Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:442

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
15/354
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

MSW, feitelijke beschikkingsmach, GLB heffing wegens overtreding MSW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/58 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/354

16005

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2017 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant,

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2015, met kenmerk LEE 14/4512 en LEE 14/4645, in het geding tussen

appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris)

(gemachtigde: mr. M. Leegsma en A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2015 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Appellant is melkveehouder, gevestigd te [plaats 1] . Naar aanleiding van onderzoeken

door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 14 december 2012, rapportnummer 71311, en een tweetal afdoeningsrapporten van 18 december 2012, rapportnummers 68600 en 68629, heeft de staatssecretaris bij besluiten van 28 februari 2014 aan appellant twee bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in de jaren 2010 en 2011. Zowel voor de overtreding in het jaar 2010 als voor de overtreding in het jaar 2011 is een boete van € 45.000,- opgelegd. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellant in 2010 en 2011 niet onder de gebruiksnormen is gebleven. Voor het jaar 2010 is in totaal 19,71 ha van de door appellant bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte meegerekend. Voor het jaar 2011 is in totaal 17,26 ha van de door appellant bij de Gecombineerde Opgave opgegeven percelen buiten beschouwing gelaten voor de gebruiksruimte. De staatssecretaris heeft hiertoe aangevoerd dat appellant ten aanzien van deze percelen, gelegen te [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] en [plaats 5] , niet de feitelijke beschikkingsmacht had. Eén perceel, gelegen te [plaats 6] , opgegeven voor het jaar 2011, is niet meegerekend als gebruiksruimte omdat het geen landbouwgrond betreft in de zin van de Msw.

1.3

Bij besluiten van 1 september en 12 september 2014 heeft de staatssecretaris de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 1 en 12 september 2014 ongegrond verklaard.

“ 15.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt

gesteld dat eiser in 2010 en 2011 niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen

in [plaats 2] . De rechtbank stelt allereerst vast dat de grondgebruiksovereenkomst tussen

eiser en de eigenaar van de gronden in [plaats 2] , [naam 2] , een algemene

grondgebruiksovereenkomst betreft, en dat uit deze overeenkomst niet blijkt dat eiser hierbij

heeft bedongen dat hij zou beslissen over het beheer van de gronden. [naam 2] heeft in zijn

verklaring van 4 april 2012 - onder meer - verklaard dat de boeren aan wie hij grond in

gebruik heeft gegeven, waaronder eiser, niet bij de percelen zijn geweest, dat zij de percelen

niet hebben bemest en dat zij op de percelen geen dieren hebben geweid. Daarnaast heeft

[naam 2] aangegeven dat hij op de betreffende percelen in 2010 pinken heeft laten weiden

en dat hij zijn loonbedrijf, (…), opdracht gaf voor het uitvoeren van de

werkzaamheden op de percelen van de andere boeren. Tenslotte heeft [naam 2] verklaard

dat de boeren mochten komen om de percelen grasland te bemesten en te maaien, maar dat

de boeren de keuze hebben gemaakt om dat niet te doen, en dat de boeren het gras ook

hadden mogen ophalen, maar dat hier dan wel een vergoeding tegenover had gestaan. In zijn

verklaring van 22 januari 2014 geeft [naam 2] aan dat hij gedurende de looptijd van de

overeenkomst onder geen omstandigheid dieren heeft geweid op de verhuurde percelen,

maar dat hij de gronden heeft gebruikt als ‘oversteek’ om zijn vee naar percelen te

verplaatsen die buiten de overeenkomst vallen. De rechtbank kent meer gewicht toe aan de

verklaring van 4 april 2012 van [naam 2] . Hierbij betrekt de rechtbank dat uit deze

verklaring blijkt dat [naam 2] de regie voerde over de werkzaamheden op de betreffende

percelen en dat hij bepaalde op welk moment deze werkzaamheden uitgevoerd werden.

Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat eiser, blijkens zijn verklaring van

9 mei 2012, zelf geen activiteiten op de percelen te [plaats 2] heeft verricht. In deze

verklaring heeft eiser daarnaast aangegeven dat hij in 2010 en 2011 van de percelen te

[plaats 2] geen gras heeft gehad, dat hij niet op de percelen is geweest, dat hij geen mest

heeft afgevoerd naar die percelen en dat er geen dieren zijn geweid. De enkele stelling van

eiser dat hij feitelijke beschikkingsmacht had kunnen uitoefenen indien hij dat had gewild,

is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op al het hiervoor overwogene, onvoldoende om

te kunnen zeggen dat eiser feitelijke beschikkingsmacht had.

16. Met betrekking tot de percelen te [plaats 3] overweegt de rechtbank als volgt.

(…)

16.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt

gesteld dat eiser in 2010 niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen te

[plaats 3] . Er is weliswaar een grondgebruiksovereenkomst tussen eiser en de eigenaar

van de gronden, [naam 3] , echter blijkt hieruit onvoldoende dat eiser heeft

bedongen dat hij het beheer had over de betreffende gronden. Dit wordt ondersteund door de

verklaring van eiser van 9 mei 2012, waarin eiser aangeeft dat hij in 2010 niet op de

percelen bij [plaats 3] is geweest, dat hij geen mest heeft afgevoerd naar deze percelen,

dat hij hier geen dieren heeft geweid en dat alle werkzaamheden zijn uitgevoerd door [naam 3] . Ten aanzien van het standpunt van eiser dat hij in de herfst van 2010 in totaal

25 hooipakken, zijnde de oogst van het hele seizoen 2010, met de trekker en wagen heeft

opgehaald bij [naam 3] overweegt de rechtbank dat dit niet aannemelijk is, nu eiser

geen enkel bewijs heeft overgelegd van betaling.

17. Met betrekking tot de percelen te [plaats 4] en [plaats 5] overweegt de

rechtbank als volgt.

(…)

17.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt

gesteld dat eiser in 2010 en 2011 niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen

te [plaats 4] en [plaats 5] . Namens FBB is op 7 juni 2012 door [naam 4] en [naam 5]

verklaard dat FBB de eigenaar is van de percelen grasland rondom de jachthaven in

[plaats 5] en dat op de percelen een recreatiepark met een jachthaven, restaurant en

hotel gerealiseerd zullen worden, maar dat de percelen nut nog een agrarische bestemming

hebben. [naam 4] geeft verder aan dat [naam 6] elk jaar € 2.000,- betaalt voor het grasgewas

van de 7,5 hectare grond, dat er geen schriftelijke overeenkomst met [naam 6] is over het

gebruik van de grond, dat [naam 6] , zolang de bestemming van de percelen nog niet is

gewijzigd, tegen een vergoeding het grasgewas mag hebben en dat FBB de sloten laat

schoonmaken. [naam 5] geeft aan dat hij beheerder is van de jachthaven en de verhuur van de

vakantiewoningen, dat hij iedere dag op het terrein aanwezig is en dat hij alles ziet wat er op

de percelen grasland gebeurt. Hierbij geeft [naam 5] aan dat [naam 6] al zeker vijf jaar de

percelen gebruikt, dat [naam 6] er geen snede gras afhaalt, dat [naam 6] zo nu en dan schapen

weidt op de percelen en dat het gras dat de schapen niet opeten door [naam 6] wordt gemaaid

met een bosmaaier. Tenslotte geeft [naam 5] aan dat hij nog nooit heeft gezien dat er op de

percelen dierlijke mest werd uitgereden of dat er kunstmest werd gestrooid. Eiser heeft op

9 mei 2012 verklaard dat hij niet op de percelen in [plaats 5] is geweest, dat hij hier

geen mest naartoe heeft gebracht, dat hij er geen dieren op heeft laten weiden en dat hij geen

gras heeft gehad van deze percelen. Hierbij heeft eiser aangegeven dat [naam 6] zorgde voor

de winning van het gras, maar dat hij niet weet wat er met het gras is gebeurd. De door

