Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:431

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/642
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten van de herstelwerkzaamheden ter uitvoering van de last onder bestuursdwang. Wet dieren. Geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het kostenbesluit. Omvang van het geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/642

11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F.L. Jagt).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de kosten van herstelwerkzaamheden ter uitvoering van de last onder bestuursdwang voor een bedrag van
€ 1.714, 27 bij appellant in rekening gebracht.

Appellant heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2017. Appellant is met voorafgaande kennisgeving daarvan niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 18 en 30 maart 2015 en 1 april 2015 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle verricht op het bedrijf van appellant, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in het toezichtrapport met nummer […] . Naar aanleiding van de bevindingen van de NVWA heeft verweerder geconcludeerd dat artikel 2.1 en 2.8, eerste lid, van de Wet dieren zijn overtreden. Verweerder heeft vervolgens aan appellant bij besluit van 3 april 2015 een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren.

1.2

Op 14 april 2015 hebben toezichthouders van de NVWA op het bedrijf van appellant een hercontrole uitgevoerd. Bij brief van 29 april 2015 heeft verweerder appellant meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de op 3 april 2015 opgelegde last. Naar aanleiding daarvan zijn de paarden van appellant door een dierenarts onderzocht en zijn de hoeven verzorgd. Daarnaast zijn er materialen aangeschaft voor de vachtverzorging van de paarden.

1.3

Bij besluit van 7 augustus 2015 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit tot opleggen van de last onder bestuursdwang van 3 april 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder de kosten van de herstelwerkzaamheden ter uitvoering van de last onder bestuursdwang van 3 april 2015 ter hoogte van € 1.714,27 bij appellant in rekening gebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire (kosten)besluit gehandhaafd.

1.5

Op 7 maart 2016 hebben toezichthouders van de NVWA wederom een controle verricht op het bedrijf van appellant, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in het toezichtrapport met nummer 91795. Naar aanleiding van de bevindingen van de NVWA heeft verweerder geconcludeerd dat artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, onder d en artikel 1.8, tweede en derde lid van het Besluit houders van dieren zijn overtreden. Op die datum heeft verweerder de dieren van appellant meegevoerd en opgeslagen. Bij besluit van 9 maart 2016 heeft verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 7 maart 2016, op schrift gesteld.

1.6

Bij besluit van 10 augustus 2016 is het bezwaar van appellant van 12 april 2016 tegen het toepassen van spoedbestuursdwang op 7 maart 2016 ongegrond verklaard. Bij besluit van
17 december 2016 heeft verweerder de kosten van de toepassing van spoedbestuursdwang voor een bedrag van € 13.895,59 bij appellant in rekening gebracht.

2. Het College stelt vast dat appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 7 augustus 2015, waarbij het bezwaar van appellant tegen het opleggen van de last onder bestuursdwang ongegrond is verklaard. Daarom heeft dit besluit als rechtmatig te gelden. Appellant heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de hoogte van de met de uitvoering van deze last onder bestuursdwang gemoeide kosten, zoals vastgesteld bij het primaire besluit en gehandhaafd bij het bestreden besluit. Het College is niet gebleken dat het bestreden besluit op een ambtshalve grond onrechtmatig geoordeeld moet worden. Daarom dient het beroep ongegrond te worden verklaard

3. Ten aanzien van de gronden die appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de toepassing van spoedbestuursdwang op 7 maart 2016 overweegt het College dat de gronden die hierop zien buiten de omvang van het geding vallen en daarom niet inhoudelijk worden besproken. Dit beroep heeft immers alleen betrekking op de kosten van de uitvoering van de last onder bestuursdwang van 3 april 2015. Om dezelfde redenen blijven de gronden die appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het kostenbesluit van 17 december 2016, dat ziet op de uitvoering van deze spoedbestuursdwang, buiten bespreking. Deze gronden hebben betrekking op de besluiten van 10 augustus 2016 en 17 december 2016, waartegen appellant geen rechtsmiddelen heeft ingesteld, ondanks dat verweerder dit laatste besluit zowel naar appellant als naar zijn voormalige gemachtigde, E. Bastiaan, heeft verstuurd en deze tevens heeft gewezen op het besluit van 10 augustus 2016.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2017.

w.g. J.L. Verbeek w.g. A. El Markai