Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:473

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
16/671
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang, kostenbesluit, artikelen 2.1 en 2.2 Wet dieren, artikelen 1.7 en 1.8 Besluit houders van dieren. Beroep tegen last deels gegrond. Beroep tegen kostenbesluit deels gegrond met in stand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/671

11350

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. C.A. van Kooten-de Jong),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F.A. Jagt).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van het bepaalde in de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd).

Bij besluit van 14 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 1 december 2016 (kostenbesluit) heeft verweerder de kosten voor toepassing van bestuursdwang voor een bedrag van € 783,11 bij appellant in rekening gebracht.

Appellant heeft het kostenbesluit betwist.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1.1

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 8 december 2015 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), onder wie een toezichthoudend dierenarts een controle uitgevoerd op het perceel van appellant. Deze controle is vastgelegd in het toezichtrapport van 14 december 2015, met nummer [… 1] (het toezichtrapport). De toezichthouders hebben, voor zover van belang, het volgende geconstateerd:

“Stal 1 kapschuur.

Op deze locatie [adres] te [plaats] , zagen wij dat in de kapschuur, vier hokken met daarin vier schapen (…) een pony en een paard, waren gehuisvest.

 Wij zagen dat in hok 1, dat daar op de betonvloer brok (krachtvoer) was gestort. Wij zagen dat het beton waarop het krachtvoer was gestort nat was door optrekkend vocht. Wij zagen dat het krachtvoer was verontreinigd door stro en andere verontreinigdheden zoals opgedroogde mest en langs de randen schimmel. Wij zagen dat het krachtvoer vrij toegankelijk was voor muizen en ratten. Wij zagen dat het krachtvoer dat bestond uit geperste brok uit elkaar begon te vallen. Mede uit eigen kennis en wetenschap weten wij dat dit gebeurd wanneer het krachtvoer oud is of vocht heeft aangetrokken, waardoor schimmels een kans krijgen om het krachtvoer aan te tasten. Hierdoor wordt het daar gestorte krachtvoer minder geschikt om aan de dieren te voeren.

(…)

Wij zagen bij aanvang van de controle, dat in hok twee, een pony was gehuisvest. Wij zagen dat de pony geen water en voer tot zijn beschikking had. Wij zagen dat de ondergrond van het hok twee was verontreinigd door nat stro en door mest en urine. Wij zagen dat de pony in hok twee, geen hygiënische, schone en droge ligplaats ter beschikking had. Wij zagen dat op het moment van controle overtreder [naam 1] de pony snel van ruwvoer en water voorzag. Wij zagen dat het ruwvoer op de vuile ondergrond van het hok werd verstrekt. Door het verstrekken van het ruwvoer op de vuile ondergrond wordt het aangeboden voer verontreinigd door de onhygiënische ondergrond. Het ruwvoer raakt op deze manier verontreinigd en wordt minder smakelijk.

(…)

Wij zagen bij aanvang van de controle, dat in hok drie, een paard was gehuisvest. Wij zagen dat het paard geen water en voer tot zijn beschikking had. Wij zagen dat de ondergrond van hok drie was verontreinigd door nat stro en door mest en urine. Wij zagen dat het paard in hok drie, geen hygiënische, schone en droge ligplaats ter beschikking had. Wij zagen dat op het moment van de controle, overtreder [naam 1] , het paard snel van ruwvoer en water voorzag. Wij zagen dat het ruwvoer op de vuile ondergrond van het hok werd verstrekt.

(…)

Wij zagen dat overtreder [naam 1] , nadat hij het paarden de pony van water had voorzien, de beide hokken van droog stro voorzag. Dat gebeurde op ons verzoek. Wij zagen dat het instrooien onvoldoende was en dat het paard en de pony nog geen schone en droge ligplaats ter beschikking hadden.

(…)

Wij zagen dat in hok vier, een grasmaaimachine zonder beschermingskap, en gazonmaaier een omgevallen fiets en een tractor en allerlei andere zaken waren onder gebracht. Wij zagen dat tussen deze machines en voornoemde zaken vier schapen werden gehuisvest. Wij zagen bij aanvang van de controle dat deze vier loslopende schapen geen water en voer ter beschikking hadden. Wij zagen dat op het moment van controle, overtreder [naam 1] , de schapen van voer en water voorzag. Wij zagen dat de vier schapen zich verdrongen om de emmer water. Wij zagen dat de emmer in een keer werd leeg gedronken, het geen erop wijst dat de vier schapen dorst hadden. Wij zagen dat de schapen zich konden verwonden aan de scherpe delen van de machines, de fiets en andere zaken.

(…)

Stal 2 de boerderij

Wij zagen in deze stal, op de deel en hooiopslag, een koe was gehuisvest die in een geode conditie verkeerde.

