Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:468

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
17/1360
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet wegvervoer goederen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1360

14046

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Alltrans LTV B.V., te Stramproy, verzoekster

(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils),

en

de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, verweerster

(gemachtigde: mr. S. Karroumi).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster de communautaire vergunning van appellante op grond van de Wet wegvervoer goederen (Wwg) ingetrokken.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Van de kant van verzoekster zijn ook verschenen [naam 1] en [naam 2] , beiden bestuurder van verzoekster. Van de kant van verweerster is ook verschenen mr. J.M. Hop.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. In het kader van de beoordeling van een aanvraag van verzoekster om een communautaire vergunning, heeft verweerster het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om advies gevraagd op grond van artikel 3.4, tweede lid, van de Wwg. In afwachting van dat advies heeft verweerster op 30 maart 2017 de communautaire vergunning verleend, met de vermelding dat het Bibob-advies kan leiden tot intrekking van de vergunning. Daarbij heeft verweerster verzoekster twee tijdelijke vergunningbewijzen verstrekt met een geldigheid van zes maanden. Op grond van het daarna uitgebrachte Bibob-advies heeft verweerster – nadat verzoekster in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze daarover te geven – de communautaire vergunning van verzoekster ingetrokken op grond van artikel 3.4, eerste lid, van de Wwg. In deze bepaling is onder meer neergelegd dat verweerster overgaat tot intrekking van de communautaire vergunning, in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob).

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Door de intrekking van de communautaire vergunning is het verzoekster – die in het handelsregister staat ingeschreven als exploitant van onder meer een transportbedrijf – niet meer toegestaan om beroepsvervoer te verrichten. De voorzieningenrechter volgt het betoog van verweerster niet dat verzoekster geen spoedeisend belang zou hebben omdat het gaat om een vergunning in afwachting van de uitkomst van het Bibob-advies, en verzoekster daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld. Dat doet er immers niet aan af dat door het besluit tot intrekking de bedrijfsuitoefening, in elk geval op korte termijn, vrijwel onmogelijk wordt met alle, naar moet worden aangenomen, verstrekkende financiële gevolgen van dien.

4. Het primaire besluit is gebaseerd op de zogeheten b-grond, zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet bibob: "Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen." Daarbij heeft verweerster zich gebaseerd op het Bibob-advies waarin is geconcludeerd dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

5. Een bestuursorgaan mag, gelet op de deskundigheid van het LBB, in beginsel van het Bibob-advies uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. In dit geval heeft verweerster blijkens de overwegingen van het primaire besluit het Bibob-advies kritisch bezien en op onderdelen een, ten voordele van verzoekster strekkend, ander standpunt ingenomen ten aanzien van de strafbare feiten die in het Bibob-advies met betrekking tot verzoekster en haar bestuurders zijn vermeld. Niettemin is verweerster op basis van de wel in aanmerking genomen strafbare feiten tot dezelfde conclusie gekomen dat sprake is van ernstig gevaar dat de communautaire vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, in dit stadium van de procedure onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerster niet heeft voldaan aan de in de artikel 3:9 van de Awb neergelegde vergewisplicht. Het volgende maakt dat niet anders. Verweerster heeft zich in navolging van het Bibob-advies gebaseerd op de registratie van onder meer een Belgisch vonnis in de justitiële registers, volgens welke de bestuurders van verzoekster zijn veroordeeld voor vervalsing van documenten en strafbare feiten in verband met fiscaliteit, en een Belgisch vonnis volgens welke één van de bestuurders is veroordeeld voor strafbare feiten tegen de arbeidswetgeving. Inderdaad moet met verzoekster worden vastgesteld dat verweerster zich alleen op de registratie in het Bibob-advies heeft kunnen baseren omdat zij niet beschikt over integrale afschriften van deze vonnissen en rechtshulpverzoeken om deze te verkrijgen tot op heden onbeantwoord zijn gebleven. Verzoekster heeft haar betoog dat eerstgenoemd vonnis haar bestuurders juist op de belangrijkste onderdelen vrijspreekt, evenwel niet onderbouwd met de overlegging ervan. In dat verband heeft het de aandacht van de voorzieningenrechter getrokken dat verweerster tijdens de hoorzitting op 20 september 2017 naar aanleiding van haar bezwaarschrift met de bestuurders van verzoekster heeft afgesproken dat zij de desbetreffende vonnissen alsnog zullen overleggen. Overlegging van die vonnissen ten tijde van de zitting van de voorzieningenrechter zou dan eens te meer voor de hand hebben gelegen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter in dit stadium van de procedure geen aanleiding om - ook op dit punt - niet uit te gaan van de juistheid van de constateringen van verweerster.

6. Het betoog van verzoekster dat verweerster onrechtmatig heeft gehandeld door een vergunning in te trekken die zij recent had verleend, volgt de voorzieningenrechter niet. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de verleende vergunning in afwachting van de afronding van de Bibob-procedure een, kenbaar, voorlopig en voorwaardelijk karakter had.

7. Voor zover verzoekster in de procedure over het verzoek om voorlopige voorziening is ingegaan op de overwegingen van verweerster in het primaire besluit ten aanzien van de a‑grond, moet worden vastgesteld dat – zoals verweerster ook ter zitting heeft bevestigd – de a-grond niet ten grondslag is gelegd aan de intrekking van de communautaire vergunning. Hierin kan dus geen reden worden gevonden om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

8. Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in dit stadium van de procedure geen reden voor een zodanige twijfel aan de juistheid van het oordeel van verweerster dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

w.g. R.R. Winter w.g. M.B.L. van der Weele