Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2017:382

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
16/730
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Momentopname geen drinkwater hond. Geen overtreding Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. J.J.M. Boot),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van het bepaalde in de Wet dieren.

Bij besluit van 30 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2017.

Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Voor het College zijn de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

1.1

Op 24 november 2015 heeft bij de woning van appellant een controle door een toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en twee agenten van de dierenpolitie plaatsgevonden. Blijkens het toezichtrapport van 30 november 2015 zijn , voor zover hier van belang en samengevat weergegeven, de volgende constateringen gedaan.

In de woning bevonden zich vier honden. Een hond, van het ras Mastino napoletano, bevond zich in de keuken, waarvan de deur dicht was. In de keuken stond een lege waterbak, waardoor voornoemde hond op dat moment geen beschikking had over drinkwater.

1.2

Bij het primaire besluit is een last onder dwangsom opgelegd. Daarbij is aan appellant de maatregel opgelegd, dat hij ervoor dient zorg te dragen dat zijn honden over een toereikende hoeveelheid vers en schoon drinkwater kunnen beschikken. Dit water moet goed toegankelijk zijn voor de honden.
Indien aan deze maatregel niet wordt voldaan, verbeurt appellant per controle € 250,00 tot een maximumbedrag van € 750,00. De last onder dwangsom is gedurende twee jaar van toepassing.

1.3

Op 25 februari 2016 heeft een hercontrole plaatsgevonden. Blijkens het toezichtrapport van 5 april 2016 beschikten de aanwezige honden over een drinkbak gevuld met schoon drinkwater en heeft appellant op dat moment derhalve aan de last onder dwangsom voldaan. Dit is appellant bij brief van 14 april 2016 bevestigd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

3. Appellant betwist dat sprake is van een overtreding. Hij voert aan dat hij altijd zorgdraagt voor voldoende vers en schoon drinkwater voor zijn honden. Volgens appellant blijkt uit het controlerapport niet dat zijn honden onvoldoende vers en schoon drinkwater kregen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat de honden van appellant niet optimaal werden verzorgd. Appellant voert tot slot aan dat, mocht het al zo zijn dat een van zijn honden tijdens de controle geen drinkwater had, dit slechts een momentopname was, die niet had mogen leiden tot de opgelegde last onder dwangsom.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een overtreding. Tijdens de controle op 24 november 2015 is door de toezichthouder geconstateerd dat één van de honden van appellant geen beschikking had over drinkwater. De toezichthouder heeft een foto van de lege drinkbak bij het controlerapport gevoegd. Gelet hierop kon volgens verweerder worden vastgesteld dat appellant de hond de nodige zorg heeft onthouden en niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht om de hond toegang te verschaffen tot voldoende vers en schoon drinkwater.

4. Ingevolge artikel 5:31d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

De Wet dieren luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 2.1. Dierenmishandeling
1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.
(…)

Artikel 2.2. Houden van dieren

(…)

8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.”

Ingevolge artikel 1.7, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren, draagt degene die een dier houdt, er zorg voor dat een dier toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen.

4.1

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, en
artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang bezien met artikel 1.7, onder f, van het Besluit houders van dieren. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

4.2

Voor de feitelijke onderbouwing van de gestelde overtreding steunt verweerder op de bevindingen in het toezichtrapport van 30 november 2015. Uit het toezichtrapport blijkt dat op het moment van de controle de Mastino napoletano zich in de keuken bevond. De deur van de keuken was dicht. In de keuken stond een lege waterbak, waardoor de hond op dat moment geen beschikking had over drinkwater. Deze constatering wordt ondersteund door de bij het toezichtrapport gevoegde foto van de lege waterbak.
Appellant stelt hiertegenover dat drinkwater voor de hond aanwezig was, maar heeft dit niet onderbouwd met bewijsstukken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College dan ook geen aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van voornoemde bevinding.

4.2.1

Het College stelt echter vast dat uit het toezichtrapport weliswaar blijkt dat in de afgesloten keuken, waar de Mastino napoletano zich op dat moment bevond de waterbak leeg was, maar dat in het toezichtrapport onvoldoende wordt gemotiveerd dat op basis van die enkele waarneming moet worden aangenomen dat sprake is van een overtreding van de onder 4.1 genoemde wettelijke voorschriften. Hierbij acht het College van belang dat in het toezichtrapport indicaties ontbreken over hoe lang de desbetreffende hond zich al in de keuken bevond en hoe lang de waterbak in de keuken al leeg was en of een dergelijke situatie vaker voorgekomen was.

Gelet hierop heeft verweerder niet kunnen vaststellen dat op 24 november 2015 de hond niet van een toereikende hoeveelheid water werd voorzien. De enkele constatering dat op één enkel moment de waterbak leeg was, is onvoldoende om daarop zonder meer de conclusie te baseren, dat appellant de genoemde wettelijke voorschriften overtrad.

4.2.2

Voor zover verweerder zich heeft willen beroepen op uitspraken van het College in soortgelijke gevallen, overweegt het College gelet op het voorgaande dat, nog daargelaten dat verweerder geen concrete uitspraken heeft genoemd, de feiten en omstandigheden in het onderhavige geval onvoldoende basis bieden om te kunnen concluderen dat appellant zijn hond niet van een toereikende hoeveelheid water heeft voorzien.

4.3

Gelet op het vorenstaande is niet komen vast te staan dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 1.7, onder f, van het Besluit houders van dieren. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom.

Conclusie

5. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Dit besluit komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Nu de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd zal het College met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit herroepen. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

6 Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485, - (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, , met een waarde per punt van € 495, - en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168, - aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.485, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017.

w.g. W.E. Doolaard w.g. A. Verhoeven