Wij zagen dat de koe losliep en door de gehele boerderij en via de opstaande deur naar buiten kon. Wij zagen her en der, dat deze koe zijn behoefte had gedaan. Dit komt de hygiëne in de stal niet ten goede.

Wij zagen dat:

1. De 3 ronde balen ruwvoer in de stal waren omwikkeld met plastic.

2. Wij zagen dat de koe hier aan kan beginnen te vreten.

3. Door de ontlasting van de koe kan het aangeboden ruwvoer op de Friese stal voor de tien koeien en de stier en het aangeboden ruwvoer voor het hok met acht jongen runderen worden bezoedeld door de ontlasting van deze koe.

4. De rangorde kan grote problemen opleveren. De koe is voorzien van horens en er staan tien koeien en een stier vastgebonden op de Friese stal. De koe kan zich op de Friese stal begeven. Wanneer de koe deze runderen aanpakt en zijn gezag wil tonen, dan kunnen deze tien koeien en stier niet vluchten met alle gevolgen van dien.

5. Overal op het erf scherpe delen aanwezig waren waar de loslopende koe zich aan kon verwonden.

(…)

Wij zagen bij aanvang van de controle, dat de tien koeien en de stier op de Friese stal geen voer ter beschikking hadden.

Wij zagen dat overtreder [naam 1] de koeien snel van ruwvoer voorzag. Wij zagen dat dit snel door de koeien werd opgenomen en de koeien opnieuw zonder ruwvoer waren.

(…)

Hok achter in de boerderij

Wij zagen dat zeven kalveren en een pink waren gehuisvest in een voormalige Friese stal. Wij zagen dat gruppen waren volgestort met oude mest. Wij zagen dat de ondergrond van deze stalruimte was voorzien van nat stro verontreinigd door mest en urine. Wij zagen hierdoor dat de ondergrond, de aanwezige loslopende runderen, geen hygiënisch, schone en droge ligplaats bood. Wij zagen dat de runderen bij aanvang van de controle in deze stal geen ruwvoer ter beschikking hadden. Wij zagen dat op de moment van controle, overtreder [naam 1] , de runderen van ruwvoer voorzag. Wij zagen dat er van de acht aanwezige runderen maar drie tegelijk konden vreten. Het is met een kleine aanpassing, met een schot over de grup, het aantal vreetplaatsen uit te breiden tot zes vreetplaatsen. Echter dan kunnen nog niet alle runderen tegelijk vreten en zullen de kleinere en ranglagere dieren niet voldoende ruwvoer tot hun beschikking hebben of het overblijvende ruwvoer is van slechtere kwaliteit en bekwijld en dus minder smakelijk waardoor deze runderen minder voer opnemen wat de groei en de conditie van deze ranglagere dieren niet ten goede komt.

(…)”

De toezichthoudend dierenarts heeft in de veterinaire verklaring van 13 december 2015 (veterinaire verklaring) voor zover van belang het volgende verklaard:

“Vraag 2 In welke lichamelijke toestand werden de dieren aangetroffen?

Antwoord: De voedingsconditie van de volwassen runderen was gemiddeld matig. De kalveren waren in een goede conditie. 1 loslopend rund en 5 schapen in de kapschuur konden zich aan scherpe delen met uitstekende punten verwonden. De paarden en schapen hadden bij het begin van de controle geen toegang tot drinkwater.

(…)

Vraag 5a Is de gezondheid en/of welzijn van de dieren naar uw mening benadeeld? Toelichting

Antwoord; Ja, de gezondheid, omdat de bedrijfshygiëne (te veel mest, te scherpe delen, te weinig ingestrooid), de voeder hygiëne (krachtvoer opslag en wijze van voeren- op een vuile onder grond, te kort aan voerplekken-) en de huisvesting (onveilig voor schapen en 1 loslopend rund) de gezondheid van de dieren negatief kan beïnvloeden. Door een ontoereikende hygiëne kunnen ziektekiemen uitgooien en de infectiedruk stijgt. Aan een onveilige huisvesting kunnen de dieren zich verwonden.

(…)

Vraag 5b Is er hierdoor sprake van vermijdbaar lijden?

Antwoord: ja, door te zorgen voor een goede bedrijfshygiëne; door de dieren voorzien met schoon water en geschikt voer, dat op de juiste wijze aangeboden werd en door de dieren een veilige en geschikte huisvesting aan te bieden wordt onnodig lijden vermeden.

(…)

Vraag 6 heeft de houder naar uw mening- gelet op de toestand waarin de dieren werden aangetroffen – de dieren de nodige verzorging onthouden?