[naam 6] gemaakte kosten voor de werkzaamheden zijn, aldus eiser, verrekend met het

grasgewas dat [naam 6] mocht houden. Gelet op al deze verklaringen, maar met name gelet

op het feit dat eiser, zoals hij ter zitting ook heeft verklaard, zelf geen activiteiten heeft

verricht op de percelen, dat [naam 6] op de percelen schapen liet grazen, dat [naam 6] zelf

besliste over het al dan niet maaien van het gras en dat FBB het onderhoud van de sloten

voor zijn rekening heeft genomen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank

voldoende aanwijzingen kunnen zien voor het standpunt dat eiser in 2010 en 2011 over de

betreffende percelen in [plaats 4] en [plaats 5] niet de feitelijke beschikkingsmacht had.

18. Met betrekking tot de percelen te [plaats 6] overweegt de rechtbank als volgt.

(…)

18.3

Met betrekking tot de percelen te [plaats 6] is de rechtbank van oordeel dat

verweerder voldoende heeft aangetoond dat het hier niet gaat om landbouwgrond in de zin

van de Msw. Het feit dat het perceel de bestemming “Industrie” heeft is naar het oordeel van de rechtbank een indicatie hoe de gronden geduid dienen te worden. Hierbij geeft de

rechtbank aan dat uit het feitelijke gebruik moet blijken of al dan niet sprake is van

landbouwgrond. Met betrekking tot het feitelijke gebruik overweegt de rechtbank dat

verweerder erop heeft gewezen dat de gronden ter plaatse bestaat uit wit/gele zandgrond met

weinig humus waarop een vegetatie stond bestaande uit riet, zegge, diverse soorten

natuurlijke grassen, bloemen en kruiden, en dat er geen sporen waren van beweiding en

bemesting. Bij zijn beoordeling betrekt de rechtbank dat Groningen Seaports, de eigenaar

van de gronden, in de verklaring van 5 juli 2011 heeft aangegeven dat het percelen betreft

waarop anderhalf á twee meter geel zand is opgebracht, dat de percelen dienen als voorraad

voor nieuwbouw van/voor bedrijven en dat de bestemming van de percelen industrieterrein

is en geen landbouwgrond, het feit dat in de praktijk de percelen in [plaats 6] zijn gemaaid

en dat dit maaisel bij eiser is afgeleverd maakt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat

wel sprake is van landbouwgrond in de hier bedoelde zin. Hiertoe overweegt de rechtbank

dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder q, van de Msw onder grasland wordt verstaan

landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als

veevoer, en dat het oogmerk met betrekking tot de percelen te [plaats 6] niet de winning

van ruwvoer betrof, maar het onderhoud van de betreffende gronden.

19. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat

verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de percelen te [plaats 2] , [plaats 3]

, [plaats 4] , [plaats 5] en [plaats 6] in zowel 2010 als in 2011 niet konden

worden aangemerkt als ‘tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond’. Eiser had

immers niet de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden, dan wel de gronden konden

niet worden aangemerkt als landbouwgrond. Verweerder heeft deze percelen dan ook

terecht niet meegeteld bij de berekening van de in de Msw genoemde gebruiksnormen.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen. De percelen te [plaats 2] behoorden wel tot zijn bedrijf. In de grondgebruikersovereenkomst is expliciet overeen gekomen dat appellant te allen tijde verantwoordelijk is voor de opgegeven percelen, als zijnde huurder, zoals artikel 3 van de overeenkomst expliciet voorschrijft. Enkel dát gegeven leidt ertoe dat de huurder, in casu appellant, beslissingsbevoegd is. Dat appellant er voor deze percelen voor heeft gekozen de grond verder niet daadwerkelijk te bemesten dan wel vee te laten weiden, is de keuze van de ondernemer. Blijkbaar was de grond verder niet nodig om landbouwkundig aan te wenden in deze jaren, hetgeen niet weg neemt dat conform de wet- en regelgeving en de jurisprudentie van het College, appellant wel degelijk de beschikking had over deze percelen, en deze macht op elk moment lopende de overeenkomst had kunnen aanwenden. Van de omstandigheden, zoals die aan de orde waren in de uitspraak van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2239), is in het onderhavige geval geenszins sprake.

