Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:440

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
11/231
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Conservatoire maatregel
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regelng GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/231

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2017 in de [naam 1]

.M.A.F. van den Dungen, te [plaats] , appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Prijs).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2009 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 3 maart 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit deels herroepen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2011. Appellant is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Het College heeft het onderzoek vervolgens bij beslissing van 29 februari 2012 heropend naar aanleiding van de behandeling van soortgelijke zaken door een meervoudige kamer ter zitting van 14 maart 2012, in verband met het mogelijke belang van die behandeling voor de onderhavige zaak. De behandeling van die zaken heeft geleid tot de uitspraak van 24 oktober 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY2054, waarin het College aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) een prejudiciële vraag heeft voorgelegd inzake (kort gezegd) de wijze van vaststellen van de subsidiabele oppervlakte, meer in het bijzonder de verhouding tussen teledetectie en een fysieke veldinspectie. Het Hof heeft op 10 april 2014 arrest gewezen

(C-485/12).

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op het arrest te reageren. Appellant heeft hiervan gebruik gemaakt bij brief van 11 juli 2014. Verweerder heeft bij brief van 28 juli 2014 meegedeeld daarvan geen gebruik te maken.

Overwegingen

1. Appellant heeft verzocht om uitbetaling van zijn toeslagrechten over het jaar 2009 en heeft daartoe 10 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 14,51 ha opgegeven. Aan appellant is bij besluit van 16 november 2009 een voorschot toegekend van € 6.274,84.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de geconstateerde oppervlakte van alle percelen gezamenlijk op basis van een beoordeling van luchtfoto’s vastgesteld op 13,63 ha en de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 5.231,42. Dat heeft niet geleid tot terugvordering van bedrijfstoeslag, omdat in de gevallen waarin het uitbetaalde voorschot hoger was dan het verschuldigde bedrag besloten is om het teveel betaalde bedrag niet terug te vorderen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan de hand van een herbeoordeling van luchtfoto’s de oppervlakte van de gewaspercelen met de nummers 1,2, 3, 5 en 10 aangepast en de subsidiabele oppervlakte van de opgegeven percelen gezamenlijk nader vastgesteld op 13,7 ha.

3. In het beroep is door appellant het volgende aangevoerd.

De oppervlakte van de percelen is onjuist vastgesteld. Appellant betwijfeld of op basis van luchtfoto’s de subsidiabele oppervlakte kan worden vastgesteld. Hij trekt ook in twijfel dat die oppervlakte elk jaar kan wijzigen. De kaarten op internet zijn niet door hem ingetekend en geven geen goed beeld. Appellant heeft grond overgenomen van zijn vader A.J.A. van Dungen. Waar de percelen grenzen aan die van zijn vader zijn de percelen van zijn vader te groot vastgesteld, ten koste van de percelen van appellant. Hij stelt d dat uitgegaan moet worden van de kadastrale maten en dat verweerder de percelen moet komen opmeten.

4. Verweerder heeft aangevoerd dat het als lidstaat administratieve controles moet uitvoeren ten aanzien van steunaanvragen, waaronder de verificatie van subsidiabele oppervlakte. Daartoe moet de lidstaat een systeem voor identificatie van percelen opzetten. De in de verzamelaanvraag aangegeven gewaspercelen worden vergeleken met de in dat systeem opgenomen referentiepercelen. Aangezien de kaartlaag van de referentiepercelen voldoende nauwkeurig en actueel moet zijn, is in 2009 een nieuwe kaartlaag Agrarisch Areaal Nederland (AAN) ingevoerd. Daarbij zijn de perceelgrenzen nauwkeuriger dan voorheen langs diverse landschapselementen gelegd en zijn niet-subsidiabele delen daarbuiten gelaten. Weggelaten zijn onder meer water, paden en bermen. Aan de hand van de geactualiseerde referentielaag is de aanvraag bedrijfstoeslag 2009 van appellante opnieuw beoordeeld.

Aan de hand van de intekening van de percelen op de bedrijfskaart, de nieuwe referentiepercelen en de luchtfoto’s is de oppervlakte vastgesteld. De grenzen zijn gecorrigeerd voor wat betreft de niet-subsidiabele delen. Kadastrale oppervlaktes zijn niet maatgevend, nu daar de niet- subsidiabele elementen deel van uit kunnen maken. Metingen uit eerdere jaren worden niet overgenomen; een meting in een bepaald jaar heeft alleen betrekking op dat jaar. De beteelde oppervlakte kan namelijk ieder jaar verschillen. Voor het perceel van [naam 2] is rekening gehouden met de voor dat perceel opgegeven oppervlakte. Verweerder heeft foto’s overgelegd met daarop de door hem vastgestelde perceelgrenzen, zodat inzichtelijk is welke elementen, zoals paden en sloten niet zijn meegeteld.