Antwoord: (…) Ten aanzien van de aspecten water, voer en huisvesting is de veehouder in gebreke gebleven en is de nodige zorg onthouden.

(…)

Vraag 9 Welke andere (niet diergeneeskundige) maatregelen dienen genomen te worden om het benadeelde welzijn van de dieren op te heffen?

 Het loslopende rund en de schapen zodanig huisvesten, dat ze zich niet aan scherpe delen met uitstekende punten kunnen verwonden

 (…)

 De kalveren en paarden beter instrooien, zodat de dieren over een droge, schone en comfortabele ligplaats kunnen beschikken. Alle dieren moeten ten alle tijd toegang hebben tot schoon drinkwater

 De koeien goed blijven voeren, ook bijvoeren met krachtvoer, zodat ze weer in een goede voedingsconditie komen.

 De voederhygiëne verbeteren, geen voer op een vuile ondergrond aanbieden, zorgen voor voldoende vreetplekken.”

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het bijgevoegde toezichtrapport, aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd, wegens overtreding van de in dit rapport genoemde artikelen 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, en de artikelen 1.7, onder a, d, e en f, 1.8, tweede lid, en 2.4, eerste lid, van het Bhd. Appellant dient de volgende maatregelen te nemen:

“1. Zorg dat uw dieren over een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater kunnen beschikken. Dit water moet goed toegankelijk zijn voor uw dieren.

2. Zorg dat u uw dieren op een zodanig wijze voert en van water voorziet dat de wijze van toedienen het gevaar op verontreiniging van voer en water tot een minimum beperkt. Ruwvoer dient u niet te verstrekken op een vervuilde ondergrond van mest en blubber.

3. Zorg dat uw dieren over een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer kunnen beschikken, zodat uw dieren in goede gezondheid blijven en aan hun voedingsbehoefte wordt voldaan. Dit voer moet goed toegankelijk zijn voor uw dieren.

4. Zorg dat uw magere runderen over een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt krachtvoer kunnen beschikken, zodat uw dieren weer in goede conditie en gezondheid komen en blijven en aan hun voedingsbehoefte wordt voldaan. Dit voer moet goed toegankelijk zijn voor uw dieren.

5. Zorg dat uw dieren altijd over en schone en droge ligplek kunnen beschikken.

6. Verwijder of repareer alle scherpe en uitstekende delen zodanig dat deze geen verwondingen of beschadigingen bij de dieren kunnen veroorzaken.

7. Zorg dat uw dieren zodanig gehuisvest zijn dat de mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren geminimaliseerd worden. Dit kunt u doen door bijvoorbeeld de voergelegenheid in het hok van uw jonge runderen te vergroten zodat al uw jonge runderen tegelijk kunnen vreten.

8. Huisvest uw loslopende koe zodanig dat wordt voorkomen dat het dier kan ontsnappen en/of gevaar kan veroorzaken. Uw loslopende koe heeft vrije toegang naar uw andere dieren en alle overige delen van het bedrijf en is zo een gevaar voor de andere dieren alsmede voor zichzelf.”

Maatregelen 1 tot en met 4 dient appellant per direct te nemen en de overige maatregelen voor 4 januari 2016.

1.3

Op 18 februari 2016 hebben toezichthouders van de NVWA en de toezichthoudend dierenarts een hercontrole uitgevoerd op het perceel van appellant. Deze hercontrole is vastgelegd in het toezichtrapport van 28 februari 2016 met nummer [… 2] . De toezichthouders hebben samengevat vastgesteld dat niet is voldaan aan de in het primaire besluit opgelegde maatregelen 1, 4 en 5. Volgens de toezichthouders had één rund niet de beschikking over water. Voorts waren de magere runderen niet in goede conditie en gezondheid en is niet aan hun voedingsbehoefte voldaan. Ook hadden de runderen geen schone en droge ligplek. Het toezichtrapport vermeldt verder:

“De heren [naam 4] en [naam 5] hadden aangegeven dat zij willen zorg dragen dat alle voorkomende werkzaamheden op het bedrijf van [naam 1] worden uitgevoerd. Door ons toezichthouders is aangegeven dat een voorstel hiertoe op papier kan worden aangeboden en dat het dan door RVO beoordeeld zal worden.”