Ten aanzien van de percelen te [plaats 3] , te [plaats 4] en [plaats 5] geldt evenzeer, zoals ook voor de grond te [plaats 2] geldt, dat appellant er voor heeft gekozen de grond verder niet daadwerkelijk te bemesten dan wel te beweiden met vee, maar dat dit niet weg neemt dat appellant wel degelijk de beschikking had over deze percelen, en deze macht op elk moment lopende de overeenkomst kon aanwenden. Ten aanzien van grond te [plaats 3] heeft appellant in hoger beroep nog aangevoerd dat, of hij nu wel of niet feitelijk balen hooi heeft opgehaald bij van [naam 3] , feit is dat er conform de offerte van 15 mei 2010 door [naam 3] in opdracht van appellant werkzaamheden zijn uitgevoerd, namelijk het persen van 25 balen hooi. Deze werkzaamheden zijn gefactureerd aan appellant, blijkens de factuur van 1 oktober 2010. Indien appellant geen zeggenschap over de percelen had was hij nimmer tot opdrachtverlening en betaling overgegaan.

Ten aanzien van het terrein te [plaats 6] heeft appellant , gelet op onder meer de uitspraak van het College van 25 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:265, ter zitting zijn in hoger beroep ontwikkelde grond ingetrokken.

4. De staatssecretaris is in zijn schriftelijke reactie en ter zitting gemotiveerd op het hoger beroep van appellant ingegaan en heeft – kort gezegd – ten aanzien van alle terreinen vastgehouden aan zijn standpunt dat er geen sprake is van tot het bedrijf behorende landbouwgrond.

5. In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de, nog in geschil zijnde, percelen niet kunnen worden aangemerkt als tot het bedrijf behorende landbouwgrond en de boetes voor de jaren 2010 en 2011, om die reden, in stand kunnen blijven.

5.1

Het College overweegt als volgt. Het systeem van de Msw houdt in dat op grond van artikel 7 van de Msw een algeheel verbod geldt voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. Indien onder de gebruiksnormen wordt gebleven geldt op grond van artikel 8 van de Msw dit verbod niet.

In de artikelen 9, 10 en 11 van de Msw zijn de hier relevante gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, stikstof en fosfaat neergelegd. Dit betreft de jaarplafonds voor het gebruik van meststoffen die zijn gekoppeld aan de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.

5.2

Of in dit geval een overtreding is begaan hangt, gelet op de in artikel 7 van de Msw vervatte omschrijving van het daarin neergelegde verbod, in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 8 van de Msw, af van het antwoord op de vraag of de percelen gelegen te [plaats 2] (opgegeven als landbouwgrond in 2010 en 2011), [plaats 3] (opgegeven in 2010), [plaats 4] en [plaats 5] (opgegeven in 2010 en 2011) en [plaats 6] (opgegeven in 2011) als tot het bedrijf van appellant behorende landbouwgrond als bedoeld in de Msw konden worden aangemerkt. Voor beantwoording van die vraag is het volgende relevant.

Onder “bedrijf” wordt in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Msw verstaan: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel m, van de Msw is bepaald dat onder “tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond” moet worden verstaan: in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond, die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij het bedrijf in gebruik is.

5.3

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of appellant de percelen te [plaats 2] (opgegeven als landbouwgrond in 2010 en 2011), [plaats 3] (opgegeven in 2010), [plaats 4] en [plaats 5] in het kader van zijn normale bedrijfsvoering in gebruik had in 2010 en 2011.

5.4

In dit verband roept het College het volgende in herinnering.

