Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:425

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
04-02-2018
Zaaknummer
16/335
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun, betalingsrechten. In 2013 geen rechtstreekse betaling ontvangen van minimaal 500,-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/335

5111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluiten van 29 december 2015 en 31 december 2015 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van appellant om toewijzing van betalingsrechten respectievelijk de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling afgewezen voor het jaar 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2017. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Appellant is een landbouwer die zijn bedrijf in 2008 van zijn ouders heeft overgenomen. De gronden verkeerden destijds in slechte staat, zodat appellant zijn percelen in 2013 heeft ingezaaid met luzerne voor structuurverbetering. Vanaf 2015 heeft appellant weer normaal pootaardappelen, uien en luzerne kunnen verbouwen. Op 29 april 2015 heeft appellant op grond van de Uitvoeringsregeling toewijzing van betalingsrechten en uitbetaling van deze betalingsrechten en de vergroeningsregeling voor 2015 aangevraagd.

1.2.

Bij de primaire besluiten heeft verweerder de aanvragen van appellant afgewezen. Volgens verweerder heeft appellante geen recht op betalingsrechten, omdat appellant in 2013 geen recht had op een directe betaling van minimaal € 500,- vanuit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), hij niet minimaal 0,3 hectare groente, fruit (inclusief wijngaard), pootaardappelen, consumptieaardappelen, siergewassen of bollen heeft geteeld in 2013 en verweerder niet voor appellant heeft kunnen vaststellen dat hij in 2013 landbouwactiviteiten heeft uitgeoefend of verweerder wel voor appellante heeft kunnen vaststellen dat hij in 2013 landbouwactiviteiten heeft uitgeoefend maar dat hij toeslagrechten in eigendom of gebruik heeft gehad. Nu appellant op 15 mei 2015 geen betalingsrechten in gebruik had dient ook het betalingsverzoek van appellant te worden afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze besluiten gehandhaafd.

2. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen betalingsrechten heeft toegewezen, omdat hij heeft voldaan aan de voorwaarden die op de website van verweerder stonden aangegeven. De website rept niet over aanvullende voorwaarden waaraan appellant niet zou hebben voldaan. Voorts is het voor appellant onbegrijpelijk dat hij eerst op 5 augustus 2014 is geïnformeerd over wijzigingen in de regelgeving die tot gevolg hebben dat hij in 2013 aan bepaalde voorwaarden moest voldoen. Indien appellant had geweten dat hij in 2013 een bepaald gewas had moeten telen had hij anders gehandeld dan hij heeft gedaan. Door de regels achteraf te wijzigingen heeft hij hier niet op kunnen anticiperen. Verder heeft appellant aangevoerd dat uit de toelichting van de Uitvoeringsregeling volgt dat al het landbouwareaal in aanmerking komt voor betalingsrechten en dat dit vanaf 2015 ook geldt voor telers van consumptie- en pootaardappelen. Appellant heeft in 2015 pootaardappelen geteeld, zodat hij recht heeft op betalingsrechten. Voor appellant is het verkrijgen van betalingsrechten van wezenlijk belang omdat het 25% van zijn inkomsten betreft.

3. Het College komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Bij uitspraak van 9 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:316, heeft het College, kort samengevat, geoordeeld dat ingevolge artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (Verordening 1307/2013) alleen dan betalingsrechten worden toegewezen aan landbouwers indien zij, voordat een verlaging en uitsluiting wordt toegepast, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag voor 2013 recht hadden op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-. Voorts heeft het College in die uitspraak geoordeeld dat de in genoemde bepaling neergelegde keuze van de Uniewetgever, ook indien deze keuze wordt beschouwd tegen de achtergrond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, niet tot onevenredige gevolgen leidt.

3.2.

Appellant had voor 2013 geen recht op betaling van een rechtstreekse betaling van minimaal € 500,-, naar aanleiding van een daartoe ingediende steunaanvraag, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op grond van artikel 24, eerste lid, eerste alinea en onder b, van Verordening 1307/2013 niet in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten.

3.3.