1.4

Bij het kostenbesluit heeft verweerder de kosten voor toepassing van bestuursdwang voor een bedrag van € 783,11 bij appellant in rekening gebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het besluit steunt op de volgende motivering. Volgens verweerder is, gelet op de bevindingen in het toezichtrapport en de veterinaire verklaring, sprake van de in dit rapport geconstateerde overtredingen. Door de toezichthouders is vastgesteld dat een aantal dieren geen water en geen of onvoldoende ruwvoer tot hun beschikking had. Het door appellant bij de controle alsnog verstrekte ruwvoer werd aangeboden op een vervuilde grond, waardoor dit voer verontreinigd raakte. Ook konden slechts drie van de acht kalfjes vreten, nu er maar drie vreetplekken beschikbaar waren. Verder is door de NVWA vastgesteld dat een tiental zoogkoeien en een stier, die te weinig ruwvoer tot hun beschikking hadden, aan de magere kant waren, en werd de gezondheid en het welzijn van de dieren benadeeld.

Voorts is geconstateerd dat in stal 1, en op het erf verschillende zaken stonden waaraan de dieren zich konden verwonden. De pony, het paard, de schapen en de kalveren beschikten bovendien niet over een schone en droge ligplaats omdat de grond was vervuild met nat stro, mest en urine. Tot slot heeft de NVWA vastgesteld dat de loslopende koe uit stal 2 kan ontsnappen dan wel een gevaar kan zijn voor andere, vastgebonden dieren vanwege haar horens.

3. Appellant betoogt dat de last ten onrechte is opgelegd. Appellant stelt dat hij en verweerder een verschil van inzicht hebben over de wijze waarop appellant zijn dieren moet houden. Appellant stelt dat hij de runderen als zoogkoeien houdt. Dit betekent in de optiek van appellant dat de runderen tijdens het zogen gewicht inleveren, maar dit is een natuurlijke gang van zaken. Na het zogen komen de runderen weer aan. Appellant vindt dan ook dat uit de bevindingen van de dierenarts van de NVWA niet blijkt dat de conditie van de runderen zodanig aangetast was dat de last noodzakelijk was. De conditie van de volwassen runderen zou volgens de toezichthouders slecht tot matig zijn. Echter, dierenarts [naam 6] noteert als groepsbeoordeling dat de conditie gemiddeld matig is. Een matige conditie betekent volgens appellant niet dat de gezondheid van een rund in het gedrang is. Verder wordt niet concreet benoemd of en welk dier dan een slechte conditie zou hebben. Ook over de conditie van de schapen en van het paard en de pony worden in het controlerapport geen opmerkingen gemaakt.

Appellant stelt dat hij niet gehouden is om de dieren constant te laten beschikken over voer. Verweerder heeft niet aangetoond dat de dieren te weinig ruwvoer kregen, te meer nu de conditie van deze dieren niet goed is beoordeeld. Appellant vindt dat verweerder een te vergaande conclusie verbindt aan het feit dat de dieren direct zouden zijn gaan eten nadat appellant voer had gegeven. De dieren wilden graag eten, maar hebben volgens appellant geen honger geleden. Appellant leidt uit artikel 2.4 van het Bhd voorts niet af dat de dieren constant over voer moeten beschikken.

Volgens appellant stelt verweerder ten onrechte dat hij het voer niet op de grond zou mogen plaatsen. Appellant stelt dat het merendeel van het voer niet vies wordt en dat kunnen dieren goed opeten. Het voer dat mogelijk vies is geworden, eten de dieren niet op.

Appellant voert aan dat hij op de ochtend dat de toezichthouders de controle uitvoerden juist bezig was om de dieren opnieuw van voer, water en strooisel te voorzien. Ten onrechte wordt in het controlerapport gesteld dat appellant “snel nog even de dieren van water en voeder voorzag”. Appellant betwist dat hij zijn dieren niet van voldoende water heeft voorzien. Appellant heeft tijdens de controle de dieren van water voorzien. Volgens appellant wilden de dieren graag drinken, maar was er geen sprake van dorst zoals in het controlerapport wordt gesteld.

Ten aanzien van de schone en droge ligplekken betoogt appellant dat hij tijdens de controle bezig was de ligplaatsen op te strooien. Volgens appellant kan niet worden voorkomen dat urine en mest in de hokken ligt. Appellant maakt de hokken twee à drie keer per dag schoon. Tussendoor kan er dan een vochtige plaats zijn. Appellant stelt dat de last op dit punt niet uitvoerbaar is.

Ten aanzien van het kostenbesluit voert appellant aan dat er geen noodzaak was om de Agrarische Bedrijfsvoering (AB) in te schakelen om werkzaamheden uit te voeren. Appellant stelt dat hij een zorgovereenkomst heeft gesloten met [naam 4] en [naam 5] en de werkzaamheden derhalve door hen zouden worden uitgevoerd.