Zoals het College eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 12 februari 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ1613 en uitspraak van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2239) wordt in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Msw, noch in de memorie van toelichting als voorwaarde gesteld dat de gronden daadwerkelijk bij het bedrijf in gebruik zijn. Volgens de memorie van toelichting is voor de toepassing van de Msw doorslaggevend dat grond, zoals in de begripsomschrijving in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, ook tot uitdrukking komt, uitsluitend kan worden opgevoerd als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond wanneer deze in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is. Deze laatste eis brengt volgens de memorie van toelichting onder meer met zich dat degene die het landbouwbedrijf voert over de grond de feitelijke beschikkingsmacht moet kunnen uitoefenen. Een dergelijke beschikkingsmacht veronderstelt de aanwezigheid van een geldige juridische titel. In principe zal voor de toepassing van de Msw elke civielrechtelijke titel die de betrokken grondgebruiker de feitelijke macht over de teelt en de bemesting van de grond geeft in aanmerking worden genomen, ook overeenkomsten die ertoe strekken grond uit gebruik te geven, die ‘grondgebruiksverklaringen’ worden genoemd. Daarmee is de flexibiliteit voor de landbouwbedrijven maximaal gediend, aldus de memorie van toelichting. Om te kunnen vaststellen of de in het geding zijnde gronden aangemerkt kunnen worden als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Msw, zo volgt uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis, onder meer bepalend of de landbouwer de feitelijke beschikkingsmacht over deze gronden had, in die zin dat hij in de praktijk in staat was teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren. Uit het voorgaande blijkt dat indien komt vast te staan dat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen daarmee, gelet op de hiervoor weergegeven wetssystematiek, gegeven is dat die percelen niet bij appellant in gebruik waren en reeds hierom niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de beantwoording van de vraag of de gebruiksnormen als bedoeld in artikel 8 van de Msw zijn overschreden.

5.5

[plaats 2]

Het College is van oordeel dat de rechtbank terecht het gebruik en de afspraken zoals die blijken uit de verklaringen van [naam 2] , de gebruikgever, van 4 april 2012 (blijkens rapportnummer 68600) heeft betrokken bij het oordeel of appellant de feitelijke beschikkingsmacht had en met name belang heeft kunnen hechten aan de verklaringen waaruit blijkt dat [naam 2] , de gebruikgever zelf, op de betreffende grond in 2010 pinken heeft laten weiden, dat [naam 2] het gras (zo vaak als hij nodig vond) maaide en hij het loonbedrijf opdracht gaf voor het uitvoeren van werkzaamheden op de grond. De rechtbank heeft naar het oordeel van het College met juistheid overwogen dat uit de verklaringen van [naam 2] blijkt dat hij de regie voerde over de werkzaamheden op de betreffende grond en dat hij bepaalde op welk moment deze werkzaamheden uitgevoerd werden. Dat op grond van de overeenkomst “grondgebruikverklaring van grond en huur van toeslagrechten”, waarin is overeen gekomen dat appellant te allen tijde verantwoordelijk is voor de opgegeven percelen, geoordeeld had moeten worden dat appellant de feitelijke beschikkingsmacht had wordt niet gevolgd. In de grondgebruiksverklaring is feitelijk niet meer overeengekomen dan dat appellant de grond mocht opgeven bij de Gecombineerde Opgave. De bepaling, in artikel 3 van de grondgebruiksverklaring, dat de grondgebruiker te allen tijde verantwoordelijk is voor de opgegeven percelen is niet gespecificeerd en heeft dan ook geen zelfstandige betekenis (zie ook uitspraak van het College van 24 november 2016, r.o. 5.6, ECLI:NL:CBB:2016:454).

5.6

[plaats 3]

Ten aanzien van de grond te [plaats 3] geldt evenzeer dat appellant de grond feitelijk niet gebruikte en het de gebruikgever was die het gras maaide en zelfstandig de werkzaamheden bepaalde en uitvoerde, zonder contact of overleg met appellant. Voor de grond te [plaats 3] is een soortgelijke grondgebruikverklaring overgelegd als voor de grond te [plaats 2] . Voor deze grondgebruikverklaring geldt evenzeer dat feitelijk niet meer overeengekomen is dan dat appellant de grond mocht opgeven bij de Gecombineerde Opgave en dat de bepaling dat de grondgebruiker te allen tijde verantwoordelijk is voor de opgegeven percelen niet gespecificeerd is en derhalve geen zelfstandige betekenis heeft. Omdat iedere feitelijke onderbouwing ontbreekt, kan voorts de stelling dat het tegen betaling afnemen van hooi (toch) zou wijzen op feitelijke beschikkingsmacht onbesproken blijven.

