Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:436

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
16/287
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Betalingsrechten. Inschrijving handelsregister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/287

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2017 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante,

en

de staatsecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 31 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017.

Voor appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1

Appellante heeft op 15 juni 2015 een Gecombineerde Opgave 2015 bij verweerder ingediend en toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015aangevraagd. Op die opgave heeft zij bij KvK-nummer vermeld “Geen”.

1.2

Appellante stond op 15 juni 2015 niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK).

1.3

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de aanvraag van appellante tot toewijzing van betalingsrechten 2015 afgewezen, omdat appellante op 15 juni 2015 niet als agrarisch ondernemer bij de KvK stond geregistreerd.

1.4

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de aanvraag voor de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling voor 2015 afgewezen, omdat appellante op

15 mei 2015 geen betalingsrechten in gebruik had.

2. Bij het bestreden besluit zijn beide primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder heeft uiteengezet dat appellante in 2015 geen actieve landbouwer was. In het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) worden geen rechtstreekse betalingen toegekend en betalingsrechten toegewezen aan natuurlijke en rechtspersonen van wie het zakelijk doel niet of nauwelijks gericht is op de uitoefening van landbouw. Om toegang te krijgen tot het GLB moest de aanvrager daarom in 2015 actief landbouwer zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013). In Nederland is deze eis verder ingevuld met de verplichting om uiterlijk 15 juni 2015 als landbouwer of als landbouwbedrijf in het handelsregister van de KvK ingeschreven te staan met als hoofd- of nevenactiviteit landbouw. Verweerder bepaalt aan de hand van de bij de KvK geregistreerde SBI-code of sprake is van een landbouwactiviteit. Een SBI-code die begint met 011, 012, 013, 014, 015 of 016 wordt gezien als landbouwactiviteit. Uit het handelsregister blijkt dat appellante op 15 juni 2015 niet was ingeschreven bij de KvK met een SBI-code met als hoofd- of nevenactiviteit landbouw.

3.1

Appellante voert aan al 30 jaar landbouwer te zijn met als enige inkomstenbron het bedrijf en zij stelt dus wel degelijk te voldoen aan de kwalificatie actieve landbouwer. Dit heeft zij onder andere aangetoond door in de Gecombineerde Opgave 2015 ook het grondgebruik, de dieraantallen en de werkuren door te geven. Verder voert appellante aan dat zij op geen enkele manier erop is gewezen dat er een verplichting bestond om op 15 mei 2015 een inschrijving bij de KvK te hebben en ook niet dat deze datum later is verlengd tot

15 juni 2015. Door de mededeling, tijdens het doen van de Gecombineerde opgave 2015, dat het KvK-nummer later doorgegeven kon worden, was zij van mening dat ook de inschrijving bij de KvK later nog kon geschieden. Appellante stelt dat zij ten onrechte is uitgesloten van betalingsrechten en de uitbetaling van de betalingsrechten en dat dit voor haar ook in de opvolgende jaren grote gevolgen heeft.

3.2

Appellante voert voorts aan dat achteraf bezien sprake is van een kennelijke fout, die zich heeft opgelost door het alsnog doorgeven van het KVK-nummer.

4. Het College overweegt als volgt.

4.1

Bij uitspraak van 27 september 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:314) heeft het College onder 5.2 geoordeeld dat de nationale regelgever met het door hem gestelde vereiste dat de landbouwer eerst dan als actieve landbouwer wordt aangemerkt en bijgevolg in aanmerking kan komen voor toekenning van betalingsrechten indien hij of diens onderneming op
15 juni 2015 is ingeschreven in het handelsregister binnen het kader van de aan hem op grond van het hier toepasselijke artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013 toegekende bevoegdheid is gebleven. Voorts heeft het College in die uitspraak onder 5.3 het vereiste dat de landbouwer eerst dan als actieve landbouwer wordt aangemerkt en bijgevolg in aanmerking kan komen voor toekenning van betalingsrechten indien hij of diens onderneming op 15 juni 2015 is ingeschreven in het handelsregister niet in strijd geacht met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Tot slot heeft het College onder 5.5 geoordeeld dat – kort gezegd – geen aanknopingspunt bestaat voor de conclusie dat artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling in strijd is met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel dat de nationale regelgever niet in redelijkheid tot de vaststelling daarvan heeft kunnen komen, en dat artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling niet onverbindend is.

4.2

Niet in geschil is dat appellante niet op 15 juni 2015 stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK en aldus niet als actieve landbouwer kan worden aangemerkt. De brief van de KvK van 10 augustus 2015 waarin appellante van harte welkom wordt geheten bij de KvK en haar is meegedeeld dat zij is ingeschreven in het handelsregister doet daaraan niet af, omdat zij op 15 juni 2015 moet staan ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Dat zij al wel beschikte over een RSIN-nummer, doet daaraan evenmin af, omdat, wat daar ook van zij, de Uitvoeringsregeling een inschrijving in het handelsregister van de KvK vereist. Zoals het College in zijn hiervoor onder 4.1 aangehaalde uitspraak onder 5.3 heeft overwogen, is Verordening 1307/2013 op 20 december 2013 in werking getreden en geldt vanaf 1 januari 2015 het onder meer in deze verordening neergelegde nieuwe wettelijke regime voor de toekenning van steun aan landbouwers. Voor marktdeelnemers voor wie deze verordening gevolgen had bestond aldus voldoende tijd om zich daarop voor te bereiden. In zijn nieuwsbrief van augustus 2014 heeft verweerder voorts erop gewezen dat een van de voorwaarden voor toekenning van betalingsrechten is dat het bedrijf met een agrarische activiteit moet staan ingeschreven bij de KvK. Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat de regelgeving haar onduidelijk was en dat verweerder haar niet juist heeft geïnformeerd over de verplichte inschrijving in het handelsregister bij de KvK en de daarvoor geldende termijnen, moet worden geoordeeld dat van appellante als professionele marktdeelnemer mag worden gevergd dat zij, indien zij haar positie onduidelijk achtte, zich hierover zou informeren bij verweerder. Dat heeft zij niet gedaan. Zoals het College in zijn onder 4.1 aangehaalde uitspraak onder 5.6 heeft overwogen, sluit het College op zichzelf niet uit dat zich zeer bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin de betrokkene op geen enkele manier erop bedacht hoeft te zijn dat zijn inschrijving buiten zijn schuld niet of niet langer correct in het handelsregister voorkomt. Van zodanige omstandigheden is in dit geval geen sprake, reeds omdat appellante zelf op de desbetreffende opgave bij KvK-nummer heeft vermeld “Geen” en voor verweerder louter in dat feit geen aanleiding hoefde te bestaan om aan te nemen dat hier sprake was van een kennelijke fout.

4.3

Voor zover appellante met haar betoog dat zij door het niet toewijzen van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, met betrekking tot het bestreden besluit een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. De voorwaarden voor toewijzing van betalingsrechten vloeien rechtstreeks voort uit artikel 24 van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 9 van die verordening en artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling. Nu appellante niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten af te wijzen. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging.

4.4

De conclusie is dat verweerder terecht geen betalingsrechten heeft toegewezen aan appellante.

4.5

Uit de artikelen 32, eerste lid, en 43, eerste lid, van Verordening 1307/2013 volgt dat een landbouwer die in aanmerking wil komen voor respectievelijk de basisbetaling en vergroeningsbetaling dient te beschikken over betalingsrechten. Aangezien appellante in 2015 niet beschikte over betalingsrechten, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen terecht afgewezen.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. W.M.J.A. Duret