5. Het College overweegt het volgende.

5.1

De geconstateerde oppervlakte is in het geval van de bedrijfstoeslagregeling de

oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan en gepaard gaat met een overeenkomstig aantal toeslagrechten. Het geschil spitst zich toe op de wijze waarop de geconstateerde oppervlakte is vastgesteld door verweerder.

5.2

Met zijn stelling dat de bedrijfskaarten geen goed beeld geven en niet door hem zijn ingetekend, miskent appellante naar het oordeel van het College dat het de verantwoordelijkheid van de landbouwer en dus van appellant is om de aanvraag juist in te vullen en de op de kaarten ingetekende percelen zo nodig te corrigeren.

5.3

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 972/2007 van de Commissie van 20 augustus 2007 luidde voor zover en ten tijde van belang als volgt:

“Artikel 23 – Algemene beginselen
1. De administratieve controles en de controles ter plaatse waarin deze verordening voorziet, worden zo uitgevoerd dat een doeltreffende verificatie wordt gegarandeerd van de naleving van de voorwaarden voor de steunverlening en van de eisen en normen die relevant zijn in het kader van de randvoorwaarden.

(…)

Artikel 24 – Kruiscontroles
1. De in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde administratieve controles maken de opsporing van onregelmatigheden, in het bijzonder de automatische opsporing daarvan met behulp van computermiddelen, mogelijk en omvatten kruiscontroles:
(…)

c) door de in de verzamelaanvraag aangegeven percelen landbouwgrond te vergelijken met de in het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond opgenomen referentiepercelen om na te gaan of de oppervlakten als zodanig voor steun in aanmerking komen
(…)
2. Uit de kruiscontroles voortvloeiende indicaties omtrent onregelmatigheden geven aanleiding geven tot een vervolgactie in de vorm van enige andere passende administratieve procedure en, zo nodig, een controle ter plaatse.”

5.4

Het College overweegt als volgt. In het arrest in de zaak C-485/12 (ECLI:EU:C:2014: 250) heeft het Hof overwogen dat artikel 24, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 bepaalt dat de constatering van onjuistheden in de aangifte van de landbouwer aanleiding geeft tot een vervolgactie in de vorm van enige passende administratieve procedure en zo nodig een controle ter plaatse. Dit geldt - ingevolge de doelstelling van artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 - ook als die onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen door een vergelijking tussen opgegeven percelen landbouwgrond en recente luchtbeelden die worden gebruikt voor actualisering van het systeem voor identificatie van de landbouwpercelen. Wordt een onregelmatigheid geconstateerd dan is het aan de bevoegde autoriteit om te beoordelen welke maatregelen dienen te worden genomen. Uit het voorgaande volgt dat de bevoegde autoriteit die geen enkele twijfel koestert over de meetgegevens die zij heeft ontleend aan de luchtbeelden waarover zij beschikt, in elk geval niet verplicht is om de betrokken percelen ter plaatse op te meten. Zou de bevoegde autoriteit in het geval zij een onregelmatigheid constateert altijd de percelen ter plaatse moeten meten, dan zou de beoordelingsruimte betekenisloos zijn, aldus het Hof.

5.6

Gelet op voornoemd arrest van het Hof van Justitie overweegt het College hieromtrent dat verweerder in dit geval, waarin hij geen enkele twijfel koesterde over de aan de luchtfoto’s ontleende meetgegevens, kon afzien van het houden van een veldinspectie en zich bij het vaststellen van de subsidiabele oppervlakte van de percelen van appellante uitsluitend kon baseren op de luchtfoto’s. Voor zover appellant stelt dat verweerder de percelen met een veldmeting had moeten komen opmeten, kan deze stelling niet slagen. Met de enkele verwijzing naar de kadastrale gegevens heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de subsidiabele oppervlakten van de percelen op grond van de luchtfoto’s onjuist heeft vastgesteld. Anders dan appellante meent, zijn de kadastrale maten niet maatgevend voor de bepaling van de subsidiabele oppervlakte.

5.7

Het College overweegt voorts nog dat de aanvraag om bedrijfstoeslag per jaar wordt beoordeeld en dat de situatie ter plaatse ieder jaar kan verschillen. De omstandigheid dat het resultaat van de aanvraag voor de uitbetaling van bedrijfstoeslag verschilt van voorgaande jaren leidt dus niet automatisch tot de vaststelling dat de bedrijfstoeslag voor 2009 onjuist is. Temeer niet nu verweerder in 2009 een nieuwe en nauwkeurigere kaartlaag (de AAN-laag) in gebruik heeft genomen ten behoeve van de controles van percelen en subsidiabele oppervlaktes.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van

Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A.G.J. van Ouwerkerk