling, dat dit wel zou hebben plaatsgevonden, te bewijzen of voldoende te onderbouwen. Het toevoegen van een handgeschreven notitie die in afwijking van zijn eigen gebruik niet is genummerd, zonder daarvan een bevestiging aan appellanten te vertrekken, leidt niet tot het informeren van appellanten, maar slechts tot het complementeren van zijn eigen dossier. Nu zowel betrokkene als de accountantskamer blijkbaar van mening zijn dat het tot de zorgplicht van betrokkene behoort om appellanten te adviseren over de mogelijke consequenties van voortijdige aflossing van de hypotheek, heeft de accountantskamer ten onrechte geoordeeld dat niet is gebleken dat betrokkene niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

4.2

Betrokkene stelt dat het doel van de bespreking in eerste instantie was het verwerken in de boekhouding van alle correcties voortvloeiend uit het samenstellen van de jaarcijfers 2012. Daarnaast is volgens betrokkene gesproken over de economische tegenwind en de daaruit voorvloeiende liquiditeitsproblemen. Tezamen zijn diverse maatregelen besproken en daarbij is door [naam 3] ook een mogelijke verkoop van het bedrijfspand geopperd. In dat kader heeft betrokkene globaal de mogelijke boekwinst geschetst en gevolgen voor de resultaten en liquiditeit voortvloeiend uit een verkoop gevolgd door huur van een bedrijfspand, waarbij door [naam 3] een vermoedelijke huurprijs werd aangegeven. In dat kader heeft betrokkene [naam 3] ook geadviseerd om ter zake van een eventuele verkoop van het bedrijfspand eerst contact te zoeken met de [naam 7] . Ten aanzien van het gespreksverslag stelt betrokkene zich op het standpunt dat dit verslag authentiek is en is opgesteld naar aanleiding van het gesprek van 30 september 2013. De omstandigheid dat het verslag niet was genummerd is omdat het dossier 2013 nooit is aangemaakt om de reden dat [naam 3] de opdracht aan hem heeft beëindigd, voordat hij met zijn werkzaamheden voor 2013 een aanvang kon maken. Tot slot voert betrokkene aan dat het te ver gaat om elke dossiernotitie van een informeel gesprek aan de betreffende klant te sturen.

5.1

In geschil is of betrokkene tekort geschoten is jegens appellanten door hen niet te attenderen op mogelijke financiële consequenties van de vervroegde aflossing van de geldleningen.

5.2

Het College overweegt als volgt. De zorgplicht die een accountant bij het verrichten van een professionele dienst ten opzichte van zijn opdrachtgever in acht heeft te nemen vloeit voort uit het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4, onder c, van de Verordening gedragscode (RA`s). De zorgplicht van de accountant beperkt zich in ieder geval niet, tot de zuiver juridische formulering van zijn opdracht. Indien de accountant bijvoorbeeld naar aanleiding van zijn werkzaamheden andere risico's duidelijk worden dan de risico’s die hij binnen het kader van zijn opdracht behoort te signaleren, kan hij gehouden zijn te waarschuwen en/of ongevraagd een advies te geven (zie ook de uitspraak van het College van 7 juni 2016, ECLI:NL:CBB:2016:165).

5.3

Het College stelt in de eerste plaats vast dat blijkens de opdrachtbevestigingen van 1 juli 2003 van betrokkene aan appellanten zijn opdracht beperkt was tot het samenstellen van de jaarrekeningen van appellanten. Later is daar onder meer het verzorgen van de salarisadministratie bijgekomen. De omstandigheid dat in de opdrachtbevestiging niets is opgenomen aangaande advisering bij financieringen, laat op zichzelf onverlet dat betrokkene onder omstandigheden gehouden kan zijn op basis van zijn zorgplicht zijn cliënt te waarschuwen voor zichtbare risico's die buiten zijn opdracht liggen.

5.4

Niet in geschil is dat betrokkene niet betrokken is geweest bij het aangaan van de hypothecaire geldleningen in 2008 ten behoeve van de aankoop van het bedrijfspand. Voorts is niet gebleken dat betrokkene ten tijde van belang op de hoogte was van het feit dat bij vervoegde aflossing van de geldleningen een substantiële vergoeding verschuldigd was. De stelling van appellanten dat [naam 3] meerdere malen gesprekken heeft gevoerd met betrokkene over de verkoopplannen en de onderhandelingen met de verkoper, hebben appellanten niet onderbouwd, zodat het College hier niet van uit kan gaan. Niet in geding is dat de kwestie van de verkoop van het pand aan de orde is gekomen in een gesprek in het kader van het aanpassen van de beginbalans 2013. Het College is niet gebleken dat deze kwestie ook daarvoor reeds onderwerp van gesprek is geweest tussen betrokkene en [naam 3] . Evenmin is gebleken dat betrokkene op enig eerder moment een taak heeft gehad bij de advisering aan appellanten over de verkoop van het pand. Ook van een afzonderlijk advies van betrokkene omtrent de verkoop van het pand en een daarop betrekking hebbende factuur is niet gebleken. Onder deze omstandigheden en gelet op de beperkte opdracht van betrokkene reikt de zorgplicht van betrokkene niet zo ver dat hij appellanten toen eigener beweging had behoren te informeren over mogelijke financiële consequenties van de vervroegde aflossing van de geldleningen. Naar het oordeel van het College is de stelling van betrokkene dat hij [naam 3] tijdens het gesprek van 30 september 2013 heeft geadviseerd contact op te nemen met de [naam 7] , tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door appellanten, niet komen vast te staan. Dit neemt echter niet weg dat het College de accountantskamer volgt in haar (eind)oordeel dat het verwijt aangaande het achterwege blijven van advies op eigen initiatief van betrokkene aan appellanten geen doel treft en de klacht ongegrond is.

6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

7. De onderstaande beslissing op het hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. H.S.J. Albers en mr. P.M. van der Zanden, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. A. El Markai