Verder betoogt appellant dat in het kostenbesluit niet wordt gemotiveerd welke herstelwerkzaamheden er uitgevoerd zijn. Appellant stelt dat de medewerker van de AB hooguit 20 minuten op het bedrijf was. Appellant betwist derhalve dat er 4 keer 2 uur in rekening gebracht kan worden. Appellant betwist verder het aantal keren dat de medewerker op het bedrijf is geweest: het had verweerder hoe dan ook na 1 of 2 keer duidelijk moeten zijn dat op het bedrijf geen werkzaamheden gedaan hoefden te worden door de AB.

4. De Wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 2.1. Dierenmishandeling

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

(…)

6. Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg.

Artikel 2.2. Houden van dieren

(…)

8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.”

Het Bhd luidt voor zover van belang als volgt:

“Artikel 1.7. Verzorgen van dieren

Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:

(…)

d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;

e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;

f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;

(…)

Artikel 1.8. Behuizing

(…)

2. Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.

Artikel 2.4. Verzorging van productiedieren

(…)

7. Het toegediende voer en drinken alsmede de wijze van toediening brengen het dier geen onnodig lijden of letsel toe.”

Last onder bestuursdwang

5. Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat appellant de in het bestreden besluit genoemde overtredingen heeft begaan. Het College overweegt daartoe als volgt.

5.1

Het College gaat er, gelet op de ter zitting door verweerder gegeven toelichting, van uit dat de in geding zijnde last onder bestuursdwang, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, is opgelegd wegens overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, artikel 1.7 onder d, e, en f en artikel 1.8, tweede lid, het Bhd.

5.2

Naar het oordeel van het College heeft verweerder ten aanzien van de maatregel dat de dieren dienen te beschikken over voldoende water (maatregel 1) op basis van het toezichtrapport en de veterinaire verklaring terecht geconcludeerd dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, onder f, van het Bhd. Uit het toezichtrapport blijkt dat de dieren niet beschikten over water, ze zich verdrongen om de emmer die tijdens de controle werd neergezet en deze emmer in één keer werd leeggedronken. Hetgeen appellant hiertegenover heeft gesteld – dat hij de dieren regelmatig van water voorziet – acht het College onvoldoende om aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder en de veterinaire verklaring te twijfelen.

5.3

Het College overweegt ten aanzien van de maatregel dat de dieren dienen te beschikken over een toereikende hoeveelheid ruwvoer (maatregel 3) als volgt. Uit het toezichtrapport komt naar voren dat appellant de runderen tijdens de controle van ruwvoer voorzag, dit voer snel door de runderen werd opgenomen en de dieren opnieuw zonder ruwvoer zaten. De toezichthoudend dierenarts bevestigt deze constateringen. Deze verklaart bovendien dat de koeien snel het ruwvoer op hadden en daarna loeiden om meer voer. In hetgeen appellant heeft aangevoerd bestaat geen rond voor het oordeel dat verweerder niet mocht uitgaan van de juistheid van deze bevindingen. Appellant heeft zijn standpunt dat de dieren niet altijd over ruwvoer hoeven te beschikken niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met een verklaring van een dierenarts. Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd dat appellant artikel 1.7, onder e, van het Bhd heeft overtreden.

5.4

Ten aanzien van het ontbreken van schone en droge ligplekken (maatregel 5) overweegt het College dat verweerder, gelet op het toezichtrapport, de daarbij behorende foto’s en de veterinaire verklaring, terecht heeft geconcludeerd dat appellant artikel 1.7, onder d, van het Bhd heeft overtreden. De toezichthouders hebben geconstateerd dat de stallen vervuild waren en onvoldoende waren ingestrooid, hetgeen door appellant niet wordt betwist. Gelet op het beeld van de verontreinigde ondergrond, zoals dit met name uit de bij het toezichtrapport behorende foto’s oprijst, acht het College het betoog van appellant dat sprake is van een momentopname niet overtuigend. Verweerder heeft dus terecht geconcludeerd dat appellant artikel 1.7, onder d, van het Bhd heeft overtreden.

5.5

Ook ten aanzien van de aanwezigheid van scherpe en uitstekende delen (maatregel 6) heeft verweerder naar het oordeel van het College op basis van het toezichtrapport en de daarbij behorende foto’s terecht geconcludeerd dat sprake is van een overtreding van artikel 1.8, tweede lid, van het Bhd, reeds omdat uit het toezichtrapport onder meer blijkt dat in hok vier van stal 1 een grasmaaier zonder beschermingskap, een gazonmaaier, een omgevallen fiets en een tractor stonden. Het College overweegt dat de omstandigheid dat de dieren, zoals appellant betoogt, zich niet hebben verwond aan deze voorwerpen niet afdoet aan het feit dat deze mogelijkheid reëel aanwezig is.