5.7

[plaats 4] en [plaats 5]

Ten aanzien van de grond te [plaats 4] en [plaats 5] heeft de rechtbank naar het oordeel van het College evenzeer terecht geconcludeerd dat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de grond, nu in de praktijk appellant geen enkele bemoeienis of zeggenschap uitoefende. De gebruikgever gebruikte de grond zelf voor het weiden van zijn schapen en voor het overige werd het onderhoud door de eigenaar geregeld. Het was bovendien de eigenaar die het beheer over de percelen uitoefende en bijvoorbeeld de gebruikgever sommeerde kadavers te verwijderen (pagina 12, NVWA-rapport 68600).

5.8

Dat de omstandigheden van dit geval dusdanig afwijken van, onder meer, de omstandigheden die in de uitspraak van het College van 21 mei 2013 aan de orde waren, zodat hier niet het oordeel gerechtvaardigd is dat de grond niet in het kader van de normale bedrijfsvoering bij appellant in gebruik was, volgt het College niet. In lijn met de jurisprudentie van het College heeft de rechtbank naast de civielrechtelijke overeenkomst, maar ook voor de uitleg daarvan, de vraag van belang geacht of de landbouwer feitelijk de beschikkingsmacht had en in de praktijk in staat was teeltplan en bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang te realiseren. Uit het feit dat anderen beslissingen namen over bijvoorbeeld het weiden of het beheer van de grond is door de rechtbank terecht afgeleid dat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had.

5.9

[plaats 6]

Ten aanzien van het perceel gelegen bij [plaats 6] , waarover de rechtbank heeft geoordeeld dat het geen landbouwgrond betreft, volstaat het College, gelet op het standpunt van appellant in hoger beroep, met een verwijzing naar de uitspraak van 25 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:265.

6. Op grond van het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de in geschil zijnde grond niet tot de bij het bedrijf van appellant behorende landbouwgrond kan worden gerekend en de staatssecretaris derhalve terecht bij de berekening van de overschrijding van de gebruiksnormen voor 2010 en 2011 is uitgegaan van een kleinere oppervlakte landbouwgrond dan door appellant is opgegeven. Dat zonder deze grond appellant de gebruiksnormen heeft overschreden in 2010 en 2011 en derhalve de opheffing van het verbod voor het op of in de bodem brengen van meststoffen niet geldt, is niet in geschil. Appellant heeft voorts geen gronden aangevoerd gericht tegen de mate van overschrijding van de gebruiksnormen of de hoogte van de boete.

7.1

Volgens vaste jurisprudentie onderzoekt de bestuursrechter ambtshalve of in een zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (zie de uitspraak van het College van 15 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:211). Het College stelt vast dat dit in de onderhavige zaak aan de orde is en overweegt in dat verband het volgende. In punitieve zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat deze termijn een aanvang neemt vanaf het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd, in dit geval 31 juli 2013, de datum waarop de voornemens tot boeteoplegging aan appellant zijn meegedeeld. Gelet op het feit dat de totale procedure ten tijde van de einduitspraak de termijn van vier jaar heeft overschreden met ongeveer twee en een halve maand, worden de vast te stellen boetes om die reden ieder met 5% gematigd. Dit betekent voor het onderhavige geval dat de boete zowel voor 2010 als voor 2011 op € 45.000 verminderd met 5% is € 42.750,- zal worden vastgesteld

7.2

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant in verband met beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden voor de behandeling van het hoger beroep vastgesteld op € 990,- op basis van 2 punten te weten, een beroepschrift (1 punt) en verschijnen ter zitting ( 1 punt).

Beslissing

Het College:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij de hoogte van de boetes is vastgesteld;

- stelt de hoogte van de boete voor het jaar 2010 en 2011 vast ieder op € 42.750,-

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 248,- vergoedt;

- veroordeelt de staatssecretaris in de door appellant in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 990-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2017.

w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk