Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:39

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
16/47
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanzeggen maatregelen om verspreiding van bacterie te voorkomen. Taakverdeling minister en staatssecretaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

32100

zaaknummer: 16/47

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2017 in de zaak tussen

maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.R. Plug),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2015 (primaire besluit) heeft verweerder in verband met de op het bedrijf van appellante geconstateerde bacterie Ralstonia solanacearum aan appellante een aantal maatregelen aangezegd om verspreiding hiervan te voorkomen.

Bij besluit van 7 december 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het door appellante tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Appellante is, zoals bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante exploiteert een rozenkwekerij. Op 18 augustus 2015 is appellante er mee bekend geworden dat in de door haar geteelde rozen van het ras Armando de bacterie Ralstonia solanacearum (Rs) is aangetoond. Hiervan heeft appellante op diezelfde datum bij verweerder melding gemaakt. Bij het primaire besluit heeft verweerder de planten waarin voornoemde bacterie is aangetoond of waarin de aanwezigheid van de bacterie op basis van visuele symptomen wordt vermoed, besmet verklaard. Om verspreiding van de bacterie te voorkomen heeft verweerder appellante daarbij op grond van de artikelen 3, 4, 5, en 6 van het Besluit bestrijding schadelijke organismen (Besluit) ten aanzien van alle Rosa planten op het bedrijf van appellante voor zover van belang het volgende aangezegd:

“1. U dient frequent de op uw bedrijf aanwezige Rosa planten te inspecteren op symptomen van Ralstonia solanacearum. Planten met symptomen dienen direct te worden verwijderd om verdere verspreiding van de bacterie te voorkomen. Deze planten met symptomen worden als besmet aangemerkt. Dit in overleg en met toestemming van de inspecteur van de NVWA.
2. U bent verplicht om de als besmet aangemerkte planten op fytosanitair verantwoorde wijze te vernietigen volgens een door de NVWA goedgekeurde methode op een door de NVWA goedgekeurde bestemming.
(…)
4. De als waarschijnlijk besmet aangemerkte partijen Rosa planten mogen uitsluitend, na toestemming en onder toezicht van de inspecteur, worden vernietigd of worden afgezet voor directe levering aan de consument als plant of snijbloem. Afzet dient plaats te vinden naar hiervoor door de inspecteur van de NVWA geschikt bevonden afnemers.

(…).”

1.2.

Op 23 september 2015 is de bacterie Rs aangetoond in de door appellante geteelde rozen van het ras Formula One. Appellante heeft verweerder hiervan op 7 oktober 2015 op de hoogte gesteld. Appellante heeft verweerder er verder van op de hoogte gesteld dat de rozen van het ras Armando in september zijn geruimd.

1.3.

Appellante heeft op 12 oktober 2015 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft aangevoerd dat het voor haar onduidelijk is in welke rassen de bacterie is aangetoond, zodat zij niet weet of zij slechts de planten van de rassen Armando en Formula One dan wel alle planten moet vernietigen.

1.4.

Bij brief van 3 november 2015 heeft appellante aan verweerder te kennen gegeven dat op 26 oktober 2015 definitief is vastgesteld dat ook de rozen van het ras Formula one besmet zijn met de bacterie Rs. De rozen van het besmette ras Armando heeft appellante reeds in september geruimd en gestoomd. Appellante denkt aan twee manieren om het gewas te ruimen en vraagt verweerder om zijn voorkeur aan te geven. Verweerder heeft op
12 november 2015 gereageerd en te kennen gegeven dat met beide manieren een goede uitvoering wordt gegeven aan het primaire besluit en dat het aan appellante is om een keuze te maken.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in het primaire besluit een onderscheid is gemaakt tussen besmette en waarschijnlijk besmette planten. De besmet verklaarde planten moeten worden vernietigd. Voor de waarschijnlijk besmette planten gelden minder zware maatregelen. Niet alle planten dienen daarom vernietigd te worden. Volgens verweerder was het voor appellante voldoende duidelijk in welke planten de bacterie Rs is aangetoond.

3. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat uit het primaire en het bestreden besluit niet duidelijk blijkt welke planten besmet zijn verklaard. Ook blijkt hieruit niet dat de besluiten op grond van artikel 3 van de Plantenziektewet en door de ter zake bevoegde minister zijn genomen. Dit is voor appellante van belang omdat zij de minister op grond van artikel 4 van de Plantenziektenwet heeft verzocht om schadevergoeding voor geleden schade als gevolg van krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet gegeven voorschriften.

4. Verweerder heeft betoogd dat het bestreden besluit zijn grondslag vindt in artikel 3 van de Plantenziektewet. Weliswaar bepaalt de Plantenziektenwet dat de minister van Economische Zaken bevoegd is om op grond van die wet besluiten te nemen, maar verweerder is belast met een deel van de taken van de minister, waaronder het nemen van besluiten op grond van de Plantenziektewet, en om die reden is het bestreden besluit door verweerder ondertekend. De vrees van appellante dat zij als gevolg van de ondertekening door verweerder geen recht zou hebben op schadevergoeding is daarom onterecht.

5. Het College oordeelt als volgt.

5.1.

Ingevolge artikel 46, tweede lid, van de Grondwet treedt een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister. Verweerder heeft er in dit licht op gewezen dat op grond van een onderlinge taakverdeling tussen de minister en verweerder ten tijde hier van belang is afgesproken dat de staatssecretaris in de plaats van de minister is belast met aangelegenheden betreffende de landbouw. Appellante heeft niet gesteld dat de uitvoering van de Plantenziektenwet en het Besluit waarvan bij het primaire besluit en het bestreden besluit sprake is, niet moet worden gerekend tot deze aangelegenheid. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in de plaats van de minister het primaire besluit en het bestreden besluit mocht nemen.

5.2.

In het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit is vermeld dat de daarbij opgelegde maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 3, 4, 5 en 6 van het Besluit. Uit de considerans van het Besluit blijkt dat dit zijn grondslag vindt in artikel 3, eerste lid, van de Plantenziektenwet. Er kan daarom geen twijfel over bestaan dat genoemde maatregelen de toepassing van de krachtens artikel 3 gegeven voorschriften als bedoeld in artikel 4 van de Plantenziektenwet betreffen. Appellante kan op grond van artikel 4 van de Plantenziektenwet een verzoek indienen om een tegemoetkoming te verlenen in de gelden schade die het gevolg is van de door verweerder aan haar aangezegde maatregelen. Of appellante aanspraak kan maken op een dergelijke vergoeding zal op basis van een dergelijke aanvraag moeten worden beoordeeld en staat in deze procedure niet ter beoordeling.

5.3.

Het College is verder met verweerder van oordeel dat het voor appellante voldoende duidelijk was of kon zijn welke planten (rassen) zij diende te vernietigen. Uit de formulering van de onder punt 2 van het primaire besluit aangezegde maatregel blijkt dat aan appellante de verplichting wordt opgelegd om de als besmet aangemerkte planten te vernietigen. In dat besluit is tevens vermeld dat besmet worden verklaard de planten waarin Rs is aangetoond of waarin de aanwezigheid van Rs op basis van visuele symptomen wordt vermoed. In lijn hiermee heeft verweerder in het bestreden besluit terecht gesteld dat bij het primaire besluit niet is aangezegd dat alle planten moesten worden vernietigd. Voorts is op 18 augustus 2015 Rs aangetoond in de door appellante geteelde rozen van het ras Armando en op 23 september 2015 in de rozen van het ras Formula One. Appellante heeft hiervan zelf melding gemaakt bij verweerder. Uit de brief van appellante aan verweerder van 3 november 2015 blijkt dat zij heeft begrepen dat de rozen van deze rassen in ieder geval moesten worden vernietigd.

5.3.

Het beroep slaagt niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen

aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. S.M. van Ditmarsch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. S.M. van Ditmarsch