5.6

Wat betreft het aanbieden van ruwvoer op de vloer (maatregel 2) overweegt het College dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat deze maatregel is gebaseerd op overtreding van artikel 1.7, onder e, van het Bhd. Uit het bestreden besluit komt naar voren dat deze maatregel is opgelegd omdat een aantal dieren door de toediening van voer op de met nat stro, mest en urine vervuilde vloer verontreinigd voer kregen. Verweerder verwijt appellant derhalve kennelijk dat hij het voer aan de dieren op ontoelaatbare wijze toedient, maar niet dat het toegediende voer op zich zelf niet beantwoordt aan de daaraan in artikel 1.7, onder e, van het Bhd gestelde eisen. Verweerder heeft ook niet beargumenteerd inzichtelijk gemaakt waarom moet worden aangenomen dat laatstgenoemde bepaling in deze situatie is overtreden. Het College concludeert derhalve dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat artikel 1.7, onder e, van het Bhd is overtreden. Weliswaar lijkt artikel 2.4, zevende lid, van het Bhd te zien op de door verweerder in het bestreden besluit beschreven situatie met betrekking tot de wijze van toediening van voer door appellant op de verontreinigde vloer, maar uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder overtreding van deze bepaling ten grondslag heeft gelegd aan maatregel 2. In het toezichtrapport is evenmin vermeld dat appellant die bepaling heeft overtreden. Het enkele feit dat in de “Bijlage: Regelgeving” bij het bestreden besluit artikel 2.4, zevende lid, van het Bhd is weergegeven acht het College onvoldoende om daarvan wel uit te gaan. Hierbij tekent het College aan dat ook artikel 2.4, zesde lid, in deze bijlage is geciteerd, maar dat niets erop wijst dat de in geding zijnde last mede is gebaseerd op overtreding van die bepaling.

5.7

Wat betreft maatregel 4, het zorgdragen voor een toereikende hoeveelheid van krachtvoer voor de magere runderen, stelt verweerder in het bestreden besluit dat een tiental koeien die in de Friese stal waren ondergebracht, te weinig ruwvoer tot hun beschikking had. Volgens de toezichthoudend dierenarts leidde een combinatie van factoren, namelijk dat het om zoogkoeien ging waarbij de kalfjes een week voor de inspectie waren weggehaald en dat de koeien weer drachtig waren, tot de conclusie dat de gezondheid en het welzijn van de dieren was benadeeld. Omdat het zogen de nodige energie vergt van de koeien, is hun conditie volgens verweerder verminderd. Naar het oordeel van het College heeft verweerder op basis van deze bevindingen ten onrechte geconcludeerd dat appellant artikel 1.7, onder e, van het Bhd en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren heeft overtreden. Het College stelt vast dat uit het toezichtrapport niet blijkt dat tijdens de controle op 8 december 2015 door de toezichthoudend dierenarts de conditiescores per rund zijn vastgesteld. De veterinaire verklaring vermeldt slechts dat de voedingsconditie van de koeien ‘gemiddeld matig zijn’ en de kalveren in goede conditie verkeren. Naar het oordeel van het College is deze ongemotiveerde algemene constatering over de conditie van de betreffende runderen van de toezichthoudend dierenarts onvoldoende om te concluderen dat de conditie van de runderen zodanig tekortschoot dat de dieren krachtvoer nodig hadden om aan hun voedingsbehoefte te voldoen. Het College acht daarbij van belang dat in het door de eigen dierenarts van appellant opgestelde Bedrijfsgezondheidsplan Vleesvee van 17 december 2015, in weerwil van de veterinaire verklaring, is vermeld dat de conditie van de runderen op 17 december 2015 voldoende tot goed was.

De verklaring van verweerder ter zitting dat de koeien drachtig waren en om die reden bijgevoerd moesten worden met krachtvoer doet aan het vorenstaande niet af, nu voor deze verklaring geen steun is te vinden in de veterinaire verklaring waarin bedoelde omstandigheid niet wordt genoemd. Uit het toezichtrapport blijkt evenmin dat verweerder de omstandigheid dat de koeien zoogden van belang heeft geacht om aan te nemen dat sprake is van vorengenoemde overtreding. Verweerder heeft derhalve ten onrechte geconcludeerd dat appellant artikel 1.7, onder e, van het Bhd en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren heeft overtreden.

