Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:414

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
16/836
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Ontbreken handtekening bezwaarschrift, maar bij verweerder bestond geen enkele twijfel over de identiteit van appellant als indiener bezwaar. Niet in redelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring overgegaan. Voorts ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 5:31c, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/58 met annotatie van R. Ortlep
NJB 2018/326
Gst. 2018/89 met annotatie van W.P. Adriaanse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/836

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. P.H.K. Ruding),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. K.K.E. Blom).

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het besluit tot toepassing van spoedbestuursdwang op 25 augustus 2015 wegens overtreding van de Wet dieren op schrift gesteld.

Bij besluit van 23 november 2015, bekend gemaakt op 12 september 2016, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 juli 2016 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving bij appellant in rekening gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2017.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Op 25 augustus 2015 hebben agenten van de (dieren)politie in opdracht en aanwezigheid van een hulpofficier van justitie/inspecteur van politie een hond uit de woning van appellant gehaald. Blijkens het hiervan door de districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), die daarbij niet aanwezig was, opgemaakte toezichtrapport van 28 augustus 2015 zijn, samengevat weergegeven, de volgende constateringen gedaan.
In de woning van appellant zag een agent een sterk vermagerde hond, een Duitse herder, die naar haar mening dringend veterinaire zorg nodig had. De agenten hebben daarop de hond overgebracht naar een dierenartsenpraktijk te [plaats] . De dierenarts heeft vastgesteld dat de hond uitgemergeld en uitgedroogd was. De dierenarts was van mening dat aan de hond al geruime tijd de nodige (medische) zorg was onthouden en dat de hond niet terug kon naar appellant. De districtsinspecteur van de LID heeft vervolgens de hond in het kader van de toepassing van spoedbestuursdwang op 25 augustus 2015 met meegevoerd en in bewaring genomen.

1.2 Bij het primaire besluit heeft verweerder het besluit tot toepassing van deze spoedbestuursdwang op schrift gesteld.

1.3 Op 9 september 2015 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

1.4 Bij brief van 22 september 2015 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en appellant in de gelegenheid gesteld binnen vier weken zijn bezwaarschrift te ondertekenen. Daarbij heeft verweerder vermeld dat appellant daarmee kan voorkomen dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. Op 29 oktober 2015 is er telefonisch contact geweest tussen een medewerkster van het team Handhaving van de afdeling Juridische Zaken van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en appellant. In dit telefoongesprek wordt duidelijk dat voornoemde brief van 22 september 2015 onjuist was geadresseerd en wordt aan appellant toegezegd dat de brief opnieuw aan hem wordt verstuurd. Dit wordt aan appellant bevestigd per e-mail van 29 oktober 2015.

1.5 Bij brief van 2 november 2015 stelt verweerder appellant in de gelegenheid binnen twee weken het bezwaarschrift ondertekend toe te sturen. Hierbij is vermeld dat appellant hierdoor kan voorkomen dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het door appellant ingediende bezwaarschrift niet voldoet aan de eis van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) dat het bezwaarschrift moet worden ondertekend, en dat appellant, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, dit gebrek niet heeft hersteld.

2.1 Het bestreden besluit blijkt onjuist te zijn geadresseerd. Op 12 september 2016 is het bestreden besluit per e-mail verzonden naar de gemachtigde van appellant.

2.2 Met het kostenbesluit heeft verweerder de kosten van het toepassen van de spoedbestuursdwang voor een bedrag van € 1.500,95 bij appellant in rekening gebracht.

3. Appellant voert aan dat het bestreden besluit niet (op de juiste wijze) aan hem bekend is gemaakt en daarom de beroepstermijn niet eerder is gaan lopen.
Appellant betoogt dat hij geen correspondentie van verweerder heeft ontvangen aangaande zijn bezwaarschrift en hem nimmer de mededeling heeft bereikt dat niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaar zou volgen. Daarnaast heeft volgens appellant meerdere keren (inhoudelijk) contact plaatsgevonden met verweerder over zijn bezwaren. Verweerder heeft het bezwaarschrift dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en had het bezwaar inhoudelijk moeten beoordelen, aldus appellant.

3.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit alsnog op de juiste wijze bekend is gemaakt door toezending hiervan per e-mail naar de gemachtigde van appellant.
Verweerder stelt voorts dat zowel tijdens het telefoongesprek op 29 oktober 2015, de daarna verstuurde e-mail naar appellant ter bevestiging hiervan, als in de brief van 2 november 2015 is aangegeven dat appellant het verzuim diende te herstellen om niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschrift te voorkomen. Daarmee is appellant volgens verweerder voldoende gewezen op de herstelmogelijkheid en heeft hij, nu appellant hiervan geen gebruik heeft gemaakt, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

Ingevolge artikel 6:6, onder a, van de Awb kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van bezwaar of beroep.

Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

5. Vaststaat dat het bestreden besluit aanvankelijk onjuist was geadresseerd en dit besluit eerst door de toezending daarvan aan (de gemachtigde van) appellant op 12 september 2016 op de juiste wijze bekend is gemaakt en in werking is getreden. Hieruit volgt, zoals tussen partijen ook niet in geschil is, dat appellant met het op 26 september 2016 ingediende beroepschrift tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit.

5.1 Vaststaat voorts dat verweerder binnen de bezwaartermijn geen ondertekend bezwaarschrift heeft ontvangen, zoals voorgeschreven in artikel 6:5, eerste lid, van de Awb, noch deze heeft ontvangen binnen de gestelde termijn om dit verzuim te herstellen. De stelling van appellant ter zitting dat hij een ondertekend bezwaarschrift heeft verstuurd, heeft hij niet onderbouwd met bewijsstukken.

Het College ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn uit artikel 6:6, onder a, van de Awb volgende bevoegdheid om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.2 Het College overweegt dat de ondertekening van een bezwaarschrift dient als bewijs dat het geschrift daadwerkelijk door de indiener is opgesteld. In navolging van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie uitspraak van 4 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2705 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2017:2705)) oordeelt het College dat een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege blijft, indien de identiteit van de indiener van het bezwaar op andere wijze kan worden vastgesteld of aan diens identiteit niet hoeft te worden getwijfeld.

5.3 Blijkens het bezwaarschrift en het verhandelde ter zitting heeft appellant reeds voor het indienen van zijn bezwaarschrift telefonisch contact gehad met verweerder over de toegepaste spoedbestuursdwang, waarbij de zaak ook inhoudelijk is besproken. Verweerder heeft ter zitting erkend dat door appellant is getracht mondeling bezwaar te maken tegen het primaire besluit. Verweerder heeft appellant daarop te kennen gegeven dat hij zijn bezwaren schriftelijk moest indienen.
Na het indienen van het bezwaarschrift heeft op 29 oktober 2015 telefonisch contact tussen verweerder en appellant plaatsgevonden. Blijkens de hiervan opgemaakte telefoonnotitie zijn ook tijdens dit gesprek de bezwaren van appellant inhoudelijk besproken. Na dit telefoongesprek heeft verweerder appellant dezelfde dag nog een e-mail gestuurd op het e-mailadres zoals opgenomen in het bezwaarschrift, in welk adres de naam van appellant is opgenomen. In deze e-mail vraagt verweerder appellant niet alleen om zijn handtekening, maar ook om stukken van zijn dierenarts dan wel andere stukken waaruit blijkt dat zijn hond door een dierenarts werd behandeld.

5.4 Gezien deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het College de conclusie gerechtvaardigd dat niet behoefde te worden getwijfeld aan de identiteit van appellant als indiener van het bezwaarschrift. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting ook bevestigd dat bij hem geen twijfels bestonden omtrent de identiteit van appellant. Daarbij heeft verweerder aangegeven alleen te hebben gekozen voor niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, omdat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de gegeven mogelijkheid zijn bezwaarschrift alsnog ondertekend in te dienen. Nu verweerder uitsluitend om deze formele reden tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van appellant is overgegaan, terwijl aan diens identiteit niet behoefde te worden getwijfeld, is het College van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het bezwaarschrift van appellant niet-ontvankelijk te verklaren.

5.5 Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en dit besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Gelet op de aard van het gebrek, namelijk het niet inhoudelijk behandelen van het bezwaar van appellant en daarmee het ontbreken van een heroverweging van het primaire besluit als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, ligt het toepassen van een bestuurlijke lus niet voor de hand. Het College betrekt hierbij mede hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot het kostenbesluit. Het College ziet dan ook aanleiding om verweerder opdracht te geven een nieuw besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Kostenbesluit

6. Ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep tegen de last onder bestuursdwang mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

6.1

Het College overweegt dat verweerder bij besluit van 8 juli 2016 de kosten van de bestuursdwang heeft vastgesteld en bij appellant in rekening heeft gebracht. Op dat moment was, zoals hierboven uiteengezet, het bestreden besluit nog niet aan appellant bekend gemaakt en derhalve nog niet in werking getreden. Dit betekent dat de bezwaarprocedure op het moment dat het kostenbesluit werd genomen, nog niet was afgerond. Ingevolge artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb had het bezwaar van appellant derhalve mede betrekking op het kostenbesluit.

6.2

Het College stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit, zoals bekendgemaakt op 12 september 2016, niet heeft beslist op het bezwaar van appellant tegen het kostenbesluit. Verweerder heeft daarmee ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb. Ook om deze reden is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

6.3

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het bestreden besluit is overwogen, ziet het College aanleiding om verweerder opdracht te geven alsnog te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het kostenbesluit. Bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit dient dan eveneens overeenkomstig artikel 7:11, eerste lid, van de Awb een heroverweging van het kostenbesluit plaats te vinden.

Conclusie

7. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het College zal verweerder opdracht geven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7.1

Tan aanzien van het kostenbesluit heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 7:31c, van de Awb. Het College zal verweerder opdracht geven alsnog te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het kostenbesluit.

8. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit en het kostenbesluit met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant/e/en tot een bedrag van
€ 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. Verhoeven