Appellant heeft niet bestreden het standpunt van verweerder dat hij niet uiterlijk
15 mei 2013 ten minste 0,3 hectare fruit, groente, consumptie- en/of pootaardappelen of siergewassen heeft geteeld of een wijngaard van ten minste 0,3 ha heeft geëxploiteerd, zodat appellant evenmin op grond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder a, sub i, van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten. Met verweerder is het College voorts van oordeel dat appellant evenmin op grond van artikel 24, eerste lid, derde alinea en onder c, van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling, in aanmerking komt voor toewijzing van betalingsrechten, nu appellant in 2008 en 2009 toeslagrechten in eigendom heeft gehad.

3.4.

Het betoog van appellant dat de regelgeving en de communicatie hierover door verweerder onvoldoende helder is geweest faalt. Verordening 1307/2013 is op
20 december 2013 in werking getreden en het nieuwe wettelijke regime voor de toekenning van steun aan landbouwers geldt vanaf 1 januari 2015. Voor marktdeelnemers voor wie deze verordening gevolgen had, bestond daarom voldoende tijd om zich daarop voor te bereiden (zie de uitspraak van 6 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:68, rechtsoverweging 11.3). Ook heeft verweerder appellant diverse malen bij brieven en brochures op de hoogte gebracht van de veranderingen in het GLB per 1 januari 2015. Van onvolkomenheden in die informatievoorziening is naar het oordeel van het College geen sprake. Voor zover appellant aanvoert dat hij in 2014 niet kon anticiperen op het feit dat 2013 bepalend zou zijn voor de toewijzing van betalingsrechten in 2015 en dat hij nu onevenredig wordt getroffen, moet worden geoordeeld dat dit een consequentie is van de bewuste keuze van de Uniewetgever voor een referentiejaar dat in het verleden lag en dus niet meer kon worden beïnvloed door de landbouwer. Voor zover appellant onder verwijzing naar de toelichting op de Uitvoeringsregeling aanvoert dat al het landbouwareaal in aanmerking komt voor betalingsrechten, moet worden geoordeeld dat die verwijzing uitgaat van een onjuiste lezing van die toelichting. De passage waar appellant op doelt ziet op de uitbetaling van de basisbetaling; niet op de toewijzing van betalingsrechten. Dat, zoals ook in die toelichting staat, telers van onder meer consumptie- en pootaardappelen ook het recht krijgen betalingsrechten aan te vragen, laat onverlet dat ook zij aan de daartoe gestelde eisen moeten voldoen om betalingsrechten toegewezen te krijgen. Dat, zoals appellant aanvoert, hij volgens de GLBcheck wel recht op betalingsrechten had, kan hem niet baten, reeds omdat, zoals verweerder onvoldoende weersproken heeft uiteengezet, de simulatie van de bedrijfsgegevens in de GLBcheck landbouwers een beeld kan geven hoe de directe inkomenssteun van het GLB voor hun bedrijf uitwerkt en dat aan dat systeem geen rechten kunnen worden ontleend. Volgens verweerder is het geen systeem om te controleren of een landbouwer voor toewijzing van betalingsrechten in aanmerking komt, maar meer een systeem om te berekenen wat het nieuwe GLB voor het bedrijf van de landbouwer betekent op basis van eerdere inkomenssteun en bijvoorbeeld het teeltplan.

3.5

Voor zover appellant met zijn betoog dat hij door het niet toewijzen van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, met betrekking tot het bestreden besluit een beroep op het evenredigheidsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft willen doen, kan dit niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden, wordt ingevolge het eerste lid van dit artikel beperkt voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. De voorwaarden voor toewijzing van betalingsrechten vloeien rechtstreeks voort uit artikel 24 van Verordening 1307/2013. Nu appellant niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om toewijzing van betalingsrechten af te wijzen. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging.

3.6

De conclusie is dat verweerder terecht geen betalingsrechten heeft toegewezen aan appellant.

4. Uit de artikelen 32, eerste lid, en 43, eerste lid, van Verordening 1307/2013 volgt dat een landbouwer die in aanmerking wil komen voor respectievelijk de basisbetaling en vergroeningsbetaling dient te beschikken over betalingsrechten. Aangezien appellant in 2015 niet beschikte over betalingsrechten, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen terecht afgewezen.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.

w.g. A. Venekamp w.g. S.M. van Ditmarsch