5.8

Het College overweegt ten aanzien van de maatregel die ziet op het minimaliseren van de schadelijke gevolgen van de rivaliteit (maatregel zeven) als volgt. In het bestreden besluit stelt verweerder dat slechts drie van de acht kalfjes konden vreten omdat er maar drie vreetplekken beschikbaar waren. Omdat de kalveren varieerden in grootte achtte de toezichthoudend dierenarts de kans aanwezig dat de kleine en in rang lagere kalfjes op den duur geen of te weinig voedsel zouden binnenkrijgen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de kalveren vermagerd waren en als er dan te weinig voer beschikbaar is, een gevecht ontstaat. Volgens verweerder is dit een overtreding van artikel 1.7, onder e, van het Bhd. Voor de feitelijke onderbouwing verwijst verweerder naar het toezichtrapport en de veterinaire verklaring. Het College acht de bevindingen van de toezichthouders en de toezichthoudend dierenarts onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van een overtreding van artikel 1.7, onder e, van het Bhd. Het College stelt vast dat uit het toezichtrapport en de veterinaire verklaring weliswaar blijkt dat niet voor alle kalveren vreetplekken aanwezig waren, maar door de toezichthouders is niet vastgesteld dat de kalveren ten tijde van de controle niet beschikten over voldoende voer. Het College acht daarbij van belang dat de toezichthoudend dierenarts verklaart dat door het gestelde tekort aan vreetplekken de ranglagere kalveren “op langere zicht” mogelijk te weinig voer krijgen. Ook de verklaring van verweerder ter zitting dat door een gebrek aan voer een gevecht kan ontstaan tussen de kalveren is een hypothetische situatie die zich ten tijde van de controle niet voordeed. Uit de formulering van maatregel 8 blijkt voorts dat deze is gericht op een aanpassing van de huisvesting van de dieren met het oog op het voorkomen van rivaliteit in verband met de beschikbare voergelegenheid en niet op het toedienen van een toereikende hoeveelheid geschikt voer als bedoeld in artikel 1.7, onder e, van het Bhd omdat zou zijn geconstateerd dat door appellant onvoldoende van dit voer wordt verstrekt. Ten aanzien van de kalveren heeft verweerder naar het oordeel van het College dan ook ten onrechte vastgesteld dat appellant artikel 1.7, onder e, van het Bhd heeft overtreden.

5.9

Ten aanzien van de loslopende koe (maatregel 8) overweegt het College dat uit het bestreden besluit, zoals ter zitting toegelicht, volgt dat verweerder aan deze overtreding artikel 1.8, tweede lid, van het Bhd ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de opgelegde maatregel niet kan worden gebaseerd op overtreding van dat artikel, nu niet is geconstateerd dat de huisvesting van dit rund niet voldoet aan de in dit artikel neergelegde eisen. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat appellant artikel 1.8, tweede lid, van het Bhd heeft overtreden.

5.10

Gelet op vorenstaande heeft verweerder ten onrechte met betrekking tot de maatregelen 2, 4, 7 en 8 vastgesteld dat appellant onderscheidenlijk artikel 1.7, onder e, van het Bhd (maatregelen 2, 4 en 7), artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren (maatregel 4), artikel en artikel 1.8, tweede lid, van het Bhd (maatregel 8) heeft overtreden. Het betoog van appellant dat verweerder niet bevoegd was handhavend op te treden, slaagt in zoverre. Het bestreden besluit komt in zoverre wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

5.11

Uit het vorenstaande volgt verder dat verweerder met betrekking tot de maatregelen 1, 3, 5 en 6 terecht heeft vastgesteld dat appellant onderscheidenlijk artikel 1.7, onder f, van het Bhd (maatregel 1), artikel 1.7, onder e, van het Bhd (maatregel 3), artikel 1.7, onder d, van het Bhd (maatregel 5) en artikel 1.8, tweede lid van het Bhd (maatregel 6) heeft overtreden. Verweerder was daarom wel bevoegd handhavend op te treden ter zake van deze overtredingen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhavend optreden is naar het oordeel van het College niet gebleken.

6. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en dat dit besluit wat betreft de maatregelen 2, 4, 7 en 8 wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt. Nu met betrekking tot deze maatregelen sprake is van onherstelbare gebreken zal het College, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit in zoverre herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

Kostenbesluit

7.1

Ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb is het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen het kostenbesluit, nu appellant dit besluit betwist.

7.2

Het College stelt vast dat uit het toezichtrapport van de hercontrole op 18 februari 2016 en het kostenbesluit volgt dat verweerder heeft geconcludeerd dat appellant niet heeft voldaan aan de maatregelen 1, 4 en 5 van de opgelegde last. Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld met betrekking tot maatregel 4 (het beschikken over krachtvoer), mocht verweerder op grond van die last niet overgaan tot toepassing van bestuursdwang ter uitvoering van deze maatregel. Dit betekent dat verweerder de daarmee gemoeide kosten niet ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb bij appellant in rekening heeft mogen brengen. Het beroep tegen het kostenbesluit is in zoverre gegrond.

