Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:422

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-10-2017
Datum publicatie
04-02-2018
Zaaknummer
17/1402
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gerede twijfel over de juistheid opgaven van een bestuurswisseling en adreswijziging. Artikel 5, tweede lid, onder e, van het Handelsregisterbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/1402

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats 1] , stellende te handelen namens [naam 2] , te [plaats 1] , verzoeker

en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. E. Goos).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [naam 3] , te [plaats 2] en [naam 4] , te [plaats 3] .

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van een bestuurswisseling van [naam 2] alsmede de wijziging van het bezoekadres van [naam 2] .

Bij besluit van 28 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het door verzoeker gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht en de voorzieningenrechter onder meer verzocht bij wijze van voorlopige maatregel te bepalen dat verzoeker voor de duur van de bodemprocedure wordt ingeschreven als voorzitter van [naam 2] , dat het adres van [naam 2] in het handelsregister wordt gewijzigd, dat verzoeker alle rechten en verplichtingen toekomen die de wet en de statuten van [naam 2] aan een bestuurder toekennen en te bepalen dat het [naam 2] dan wel haar leden verboden is om gedurende de looptijd van de voorziening ledenvergaderingen te houden waarbij over een vertrek van de voorzitter wordt gesproken.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

[naam 3] en [naam 4] hebben een reactie op het verzoekschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2017. Verzoeker is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. [naam 3] en [naam 4] zijn eveneens verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

[naam 2] is een vereniging die zich ingevolge artikel 2 van haar statuten ten doel stelt de belangen van ex-Bondhouders in [naam 6] cum suis te behartigen ten einde compensatie te bewerkstelligen voor het door hen geleden verlies alsmede het achterhalen van onrechtmatigheden bij de oprichting van [naam 5] N.V. ten einde compensatie te verkrijgen voor de door hen bij oprichting geleden schade.

2.2

In het handelsregister staan thans geen personen geregistreerd als bestuurders van [naam 2] .

2.3

Bij het primaire besluit heeft verweerster besloten tot inschrijving in het handelsregister van de opgaven gedaan door [naam 4] van 16 februari 2017 van de uittreding van verzoeker per 29 november 2016 en de toetreding van [naam 4] en [naam 3] als nieuwe bestuurders van [naam 2] per 11 februari 2017, alsmede de wijziging van het bezoekadres van [naam 2] in [adres] , [plaats 3] (het adres van [naam 4] ) per genoemde datum.

2.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar voor zover het betreft de uitschrijving van verzoeker als bestuurder alsmede de adreswijziging ongegrond verklaard en voor wat betreft de inschrijving van [naam 4] en [naam 3] als bestuurders gegrond verklaard. Ten aanzien van de opgave van de terugtreding van verzoeker heeft verweerster overwogen dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1989 (NJ 1990, 452), er geen gerede twijfel is over de juistheid van de inschrijving van de uittreding van verzoeker als bestuurder per 29 november 2016. Uit dit arrest volgt volgens verweerster dat een ontslagname een eenzijdige rechtshandeling is, die geen bevestiging behoeft. Voor het intreden van het rechtsgevolg is slechts nodig is dat de uiting gericht was aan de rechtspersoon en deze ook heeft bereikt. Dat dit het geval was blijkt volgens verweerster uit het e-mailbericht van verzoeker aan het bestuur van [naam 2] van 29 november 2016 en de verklaring van verzoeker ter hoorzitting. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker zijn ontslag tijdig heeft ingetrokken dan wel de algemene ledenvergadering is overgegaan tot een herbenoeming van verzoeker als bestuurder.

3. Verzoeker stelt in beroep - samengevat weergegeven - dat voornoemd arrest van de Hoge Raad niet zonder meer van toepassing is op een vereniging, maar dat zulks dient te worden bezien in relatie tot de feitelijke situatie. Verzoeker stelt dat het toenmalig bestuur van [naam 2] zijn eenzijdig ontslag heeft geweigerd en om die reden de kwestie heeft voorgelegd aan de algemene ledenvergadering van 17 december 2016 die op haar beurt heeft geoordeeld dat verzoeker het enig bestuurslid van [naam 2] is. Immers, het voorstel zonder verzoeker verder te gaan is door de leden verworpen en de daaraan gekoppelde conclusie dat bij verwerping verzoeker als enig bestuurslid verder gaat dient te worden aangemerkt als een herbevestiging dan wel herbenoeming van het voorzitterschap van verzoeker. Tot slot betoogt verzoeker dat, ondanks het feit dat verweerster gerede twijfel heeft ten aanzien van de opgave tot inschrijving van [naam 4] als bestuurder, zij ten onrechte toch heeft besloten dat het adres van [naam 2] het adres van [naam 4] dient te zijn.

4.
Verweerster stelt zich op het standpunt dat verzoeker onbetwist per 29 november 2016 is teruggetreden als bestuurder van [naam 2] . Het feit dat er leden zijn met een bepaalde, andere beleving doet daar niet aan af. De casus in het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1989 betreft weliswaar een bestuurder van een besloten vennootschap, maar de gevolgde redenering is zonder meer toepasbaar op het verenigingsrecht. Immers ook daar is sprake van een bestuur dat in beginsel wordt benoemd en ontslagen door een ander, uitsluitend daartoe bevoegd orgaan; de algemene ledenvergadering. Tot slot stelt verweerster dat zij de adreswijziging in stand heeft gelaten, opdat communicatie met de vereniging mogelijk blijft.

5. [naam 3] en [naam 4] onderschrijven voornoemde standpunten van verweerster.

6.1

Ten aanzien van het spoedeisend belang in de zin van artikel 8:81 van de Awb oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Verzoeker heeft aangevoerd dat [naam 2] door het bestreden besluit bestuurloos is en haar bankrekening is geblokkeerd omdat hij niet kan aantonen wie nu het feitelijk het bestuur over [naam 2] voert. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem verzochte voorziening.

6.2

Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn ingediend door [naam 2] en ondertekend door verzoeker als voorzitter van [naam 2] , terwijl partijen in dit geding van mening verschillen over de vraag of verzoeker nog wel voorzitter van [naam 2] is. Aangezien de beslissing over die vraag niet aan de bestuursrechter is en verzoeker heeft aangegeven dat,

in geval de ontvankelijkheid van het door [naam 2] ingediende beroep en verzoek om voorlopige voorziening op problemen zou stuiten, hij geacht wilde worden ze voor zichzelf te hebben ingediend, beschouwt de voorzieningenrechter het verzoek als een door verzoeker in persoon ingediend, en ontvankelijk verzoek.

6.3

Met betrekking tot de vraag of in de onderhavige kwestie grond bestond voor gerede twijfel over de juistheid van de opgaven van de uittreding van verzoeker als bestuurder van [naam 2] per 29 november 2016 overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6.4

Het Handelsregisterbesluit 2008 bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Artikel 5

1. (…)

2. De Kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien:

(…)

e. de Kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.

(…)”

6.5

De statuten van [naam 2] , voor zover hier van belang, luiden als volgt:

“Artikel 19
1. Het ter algemene vergadering uitgesproken oordeel van de voorzitter omtrent de uitslag van een stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit voor zover gestemd werd over een niet schriftelijk vastgesteld voorstel.

2. Wordt echter onmiddellijk na het uitspreken van een in het vorige lid bedoeld oordeel de juistheid van ervan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, indien de meerderheid van de vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming.