7.3

Het College stelt vast dat uit het toezichtrapport van de hercontrole op 18 februari 2016 blijkt dat één rund niet de beschikking had over water omdat de drinkbak niet werkte. Voorts is door de toezichthouders vastgesteld dat een aantal runderen met hun klauwen wegzakten in de bodembedekking van nat stro, mest en urine en dat de runderen een vervuilde vacht hadden van natte en opgedroogde mest en urine. Appellant heeft deze bevindingen niet betwist. Naar het oordeel van het College heeft verweerder derhalve terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan de in de last onder 1 en 5 opgelegde maatregelen. Dat betekent dat verweerder bevoegd was om tot toepassing van bestuursdwang over te gaan.

8.1

Het College volgt appellant niet in de stelling dat er voor verweerder geen noodzaak bestond om de AB werkzaamheden te laten verrichten ter uitvoering van de last gezien de tussen appellant en de heren [naam 4] en [naam 5] gesloten zorgovereenkomst. Het College stelt vast dat uit het toezichtrapport van de hercontrole op 18 februari 2016 blijkt dat aan de toezichthouders is meegedeeld dat de heren [naam 4] en [naam 5] hebben aangegeven dat zij ervoor willen zorgdragen dat alle voorkomende werkzaamheden op het bedrijf van appellant door hen worden uitgevoerd. Uit de door appellant overgelegde zorgovereenkomst blijkt dat deze eerst op 24 februari 2016 is ondertekend, derhalve na de door verweerder uitgevoerde hercontrole. Verweerder heeft vervolgens op 25 februari 2016, na ontvangst van de ondertekende overeenkomst, de werkzaamheden van de AB opgeschort. Zoals onder 7.3 is overwogen heeft verweerder terecht vastgesteld dat op 18 februari 2016 niet was voldaan aan de maatregelen 1 en 5 van de opgelegde last en heeft verweerder naar het oordeel van het College de AB terecht de opdracht gegeven de betreffende werkzaamheden uit te voeren. Door de werkzaamheden van de AB per 26 februari 2016, na ontvangst van de zorgovereenkomst, op te schorten heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de betreffende zorgovereenkomst. In hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de zorgovereenkomst ziet College derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de kosten van de werkzaamheden van de AB bij appellant in rekening heeft kunnen brengen.

8.2

Wat betreft de hoogte van de kosten van de werkzaamheden van de AB overweegt het College als volgt. Uit de factuur en de daarop door verweerder gegeven toelichting blijkt dat een medewerker van de AB over de periode van donderdag 18 februari 2016 tot en met donderdag 25 februari 2016 in totaal op acht dagen op het bedrijf van appellant is geweest ter uitvoering van de opgelegde last en dat hiervoor per keer voor 2 uur aan kosten in rekening zijn gebracht. Het College ziet geen aanleiding voor de conclusie dat deze kosten ten onrechte of tot een te hoog bedrag in rekening zijn gebracht. In de e-mailcorrespondentie tussen verweerder en de AB wordt genoegzaam omschreven welke werkzaamheden de AB op het bedrijf van appellant heeft uitgevoerd. Niet gebleken is dat deze werkzaamheden niet vallen binnen de toepassing van de opgelegde last. Anders dan appellant betoogt, sluiten de door de AB verrichte werkzaamheden niet uit dat appellant zelf werkzaamheden verricht ter uitvoering van de last en de AB deze werkzaamheden controleert. Het betoog van appellant faalt derhalve. Verweerder heeft voorts ter zitting uiteengezet dat verweerder en de AB in het kader van de aanbesteding prijsafspraken zijn gemaakt die inhouden dat de AB voor uit te voeren werkzaamheden minimaal twee uur in rekening brengt. Deze twee uur omvatten ook de aanrijdtijd. Naar het oordeel van het College kan dit niet als onredelijk worden aangemerkt en heeft dit niet geleid tot onredelijke bedragen zodat verweerder deze kosten bij appellant in rekening heeft mogen brengen.

8.3

Het beroep van appellant tegen het kostenbesluit is derhalve gegrond voor zover het betreft de uitvoering van de bij het primaire besluit opgelegde maatregel 4. Het College ziet aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen kostenbesluit in stand blijven. Daarbij neemt het College in aanmerking dat het in mindering brengen van de uren en kosten die de AB heeft besteed ter uitvoering van maatregel 4, geen gevolgen heeft voor de hoogte van het aan appellant in rekening te brengen bedrag. Zoals in 8.2 is overwogen heeft verweerder uitsluitend de via aanbesteding bepaalde minimale kosten bij appellant in rekening gebracht.

9. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij zijn gehandhaafd de maatregelen 2, 4, 7 en 8;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij de maatregelen 2, 4, 7 en 8 zijn opgelegd, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    vernietigt het kostenbesluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het kostenbesluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.S. van den Berg