3. Voor zover de statuten of de wet niet anders bepalen worden alle besluiten van de algemene ledenvergadering genomen met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

4. Ongeldige en blanco stemmen worden beschouwd als niet te zijn uitgebracht.

(…)”

6.6

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker bij e-mailbericht van 29 november 2016 aan het bestuur van [naam 2] te kennen heeft gegeven te willen terugtreden als voorzitter van [naam 2] en het bestuur heeft verzocht hem uit het handelsregister uit te schrijven. Bij
e-mailbericht van 1 december 2016 heeft het toenmalige bestuur in reactie hierop verzoeker bericht niet akkoord te gaan met de opzegging, echter bereid te zijn de terugtreding te accepteren nadat de relevante dossiers en de lopende zaken zijn overgedragen. De voorzieningenrechter overweegt dat uit voornoemd arrest van de Hoge Raad van
8 december 1989 volgt dat een statutair bestuurder van een besloten vennootschap eenzijdig zijn functie kan neerleggen. Aanvaarding van het ontslag door de algemene vergadering van aandeelhouders is geen vereiste voor de effectuering daarvan. Wel is vereist dat de verklaring omtrent de ontslagneming tot de vennootschap wordt gericht, terwijl die verklaring om effect te hebben de vennootschap moet hebben bereikt. De verklaring heeft de vennootschap bereikt indien deze haar heeft vernomen of onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs had kunnen vernemen. In dat geval krijgt het ontslag direct externe werking jegens derden en is het ontslag een feit geworden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerster heeft kunnen aannemen dat het feit, dat het hier niet om een vennootschap maar om een vereniging gaat, geen grond oplevert om aan te nemen dat dat in dit geval anders zou zijn. Gelet hierop is voor de werking van het ontslag van verzoeker niet vereist dat het bestuur het ontslag van verzoeker heeft geaccepteerd, zodat de uitgesproken weigering niet aan het inwerkingtreden van het ontslag in de weg kan hebben gestaan. Bovendien staat vast dat het terugtreden van verzoeker tijdens de algemene ledenvergadering van 17 december 2016 besproken is en dat verzoeker, die ter vergadering aanwezig was, de ontslagname op zichzelf daar niet heeft ontkend. Onder de geschetste feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, moet er voorlopig oordelend van worden uitgegaan dat verzoeker zelf (rechtsgeldig) ontslag heeft genomen als bestuurslid van [naam 2] en dat zijn besluit daartoe de vereniging ook heeft bereikt, zodat hij geen voorzitter meer is.

6.7

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat uit het verslag van de algemene ledenvergadering van 17 december 2016, die door een der leden werd voorgezeten, blijkt dat op die vergadering aan de aanwezige leden gevraagd is te kiezen tussen de volgende twee voorstellen:

“1. Rood: de heer [naam 1] gaat alleen verder zonder de rest van het bestuur, en formeert een nieuw bestuur.

2. Groen: het “oude bestuur” gaat verder zonder de heer [naam 1] .”

Uit het verslag blijkt dat bij een tweede stemming 22 leden voor voorstel rood, 23 leden voor voorstel groen en 10 leden blanco hebben gestemd. Gelet op het bepaalde in artikel 19, derde en vierde lid, van de statuten is voorstel groen met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen aangenomen. Gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de statuten kan na de vergadering geopende discussie over de vraag of de stemmen wel correct geteld zijn, geen consequentie meer hebben voor de in die vergadering genomen besluiten. Nu geen nieuwe stemming heeft plaatsgevonden houdt de voorzieningenrechter het er op grond van het voorgaande dan ook voor, dat in de ledenvergadering van 17 december 2016 besloten is dat het ‘oude bestuur’ verder gaat zonder verzoeker. Onder deze omstandigheden heeft verweerster zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de algemene ledenvergadering is overgegaan tot een herbenoeming van verzoeker als voorzitter.

7. Er is dan ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende reden om aan te nemen dat verweerster op goede gronden de opgave van 16 februari 2017 van de uittreding van verzoeker als bestuurder van [naam 2] per 29 november 2016 in het handelsregister heeft ingeschreven.

8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening en de daartoe strekkende verzoeken worden daarom afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het lage griffierecht op het verzoek om voorlopige voorziening van toepassing te verklaren nu verzoeker geacht moet worden als natuurlijk persoon het verzoek om voorlopige voorziening te hebben ingediend. Het door verzoeker teveel betaalde bedrag aan griffierecht dient te worden teruggestort.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. A. El Markai

Afschrift verzonden aan partijen op: